Hutspot

Als Tilly de hoek om komt en de straat inrijdt, ruikt ze het. De weeïge geur van verzoening die via de afzuigkap naar buiten wordt geblazen. Ze dacht dat er nog wel een week overheen zou gaan. Maar, niet dus. Zelf heeft ze heel de middag in de bibliotheek gezeten, knipselmappen om haar heen, pen en schrift binnen handbereik. Het werkstuk moet volgende week af en vanmiddag realiseerde ze zich dat ze geen idee heeft hoe ze dat voor elkaar moet krijgen. Terwijl ze met haar voorwiel de stoep opknalt, grijpt ze met haar linkerhand naar het zijvak van de rugzak die aan haar stuur bungelt. Ze trekt haar sleutels eruit, zet haar fiets tegen het hek en op slot en haakt de fietssleutel vast aan de sleutelbos.

‘Hallo?’ roept ze, terwijl ze met haar kont de voordeur dichtduwt. Alleen Pimmetje antwoordt – zacht miauwen dwarrelt de trap af. Ze hangt haar jas aan de kapstok en loopt door naar de kamer. Het is koud. En haar moeder heeft opgeruimd. De vensterbanken zijn leeg, buiten op het plaatsje staan de kamerplanten na te druipen. Binnen ligt en staat alles recht. Op de eettafel de krant van die ochtend, uitgelijnd langs het houtfineerpatroon. Ze laat haar vingers erlangs glijden, geeft de krant een tikje. Een klein tikje maar. In de keuken vult ze de ketel en zet hem op het fornuis. Naast het sudderplaatje waarop een grote zwarte pan staat. Ze hoeft niet te kijken om te weten wat erin zit. Aan haar neus mankeert niets.

Koorddansen is het, en ze is er goed in. Slechts zelden onderneemt ze iets waardoor de wiebelige blokkentoren nog wat verder wordt ondermijnd. Tenminste, dat is dan het doel. Het lukt niet altijd. Zoals die keer met de fiets – haar fietssleutel die ze kwijt was, haar vader die haar op moest halen, haar fiets in de kofferbak van de rode Corsa, zijzelf achterstevoren op de achterbank – en houd godverdomme die fiets goed vast! Ze had gehoopt op een alerte politieagent. Thuis was ze meteen naar boven gerend en in haar slaapkamer had ze de fietssleutel uit haar etui gehaald en onderin haar sieradendoosje gelegd. Haar vader had vloekend het fietsslot opengeknipt: hoe stom kon ze zijn, en ook: had ze eigenlijk wel hersens? Ze moest zelf een nieuw slot kopen, en waag het niet thuis te komen met niet zo’n kloterig goedkoop prul. Daar kwam weer ruzie van, nog voor het eten, toen haar moeder vroeg wat er aan de hand was. Daarna werd het opnieuw stil, vier dagen lang, tot opa en oma voor het zondagse bezoek op de stoep stonden.

Ze droomt er soms van. Dat alles met een harde klap tot een einde komt. Wat zou moeten volgen, dat weet ze niet: de droom is tot nu toe nog niet voorbij die klap en de rokende puinhopen gekomen. Ze luistert naar het tikken van de klok terwijl ze twee boterhammen bebotert, er twee speculaasjes op legt en beide broodjes tegen elkaar drukt. Ze gaat aan de tafel zitten, trekt het laatje open om een placemat te pakken – kruimels, etensresten, Tilly, weet je wel hoe vies…! – en duwt hem dan met een klap weer dicht. Ze eet gehaast en de speculaas maakt herrie in haar hoofd. De telefoon gaat. Even later houdt het rinkelen op. Terwijl ze net het laatste hoekje brood wegslikt, gaat de telefoon opnieuw. Ze kijkt op de klok. Bijna zes uur. Ze staat op, zet haar bordje en beker in de gootsteen en vraagt zich even af of het de bedoeling is dat ze het vuur onder het sudderplaatje uitdraait. Waarschijnlijk wel.

Zinderend

De atmosfeer zindert, in de verte liggen de koeien in de schaduw van de bomenrij. Op het erf staat de boer, hij slaat het gade. Slaat het op in zijn geheugen, dit moment, de lucht die trilt, het gras net gemaaid, de fietsers op de weg langs zijn boerderij. Hij draagt een pet, de boer. Niet omdat hij anders verbrandt, maar gewoon, omdat de pet nu eenmaal bij hem hoort, zonder zijn pet voelt hij zich bloot, naakt. Hij heeft de mouwen van zijn overhemd twee slagen omgevouwen, zijn verbond met de warmte. Verder doet hij er niets aan, aan de zomer. De werkbroek is elke dag hetzelfde, de laarzen, het overhemd- hetzelfde. En de pet. Die ook. Dat andere mensen het anders doen, ontgaat hem niet. Hij ziet de benen, de armen, het bloot. Wit bloot. Het kan hem niet bekoren. Zou iemand het hem vragen, dan zou hij zeggen dat zijn koeien ook altijd hetzelfde dragen, verzengende hitte, doordringende kou, het maakt ze niets uit. Het maakt hem ook niets uit. Hij slaat slechts gade. Zonder dat iemand hem iets vraagt.

Druistig

Mooi woord, druistig. Geen idee waarom het me nu te binnen schiet – zo druistig voel ik me niet. Integendeel zelfs. Of is dat hoe de geest werkt: schuift hij (of zij?) dat woord expres naar voren, een kattebelletje, een klein hupje naar hoe het ook kan zijn. Gisteren zei iemand tegen mij: nee, schrijven is helemaal niet leuk. En ik beaamde dat. Wat later sprak ik mijn redacteur en die zei: je bent te ongeduldig. Ook dat beaamde ik. Een ongeduldig ploeteren. Ook dat is werken, zei een derde persoon. Ik knikte. Een ongeduldige en hardwerkende ploeteraar, dat is wie ik momenteel ben. En ik verlang naar druistigheid.

‘Ik heb moeten leren dat delen meer begrip oplevert’

coverEtappejpgMarianne Vos. Fanatieke veelvraat. Sympathiek en innemend. En wielericoon tegen wil en dank. Een gesprek over het voetstuk van Eddy, de verongelijktheid van Jeannie en haar eigen eigenwijzigheid. En over dankbaarheid. Dat vooral.

Aan de rand van een dorp woont ze tegenwoordig, met een adembenemend uitzicht over de velden erachter – ‘van de week liep onze poes daar zo mooi doorheen te struinen, prachtig!’ Vader Vos wijst naar een dorpje in de verte; daar woonden ze tot voor een paar maanden terug. En daar, wijst hij, terwijl zijn arm een stukje naar links beweegt, daar zien ze de Pagode van de Efteling als die omhoog komt. Jazeker, het is hier mooi wonen. En het is hier lekker rustig, zegt Marianne Vos als we een paar uur later naar haar prijzenschuurtje rijden. Ze houdt van de rust, Marianne. Ze is weliswaar geboren in een stad – ‘in het ziekenhuis van Den Bosch, de burgemeester is er nog steeds trots op’ – maar opgegroeid op het Brabantse platteland, waar ze op haar zesde begon met fietsen. Het afgelopen decennium won ze bijna alles wat er te winnen viel, op de weg, in het veld en op de baan. Hoe ze dat deed? ‘Liefhebberij. En bewijsdrang.’ Eigenwijs is ze: als de wereld zegt dat het niet kan, is zij niet overtuigd. Dat ga ik eerst maar eens proberen, denkt ze dan. Tien keer op haar bek en de elfde keer laat ze het zien: dat het dus wél kan. Iets heel goed kunnen, dat is wat ze wil. En anders? ‘Dan doe ik het liever niet. Of oefen ik net zo lang tot ik het kan. In mijn eentje, want ik vind dat leerproces verschrikkelijk. En als iemand dat ziet, is het helemaal erg.’ Maar goed, als het dan lukt… machtig! In de cross al die verschillende ondergronden tot in de finesses beheersen. Of op de weg: de tactieken tot in detail uitpluizen. Weinig mooiers dan dat. En de baan – ach, dat was eigenlijk ter ondersteuning van de weg. Bleek ze aanleg te hebben en nou ja, dan is ze dus niet te houden. Als ze daarop terugkijkt, hoe snel dat ging… ‘Een maand of zeven na mijn eerste baantraining werd ik Olympisch kampioene. Eigenlijk heb ik daar indertijd niet voldoende bij stilgestaan, hoe bijzonder dat was.’

 

‘Cannibale’

De vrouwelijke Eddy Merckx wordt ze inmiddels genoemd, in Italië noemen bijna alle wielerkenners haar ‘Cannibale’. Een vreemde gewaarwording vindt ze dat, ze is eigenlijk iets te nuchter voor zulke superlatieven. Tegelijkertijd ziet ze het wel als een mooie erkenning van de vrouwenkoers. In haar eigen land zijn ze wat minder van de heldenverering. Ze lacht: ‘In Nederland mag het niet zo, hè: anders zijn, opvallen, je eigen weg zoeken. Dat hoort niet. Bij ons word je afgeschoten als het een keer wat minder gaat. In het buitenland haalt men de schouders erover op, vinden ze dat mindere momenten er gewoon bij horen.’

Nee, Eddy heeft ze nooit uitgebreid gesproken en ja, het zou misschien best leuk zijn eens met hem te praten. Informeel dan, geen geënsceneerd gedoe. Ze heeft alleen geen idee hoe ze zou moeten beginnen… Ja, met “goedendag meneer Merckx, hoe gaat het met u?”, maar dan…? Er zijn renners zat met wie ze het gesprek heel gemakkelijk aangaat, maar Eddy… ‘Ik ben vooral benieuwd naar de man achter het beeld dat we allemaal van hem hebben en dat hij zelf ook in stand houdt; zwaktes toont hij niet. Daardoor blijft hij de grote Eddy Merckx, maar is zijn menselijke kant niet zo zichtbaar. Hij staat op een voetstuk.’

Sommige mensen zetten haar ook op zo’n voetstuk, komen dan vol oh’s en ah’s op haar af, volledig van de kaart omdat ze háár ontmoeten. Ze kan er niet zoveel mee, ze is toch gewoon Marianne? Gelukkig vergeten die mensen na een paar minuten met haar kletsen dan wel weer dat ze zo nerveus waren – kletsen ze gewoon over fietsen, niets meer, niets minder. Haar ogen glimmen: ‘Dat vind ik echt het allerleukste!’

 

Mannen. En vrouwen

De wielersport bij de mannen ontleent een deel van zijn populariteit aan de heroïek van vroeger, aan verhalen over mannen als Eddy, maar bij de vrouwen liggen die heroïsche verhalen over besneeuwde bergtoppen en heldhaftige afdalingen al jaren stof te verzamelen. Jammer vindt ze dat. Het is fantastisch dat ze nu La Course hebben, maar wie weet nog dat de vrouwen in de jaren tachtig en negentig ook over de kasseitjes van de Champs Elysees denderden, in hun eigen Tour de France nota bene! Sommige oud-rensters komt ze nog wel eens tegen. Oud-rensters die nog met Elsy hebben gereden bij de Grand Prix Elsy Jacobs, Keetie van Oosten-Hage bij het jaarlijkse wielergala. Waar ze het dan over hebben? Tja, over toen en nu toch wel. Dat die meiden vroeger op de fiets naar de koers kwamen, ook als die in bijvoorbeeld België werd verreden – zulke dingen. Maar goed, ook nu zijn er nog wielerploegen die met de trein of in met z’n achten in een klein busje naar de koers komen. Ze vindt het jammer dat die verschillen nog zo groot zijn: ‘Iedereen moet kunnen fietsen, maar in koers is het verschil tussen de professionele ploegen en de ploegen uit de onderste regionen echt enorm. Met de komst van de Worldtour voor vrouwen zal dat veranderen en ik denk dat dat goed is voor de aantrekkelijkheid van de koers. Je kunt beter een kleiner peloton goed aan elkaar gewaagde meiden hebben, rensters die professionaliteit uitstralen. Dan schotel je de fan tenminste echte topsport voor.’

Trouwens, nu ze het toch over de vrouwenwielersport heeft… wanneer houdt dat letterlijke vergelijken met de mannen eens op? Dat gebeurt bij tennis toch ook niet? Of bij zwemmen, of atletiek? Dafne Schippers die langzamer loopt dan Usain Bolt – daar heeft niemand het over. Marianne schiet naar voren, haar ogen fel: ‘Ik zat gisteren naar de cross te kijken, zei de commentator dat de afdaling bij de vrouwen toch wel wat minder hard gaat. Dan denk ik: waarom zeg je dat? Die meiden rijden net zo goed op de max!’ Hetzelfde met die eeuwige nadruk op uiterlijkheden. Vroeger zag de buitenwereld de wielervrouwen als kenaus, manwijven, ze is allang blij dat die tijd voorbij is: het vrouwenpeloton is tegenwoordig een kleurrijk geheel van opgemaakte meiden die met wapperende staarten en gelakte nagels over het asfalt suizen. Prima, wat haar betreft. Wat haar dan wel weer irriteert, is dat het daar altijd weer over moet gaan; bij mannen is dat uiterlijk toch ook geen onderwerp van discussie? Maar bij vrouwensport: altijd! En het woord vrouwensport gebruikt ze bewust, ja. Kijk maar naar zwemmen, atletiek, tennis, voetbal – zodra het om vrouwen gaat, komt dat uiterlijk om de hoek kijken.

 

Eigenwijzigheid

Nee, fan van Armstrong was ze niet, Ullrich, dat was haar held; de underdog. Armstrong liet te weinig emotie zien, was te veel een machine. En over helden en heldinnen gesproken… Jeannie Longo, met haar zou ze wel eens willen praten. Een intrigerende vrouw, iemand die misschien ook niet alles goed heeft gedaan, zich al jaren afzondert en denkt dat iedereen tegen haar is. Terwijl: kijk naar haar carrière! En die drive, ongelooflijk. Die vrouw rijdt nog vrijwel wekelijks de Alpe d’Huez op, in een tijdrit tegen zichzelf. Waarom? Dat zou ze Longo dus willen vragen: waarom wil je op je 56ste nog dat gevecht met jezelf aan, terwijl je weet dat het minder is? Marianne zucht. ‘Dat lijkt me zo confronterend! Ik zou dat juist uit de weg willen gaan, ja. Waarom jezelf nog steeds zoveel pijn doen? Dat intrigeert me. Plus dat Longo veel heeft meegemaakt in de sport. We weten niet wat zij wel en niet heeft gedaan en dat maakt haar ongrijpbaar, net als Merckx. Maar haar ongrijpbaarheid zit ‘m in haar afzondering, terwijl die van Eddy ‘m in dat voetstuk zit.’

Het verhaal van Longo is ook het verhaal van een niet aflatende verongelijktheid. Ondanks die carrière dus. Pijnlijk vindt Marianne dat, die vrouw is misschien nooit goed begrepen. ‘We zijn allemaal op zoek naar erkenning, naar waardering. Maar wat als je die niet krijgt, keer op keer? Dat word je misschien wat minder realistisch. Er zijn meer van zulke verhalen, over bonden en ploegen die niet begrijpen wat de renster bedoelt. Het heeft misschien te maken met het verschil tussen mannen en vrouwen. Een man denkt: schijt aan jou! Een vrouw wil af en toe een aai over haar bol en als ze die niet krijgt gaat ze zich afzetten, waardoor het allemaal nog erger wordt. En zo’n man begrijpt daar niks van!’ Dat eigenzinnigheid ook een rol speelt, ja, dat weet ze wel zeker. Op dat niveau begrijpt ze Longo ook wel: ze is zelf net zo goed eigenwijs. Toch krijgt zij altijd steun van de bond en de ploegen, misschien wel omdat ze begrijpt dat die uiteindelijk steeds het beste met haar voorhebben. Tegelijk… Ze is even stil, denkt na. Begint aan een zin, maar breekt die halverwege af. Weer even stil… Dan: ‘Ik heb echt moeten leren dat delen meer begrip oplevert. Toch wel, ja. Ik ging m’n eigen weg zonder daar anderen bij te betrekken en als je dat doet, ontstaat onbegrip. Ik ben iemand die iets gaat doen en de kop in het zand steekt – als het fout gaat dan zie ik dat dan wel weer en als het goed gaat, nou, dan gaat het goed. Dat zit wel in mijn karakter. Meer openheid werkt beter, heb ik ontdekt.’ De behoefte om de dingen voor zichzelf te houden heeft misschien ook wel te maken met haar hang naar harmonie; conflicten gaat ze liever uit de weg. Als topsporter heb je altijd met anderen te maken, weet ze inmiddels: je werkt samen aan een doel, je doet samen investeringen. ‘Ik moet die mensen er dus bij betrekken, anders werkt het niet. Wat enorm helpt, is dat ik me makkelijk in anderen verplaats. In die zin krijgt onbegrip bij mij weinig kans.’

 

Koers en religie

Ze is gelovig opgevoed en dat geloof is nog steeds een leidraad, zowel in het dagelijks leven als in de sport. Natuurlijk weet ze ook wel dat je als topsporter egoïstisch moet zijn, wat dat betreft is ze zelf net zo min bereid tot al te veel compromissen. Maar je tegenstander háten? Ze schudt resoluut het hoofd. Zegt dat ze altijd naar harmonie zoekt, waar dan ook. ‘Binnen de ploeg, maar ook in het peloton. We doen het toch samen?’ Ze valt weer even stil, lijkt haar woorden te wegen. Dan: ‘Naastenliefde, daar heeft het alles mee te maken. Als je vijand honger heeft, geef hem brood. Zo werkt het.’ De aloude verhalen over wielrensters die elkaar de koppen inslaan; ze kent ze, jazeker. Maar ze kan zich er werkelijk geen voorstelling van maken en naar haar idee is het nu ook niet meer zo. En ze weet best dat ze zelf echt geen leuke renster is om tegen te koersen – er moet namelijk wel gewonnen worden, linksom of rechtsom – maar ze houdt het altijd sportief. De tegenstander hoeft echt de berm niet in. ‘Sterker nog: als iemand dorst heeft en door haar bidonnen heen is terwijl ik er nog twee heb, sta ik er rustig eentje af. Maar op de streep wil ik haar er wel op leggen, dat wel!’ Waarom die haat en nijd er tegenwoordig niet meer is – ze weet het niet. Het zou zo maar kunnen dat iedereen er gewoon helemaal klaar mee was, met dat gezeur. Rivaliteit is prima, nodig zelfs, want zonder rivaliteit geen mooie zeges. Maar na afloop van de koers drink je wel samen een glas.

Haar geloof helpt haar de dingen te relativeren, ook als ze veel wint. Bedachtzaam: ‘Al dat goud, al die medailles in de kast, dat is fantastisch. Maar de maandag erna is het gewoon weer maandag. Dat was zo toen ik alles won, dat is zo nu ik even aan de kant sta.’ Niet dat er in dit jaar niets is veranderd, dat wil ze zeker niet zeggen. Bijna een leven lang zocht én vond ze bevestiging in haar sport, dus toen dat wegviel… Ze wist dus wel dat dat fietsen niet het enige in het leven was, maar nu ondervond ze het aan den lijve, kon ze echt niet meer vluchten in de sport. Ze is andere dingen gaan doen, werd de Marianne die even niet fietst, maar wel naar de koers komt of haar ploeggenotes advies geeft, de Marianne die commentaar geeft op tv, de Marianne die een clinic geeft, of een lezing. En het mooie is: de mensen waarderen haar daar ook weer in. Waardering voor de mens Marianne, in plaats van voor de wielrenster Marianne – een nieuwe ervaring. Ze is erdoor gegroeid, dat durft ze best te zeggen. Ze lacht er vrolijk bij, maar geeft meteen toe dat deze periode zeker in aanvang gewoon zwaar was, leeg voelde. Terwijl, als ze erover nadenkt: wielrennen en als eerste over de streep willen – dat is pas leeg! Maar ja, die overwinning, die roes; mooier dan dat is het leven nog niet geweest. Dus ja, toch dat lege gevoel, vooral de eerste paar maanden. Nog steeds vindt ze koersen het mooiste wat er is. Ook dat heeft ze dit jaar geleerd: juist nu ze even niet kan koersen, voelt ze dat koersen is wat ze het liefste doet. En dat het een keer ophoudt, dat realiseert ze zich heus wel. En hoewel ze nog niets heeft gevonden dat haar zoveel voldoening geeft als de fiets, zal ze zich zonder die high van de koers ook wel redden; in vergelijking met wat het geloof voor haar betekent, is koers maar bijzaak. Een heel mooie bijzaak, maar toch: bijzaak. Overigens wel een bijzaak waar ze absoluut nog niet klaar mee is, dat wil ze graag even benadrukken.

Ook als het om haar geloof gaat, volgt ze haar eigen weg. Naar de kerk gaat ze niet; er zijn zoveel stromingen en er is er niet een waarbij ze zich volledig thuis voelt. Niet naar een kerk gaan heeft een nadeel, vindt ze: ‘De wereld gaat snel en voor je het weet hol je maar door, zonder een moment van bezinning. Zeker als het goed gaat… Als je niet oppast, ga je dat als vanzelfsprekend zien, vergeet je stil te staan bij hoe bijzonder het is.’ Ze last die bezinningsmomenten bewust in. Om dankbaarheid te tonen. Om te voelen dat het allemaal echt zo normaal niet is. Dankbaar zijn voor de mooie dingen is wat haar betreft minstens zo belangrijk als om hulp vragen in de mindere tijden. Zonder die dankbaarheid, vindt ze, leef je altijd maar in de toekomst zonder te beseffen hoe mooi het nu is. Nu, op dit moment.

in december 2015 gepubliceerd in Etappe – Magazine over historische fietshelden: www.wielermuseum.be/publicaties/etappe/

In gesprek met directeur RAI Amsterdam

Tegen de economische trend in deed de Amsterdamse RAI het de afgelopen jaren buitengewoon goed. Hans Bakker, algemeen directeur en drijvende kracht achter het florerende bedrijf gaat volgend jaar met pensioen – hoog tijd voor een gesprek over… tja, over wat niet eigenlijk?

 

Zijn jeugd

‘Ik ben geboren en opgegroeid in Den Haag, in een gegoed milieu toch wel. Mijn vader was directeur van het elektriciteitsbedrijf in Den Haag, later was hij directievoorzitter van de samenwerkende elektriciteitsbedrijven in Nederland, dus we hadden het niet slecht. Ik was de jongste van drie jongens, eigenlijk de belhamel van het stel. Mijn broers begonnen zich op een gegeven moment ernstig zorgen te maken, die zagen het al gebeuren dat ze de rest van hun leven voor mij moesten zorgen. Nou ja, ik had geen zin in leren natuurlijk, deed liever andere dingen. Tot mijn vader me op een gegeven moment toch wist te raken – mijn vader was een wijs man. Zijn woorden maakten indruk, want vanaf dat moment, ik was toen veertien, ben ik wel gaan leren en ging ik van de MULO naar de HBS en daarna door naar de universiteit voor de studie bedrijfseconomie.

Na mijn eindexamen moest ik bijna een jaar wachten voor ik in militaire dienst kon, waarop ik besloot een tijd naar Amerika te gaan. Mijn moeder was er niet zo blij mee, maar mijn vader vond het een uitstekend plan. Eenmaal in Amerika heb ik zelf het initiatief genomen voor een rondreis, in mijn eentje. Ik was negentien, heb een auto gekocht en ben in zeven maanden door vierendertig staten gereden. Ik ben daar wel volwassen geworden, zou je kunnen zeggen.’

 

Zijn carrière

‘Tijdens mijn studie had ik een bijbaan bij de Compagnie Internationale des Wagons-Lits, die met slaap- en ligwagons door Europa reed – de Compagnie bestaat nu niet meer. Dan maak je veel mee hoor, het was een snelkookpan voor wat betreft mijn mensenkennis, dat kan ik je wel vertellen. Als steward op zo’n trein hoor je zoveel verschillende verhalen, heb je met zoveel verschillende mensen en nationaliteiten te maken. Ach, er gebeurde echt van alles in die treinen, het waren de jaren zeventig, dus tja…

Maar goed, direct na mijn studie kreeg ik een baan bij Holland International en toen ging het hard. Het was daar echt pionieren, in die jaren was de reiswereld nog niet zo groot als nu, we moesten alles nog professionaliseren. Ik heb daar in totaal negen jaar gewerkt en dat is misschien het enige waar ik wat betreft mijn carrière spijt van heb, dat ik niet iets eerder weg ben gegaan. Maar steeds als het begon te kriebelen, kreeg ik intern weer de mogelijkheid een stap te zetten, dus wat doe je dan? En ik heb daar gewoon een mooie en leerzame tijd gehad, dus in die zin was het ook goed. Toch adviseer ik jonge mensen altijd niet te lang bij de eerste werkgever te blijven, want voor je het weet ga je denken dat alle organisaties er zo uitzien als dat ene bedrijf.

Na Holland International volgde Transavia, dat was fantastisch. Toen ik daar kwam, was het eigenlijk een volledig charterbedrijf en daar hebben we toen de zonlijndiensten aan toegevoegd. Spannend natuurlijk, want dat was nogal een stap. Maar uiteindelijk is het wel cruciaal voor het overleven van Transavia geweest, want andere bedrijven, zoals Martinair of AirHolland, bestaan als passagiersmaatschappij niet meer. Bij Transavia experimenteerden we uitgebreid met zelfsturende teams, dat was toen heel nieuw en ontzettend vooruitstrevend. Het gekke was dat de medewerkers daar helemaal niet zo op zaten te wachten, er ontstond zelfs weerstand. Het mooie daarvan was dat de samenwerking heel intensief was, het onderlinge contact met de mensen lag op een ander niveau, ging een laag dieper. Dat werd veroorzaakt door die weerstand, ja, want weerstand zorgt ervoor dat er zaken boven tafel komen die anders verborgen blijven. Het was voor mij een heel dierbare tijd.

De jaren na Transavia bij TUI Nederland en TUI Group in Hannover waren wel de zwaarste jaren uit mijn carrière. Ik moest de fusie tussen Arke en Holland International vormgeven; geen sinecure. Twee totaal verschillende bedrijven, het ene een meer corporate georganiseerd bedrijf uit de Randstad, het andere een sterk familiebedrijf uit Twente – zie dat maar eens op elkaar aan te laten sluiten. Wat het echter vooral heel lastig maakte, was het gebrek aan vertrouwen. In een fusie moet je het vertrouwen van de mensen op de werkvloer winnen en daar deed ik alles aan. Als je in zo’n fusie met het management en de OR zaken afspreekt en die afspraken worden kort daarna op internationaal corporate niveau overruled,dan gaat het mis, je verliest dan het vertrouwen van de mensen. Voor mij was het een eenzame periode, ik vond dat best moeilijk. Wat wel hielp, was dat ik veel mensen bij Holland International nog kende uit mijn eerdere periode, waardoor ik daar vaak direct van de werkvloer vernam hoe het er in werkelijkheid aan toe ging. Al met al was het een interessante, maar wel barre tijd.

Nadat het moederbedrijf TUI Group werd overgenomen ben ik vertrokken en heb ik een sabbatical voor mijzelf ingelast, gewoon om mentaal bij te tanken en aandacht aan mijn gezin te besteden. Die laatste jaren bij TUI was ik “de man die thuis op zondag het vlees sneed” en toen ik stopte, maakte ik toch een soort touch-down: van de voorzitter van Raad van Bestuur – met chauffeur en secretaresses – naar helemaal niks; ik ging zelf op de fiets postzegels kopen. Maar ik heb me geen moment verveeld: ik bracht de kinderen geregeld naar school, ik heb een leergang aan Yale University gedaan en meer van die zaken waar ik anders echt niet aan toekwam. En vakanties natuurlijk, want vergis je niet in zo’n sabbatical: je gaat meteen twee keer zo lang met vakantie.’

 

Zijn gezin

‘Drie kinderen hebben mijn vrouw en ik: twee dochters van 23 – een tweeling, en een zoon van 21. Allemaal al het huis uit, maar ze gaan nog steeds met ons mee op vakantie. Prachtig, nietwaar? Ik weet niet hoe lang het nog zo blijft hoor, en welke bestemmingen we uit de kast moeten trekken om ervoor te zorgen dat ze mee blijven gaan. Maar voor nu genieten we ervan. Ja, we zijn een hecht gezin, de kinderen komen nog altijd geregeld thuis. Mijn vrouw heeft na een carrière in het bedrijfsleven een jaar of tien voor de kinderen gezorgd en zich daarnaast op allerlei manieren maatschappelijk ingezet. Recent is ze wethouder geworden in onze gemeente, heel fascinerend!Ik ben blij dat de kinderen het goed doen. Onze zoon heeft, net zoals ik vroeger, iets meer tijd nodig om zijn weg te vinden en ik blijk als vader niet die overtuigingskracht te hebben gehad die mijn vader wel had. En ik begrijp ook wel dat de verleidingen van het studentenleven soms moeilijk zijn te weerstaan. We hebben geen zorg, want het is goed voor zijn maatschappelijke ontwikkeling en hij gaat het vast goed doen.’

 

Zijn RAI

‘Toen ik hier kwam werken, haalde de RAI 75 procent van zijn omzet uit het binnenland en de overige 25 procent uit het buitenland. Dat is nu nagenoeg andersom en dat is vanaf mijn aantreden hier ook mijn bedoeling geweest, daar heb ik vol op ingezet. Ik vind dat de RAI in een internationale markt moet concurreren, met Barcelona en Parijs, niet met Rotterdam of Utrecht. Ja, het is mooi dat dat gelukt is. Juist die omslag is ook de reden van de goede cijfers: wij zijn daardoor veel minder afhankelijk geworden van de Nederlandse economie.

RAI Amsterdam moet blijven vernieuwen, blijven investeren, dat vind ik heel belangrijk. Eerder dit jaar hebben we in dat kader het Amtrium geopend, een multifunctioneel beurs- en congresgebouw met congres-, beurs- en kantoorfunctie gecombineerd. Vijf jaar terug openden we het Elicium waarin we nu zitten en we zijn gestart met de bouw van een grote multifunctionele parkeergarage, waarbij één vloer ook als beurs- en congresruimte kan worden gebruikt. Vernieuwen zit ‘m overigens niet alleen in investeren, maar ook in nieuwe dingen toevoegen. Zo had iemand het vanmorgen nog over die kilometers tapijt die er hier doorheen gaan, of dat niet anders zou kunnen. Op zich wordt het allemaal wel gerecycled, maar toch, het kost veel geld. Nou, zeg ik dan, schrijf een prijsvraag uit en laat een paar start-upbedrijfjes meedoen, laat anderen meedenken, wie weet wat daar uitkomt! Ja, dan kijken ze me wel gek aan: meent-ie dat nou? Natuurlijk meen ik dat! Zo moet je nieuwe ontwikkelingen ook binnenhalen, want binnen je eigen bedrijf krijg je dat niet voor elkaar, dan mis je de kennis en inzichten van buiten. Vergelijk het met de ontwikkeling in de luchtvaart: de luchtvaartmaatschappij die is opgericht door de pionier met een passie voor luchtvaart ziet er totaal anders uit dan de maatschappij die is opgericht door iemand die simpelweg de klant zo snel en zo goedkoop mogelijk van A naar B wil vervoeren en met dat doel voor ogen in de luchtvaart terechtkomt.

Nadenken over en bezig zijn met vernieuwingen geeft mij energie, nog steeds. Ik ben een nieuwsgierig mens, ik lees dagelijks vijf kranten. En inderdaad, als ik zo terugkijk, dan is dat wel de rode draad in mijn carrière: nieuwe mogelijkheden verkennen en op nieuwe manieren gebruikmaken van bestaande mogelijkheden.

 

Zijn pensioen

‘Ik weet niet of ik op de eerste dag van mijn pensioen heel anders opsta. Ik zie er niet tegenop, ben je gek! Door de ervaring van mijn sabbatical weet ik al dat ik me niet zal vervelen. Bovendien vervul ik nog altijd een tiental nevenfuncties bij verschillende bedrijven en organisaties en die gaan gewoon door. Waar ik naar uitkijk, zijn de vrije avonden en weekenden. Nu zijn mijn dagen van ’s morgens tot ’s avonds gevuld en dat zal straks anders zijn. Dat lijkt me heerlijk, niet meer zo op de klok leven, geen kopstaartagenda’s meer. Ik heb er enorm van genoten, dat meen ik echt, maar nu is dat wel mooi geweest.

Nee, ook tegen het afscheidsmoment zie ik niet op, helemaal niet. Ik heb hier veertien jaar met heel veel plezier gewerkt, het bedrijf staat er goed voor en nu is het tijd voor een nieuwe en frisse wind. Wat ik wel ga missen, is het dagelijkse contact met de mensen. De gesprekjes tussendoor, op de gang, op de beursvloer. Dat contact is nodig, ik wil voeling houden met wat er gebeurt en wat er leeft. Maar ook in de mensen zelf ben ik geïnteresseerd; even aan iemand vragen waar-ie mee bezig is, wat-ie vandaag heeft gedaan. Ja, dat ga ik missen.’

 

Zijn opvolger

‘Ik heb geen idee wie mij gaat opvolgen, daar houdt de Raad van Commissarissen zich mee bezig en dat doen ze vast heel goed. Wat ik mijn opvolger toewens, los van succes? Ik hoop dat hij een weg vindt voor het vraagstuk waar vandaag de dag eigenlijk ieder bedrijf in onze sector mee worstelt: hoe vind je de balans tussen de virtuele en de fysieke ontmoeting, hoe zorg je ervoor dat die twee dingen elkaar op een rendabele manier ondersteunen en versterken? Ik ben ervan overtuigd dat de fysieke ontmoeting zoals we die hier faciliteren, niet zal verdwijnen. Mensen willen elkaar ontmoeten, met elkaar iets beleven en dat zie je ook in de zakelijke wereld. Je ziet het aan de beursstands: die worden kleiner, omdat er minder producten worden getoond. Daar staat tegenover dat de inhoudelijke component juist belangrijker wordt: mensen willen elkaar spreken, elkaar in de ogen kijken – is er een klik, klopt het advies, heeft die ander er echt verstand van? Dat persoonlijk contact is voorlopig niet zomaar digitaal te vervangen, maar je kunt de fysieke ontmoeting wel verrijken met digitale toepassingen. De vraag blijft hoe je fysieke en virtuele ontmoeting op een goede en winstgevende wijze samenbrengt. Ik wens mijn opvolger toe dat hij daar voor de lange termijn de goede antwoorden op vindt.’

gepubliceerd in Events, najaar 2015

 

Een rondje met Joop

midden01Op het moment dat Joop de kantine van zijn oude wielerclub Swift binnenloopt, zie ik ineens mijn vader, heel even. Het is de oogopslag, met die bijna onzichtbare twinkeling die lijkt te zeggen dat we het vooral niet al te serieus moeten nemen. Terwijl Joop door de voorzitter richting de bestuurskamer wordt gedirigeerd, drentel ik wat heen en weer tussen kantine, tent en buiten. De stroom wielrenners die het clubterrein op komt rijden, lijkt maar niet op te drogen; een daverend orkest van klikkende, tikkende en schrapende fietsschoentjes, ratelende en soms piepende kettingen en derailleurs en daartussendoor vrolijke uitroepen en veel ferme stompen op bonkige of iele schouders. De atmosfeer boven het clubterrein zindert ervan en ik zinder mee terwijl ik met potlood aantekeningen sta te maken. Over de man in zijn gele hesje schrijf ik, en zijn helblauwe ogen die schalks oplichten steeds als er een dame het terrein oprijdt. Over Petra de Bruin, ooit wereldkampioene op de fiets, nu vrijwilligster. Over felgekleurde shirtjes, en over dikke winterbuiken boven strakke wielerbroekjes. Over bananen die uit achterzakjes steken, en over de man die zijn entree opfleurt met een zichtbaar gemeend zij die gaan sterven, groeten u, waarna hij zijn helm afneemt en een diepe buiging over zijn frame maakt. En over een man die zwetend zijn bandjes oppompt terwijl zijn vrienden hem hoofdschuddend gadeslaan, totdat eentje hem vraagt waarom hij dan ook altijd en eeuwig zo laat zijn nest uitkomt.

In de kantine tovert de dame achter de bar het ene plastic bekertje koffie na het andere tevoorschijn. Ook hier de ingehouden euforie van eindelijk weer en benieuwd hoe de benen zijn. Naast de wielerbaan staan de vlaggen strak; windkracht vier tot vijf vandaag – het eerste stuk mee, het tweede stuk vol tegen, zegt iemand. De speaker test zijn microfoon en de eerste deelnemers fietsen al onder het startdoek door. Dan gaat de deur van de bestuurskamer weer open. De voorzitter loopt naar buiten, daarachteraan Joop, daarachter een man in een knalrode koersbroek die sprekend op Joop lijkt. Chris. Chris Zoetemelk. Broer van. De voorzitter zegt dat ik bij Chris moet zijn, die fietst straks met Joop mee. Chris knikt en wijst me op twee mannen die op hun gemakje buiten in de zon staan te wachten. Wacht daar maar, die twee fietsen zo ook mee. De mannen knikken en geven me een stevige hand. Willem, zegt de een, de ander stelt zich voor als Dick. Zestigers, vermoed ik. Uit Rijpwetering komen ze, vrienden van vroeger. Ondertussen loopt Joop richting het startdoek. Een afstand van nog geen dertig meter, maar hij doet er minstens een kwartier over. Een hand willen ze, of een blik. Cameraatjes, telefoons. Joop, hé Joop! Nog eentje, voor de zekerheid. Bedankt hoor, Joop. Hé Joop, wil je even iets in de microfoon zeggen, het is voor de film van de club. Geweldig, bedankt man! Ja, toe maar, ga maar naast Joop staan. Goed zo, sla maar een arm om hem heen, ja zo. Prachtig, schitterend plaatje. Ha Joop, weet je nog dat je vorig jaar… Hé Joop, Joop! En Joop? Die lacht zijn immer besmuikte lach. Als hij dan eindelijk onder het startdoek staat, gaat er een klein jongetje naast hem staan. Het mannetje is nog maar tien jaar, hoor ik even later, en al sinds z’n derde in de ban van de fiets. Wielrenner wil hij worden en Joop is zijn grootste held. Voor zijn spreekbeurt over Joop kreeg hij vorige week een acht en voor het werkstuk waarvoor hij nu Joops handtekening nog nodig heeft, verwacht hij eigenlijk ook wel een mooi cijfer. Boven zijn vrolijke grijns bollen sproetige wangen. De grijns wordt zelfs nog breder als hij van Joop een toeter in zijn handen gedrukt krijgt. Hup, meetoeteren, zegt Joop. En dat doet hij, terwijl zijn moeder foto’s maakt en af en toe haar duim opsteekt. Weer een acht, op z’n minst.

Een half uur later zitten we op de fiets. Voorop rijdt Chris. Erachter Joop, daarnaast ik, achter ons Dick en Willem. Ik ben de jongste. En de enige dame in ons kleine peloton. Vooral dat laatste vinden de heren leuk. Of het tempo goed is, vragen ze me. Of ik hier wel vaker heb gefietst. Hoe vaak ik eigenlijk fiets. Ze houden me uit de wind en dat mijn bochten van het niveau strijkijzer zijn, vergeven ze me: gewoon door de bocht kijken en lekker laten lopen, dat leer je vanzelf, doceert Willem. We halen zo af en toe wat mensen in, maar als het pad te smal is, blijven we hangen – inhalen kan straks ook. Ze wijzen me op een weiland rechts, een sloot met rietkragen links en de lammetjes die nog veel te ruim in hun wolletje steken. Ze schudden het hoofd als het zoveelste groepje druistige dertigers op onrustig blinkende fietsen voorbij dendert – mijn mannen weten allang dat er aan de finish geen podium vol langbenige rondemissen klaar staat. Ze vertellen over hun zondagse ritjes; in de winter op de mountainbike, in de zomer op de racefiets. En in Haarzuilens doen ze altijd een bakkie – vlak bij jou dus, zegt Willem glimmend. Als we langs de ravitaillering komen, laat Joop met een knikje weten dat we doorrijden. En als ik wat later een plak ontbijtkoek naar binnen werk, zegt Dick dat ik dat goed doe; eten is belangrijk. Af en toe wisselen we van plaats. Chris vertelt dat hij in Parijs was toen Joop de Tour won. En dat voorbijgangers toen dachten dat híj Joop was maar snel doorreden toen ze ontdekten dat hij het niet was. Dick vertelt over zijn wollen Kwantumshirt, van Joop gekregen, jaren terug alweer. Die kwaliteit maken ze niet meer, zegt hij. En Joop? Joop fietst. Het nog altijd tanige lijf gehuld in een zwarte broek met daarboven een koersshirt met zijn eigen naam erop. In kleine letters, dat wel. Vorige week is hij toch maar even twee keer gaan fietsen, vertelt hij, hij moet het wel bij kunnen houden vandaag. Nee, eigenlijk fietst hij niet zo vaak meer, tegenwoordig. Meestal hardlopen. Hij grinnikt en schudt zijn hoofd als ik vraag of dit hier de paden zijn waarop hij vroeger zijn trainingsrondjes deed. Nee, hij hield meer van de duinen, aan de andere kant van Leiden. Maar dit vindt-ie ook mooi. Terwijl ik naast hem rijd, zou ik hem wel van alles willen vertellen. Dat hij mijn vaders grootste held was, dat mijn vader mijn grootste held was, dat hij me zo aan mijn vader doet denken, zelfs letterlijk op hem lijkt. Maar als ik opzij kijk, blijf ik stil.

Een paar kilometer voor Rijpwetering krijgen we de wind vol op kop. Het riet ligt bijna horizontaal in de slootkanten en Dick en Chris gebaren dat ik in hun wiel moet gaan zitten. Maar ik ben niet goed met wind. Helemaal niet zelfs. En ik waai eraf, al na een paar honderd meter. In mijn eentje ploeter ik verder. Zonder iets te zeggen. Mijn hartslag schiet in een afschrikwekkend tempo omhoog, terwijl mijn snelheid in ongeveer hetzelfde tempo omlaag gaat. Rijpwetering, denk ik, daar staat dat beeld. Een juichende renner, in brons gegoten. Mijn juichen is echter ver te zoeken, zeker als steeds meer groepjes me inhalen. Ik maal de pedalen rond, maar van vloeiende bewegingen is allang geen sprake meer en het is net of het geboortedorp van Joop alleen maar verder achter de horizon verdwijnt. In mijn buik voel ik de eerste speldenprikjes paniek: wat als ik straks een bordje mis, wat als ik straks de route naar de wielerclub niet meer vind, wat als… In mijn oren giert de wind.

In de verte zie ik twee mannen fietsen. Op het gemakje. Een lange rode koersbroek. Een Kwantumtruitje. De rode koersbroek kijkt achterom. Zwaait.

Joop zag dat je eraf lag, die heeft ons teruggestuurd, zegt Chris als ik weer aansluit. Joh, je had gewoon even moeten roepen, voegt Dick eraan toe, dan hadden we het tempo toch gewoon wat laten zakken? Ja, nou ja, stamel ik. Mijn dichtgeknepen keel laat niet meer woorden toe. Als we alweer bijna bij de wielerbaan zijn vraagt Joop me of ik het standbeeld nog heb gezien. Ik schud mijn hoofd. Of het dan wel een mooie dag was, vraagt hij. Als ik opzij kijk, ontmoet ik opnieuw die kleine twinkeling.

Terug in de warme kantine worden de stoere verhalen met elke slok bier sterker. Over barre tochten gaat het, over afzien en over honderden kilometers lijden. Als ik een uurtje later afscheid neem, krijg ik vier stevige handdrukken plus een huwelijksaanzoek van Willem. Buiten aan het rek hangt mijn fiets. Uit de bidonhouder steekt een leeg flesje bier. En plotseling weet ik zeker dat mijn vader er ook bij was. Hoe onmogelijk ook.

 

gepubliceerd op Het is Koers, 3 december 2015

 

Streven naar waarachtigheid

FullSizeRender
Zo af en toe verloopt een gesprek totaal anders dan je van tevoren verwachtte. Blijkt de mens die tegenover je zit heel anders te zijn dan het beeld dat je uit oude interviews en online profielen had samengesteld. En gaat het gesprek niet over grote successen, maar over schoonheid. Pure schoonheid. En waarachtigheid; minstens zo belangrijk.

Als ik mijn gesprek met Patrick Roubroeks later terugluister, valt het me pas echt op. Zijn zoeken. De aarzelingen soms, de stiltes die dat zoeken naar de juiste formulering en de bedoeling achter de woorden hoorbaar maken. Op de vraag waarom hij ervoor koos van Roermond naar Amsterdam te verkassen antwoordt hij dus ongeveer zo:
‘Ik wilde naar het westen omdat de kansen hier veel…’
Stilte.
Dan: ‘“Ongemeten zijn de kansen”… Ja… Dat komt uit een gedicht van Ida Gerhardt… “en Orpheus liet de stenen dansen”… Ja, dat is echt een heel mooi gedicht… Maar zo sta ik er dus in.’
Waarna hij op zijn telefoon het gedicht opzoekt en voorleest.
‘Prachtig citaat, prachtig.’
Waarna hij het gedicht nog een keer voorleest.
‘Dat is toch een mooi levensmotto? Dat je iedere dag voelt dat er nog heel veel kan, dat alles openligt.’
Het antwoord vormt misschien wel de kern van deze man. Deze Patrick Roubroeks. Creatief ondernemer. Oprichter van Xsaga. Bewonderaar. Bedenker. Limburger in Amsterdam. Strever naar waarachtigheid. Hij vertelt dat hij iedere ochtend met plezier in zijn lijf naar zijn werk fietst. Het beeld is er makkelijk bij te bedenken: het nog enigszins verfrommelde gezicht, de wind door het rommelige haar, een tas diagonaal om het lijf of bungelend aan het stuur van een rammelend oud karretje. Of zo’n hippe Van Moof – dat zou natuurlijk ook kunnen.

De opening
Ik sudder zelden, zegt hij zelf. En inderdaad, Patrick Roubroeks is een druk mannetje. Na zeven jaar NOS en zes jaar IDTV richtte hij in 2001 samen met Henk Koenders Xsaga op. Bij dit bureau zwaait Roubroeks de creatieve scepter. Verder is hij bestuurslid van ADCN (Art Directors Club Nederland), voorzitter van Amsterdam Poëziefestival en bestuurslid van De Grote Prijs van Nederland. Ook geeft hij zo af en toe college aan de Hogeschool voor de Kunsten. Over inspiratie, en wat dat met je kan doen.
Wat inspiratie met hem doet, heeft hij onder meer laten zien met de opening van het Rijksmuseum, met prijswinnende evenementen en filmpjes voor De Bijenkorf en met het huwelijksfeest van Willem-Alexander en Máxima in de Amsterdam ArenA. En de veel bejubelde voorstelling Sportmonologen, tijdens de Parade – ook uit de koker van Roubroeks. Wie denkt dat hij dat allemaal alleen doet, wil hij direct uit de droom helpen. ‘Altijd samen met andere leuke mensen, altijd. Wat wij doen is met mooie mensen mooie dingen maken voor mooi geld – zo zeg ik het zelf altijd. Ja, in deze volgorde. Omdat mensen ons in staat stellen mooie dingen te maken en omdat wij die mooie dingen maken met mensen met wie het fijn is mooie dingen te maken. Daardoor staat er nu zo’n fijn bedrijf. Maar geld is nooit mijn drijfveer geweest. Ik ben van de mensen en van het mooie dingen maken.’
Hoewel hij zelf dus ook “mooie” dingen maakt, kan hij nog altijd jaloers zijn op mensen die het talent hebben uit niets iets te maken. Magistraal vindt hij dat. Mensen die iets maken, voegen werkelijk iets toe. Zelf schrijft hij steeds vaker, daartoe aangezet door goede vriend, auteur en medebedenker van Sportmonologen Arthur van den Boogaard. Hoewel lastig in het begin gaat het hem toch steeds beter af. ‘Om iets te creëren moet je je openstellen en nu ik ouder word, durf ik dat steeds meer. Sterker nog: ik geloof dat ik, als ik later groot ben, werkelijk een open boek ben voor alles en iedereen. Dat lijkt me heerlijk, van alle ballast ontlast.’ Hij merkt bovendien dat hij er beter van wordt, ook in zijn vak. Omdat de mensen met wie hij werkt dat herkennen. ‘Je moet mensen toch veroveren, met je vakmanschap, met je empathisch vermogen – eigenlijk met alles wat je in je hebt. Uiteindelijk is dat ook alles wat je hebt. En ik vind het dan wel onwaarschijnlijk mooi dat ik vanuit mijn ziel mooie dingen mag maken.’

De schoonheid
Inherent aan vooral de grote evenementen die Xsaga doet, is het vergrootglas dat er op een volgend evenement wordt gelegd. Lijkt het niet te veel op het vorige, waar komen ze nu weer mee? De lat ligt hoog en dat brengt druk met zich mee. Wat Roubroeks betreft is dat niet erg, zolang de ziel ook maar wordt gevoed. Vroeger hield hij zich daar niet zo mee bezig, maar goed, met de leeftijd komt ook de wijsheid. Dus als hij een afspraak in Londen heeft, blijft hij daar ook overnachten zodat hij er een dagje Tate Gallery aan vast kan plakken. Of een avondje naar het café kan. Of en/en; dat kan ook natuurlijk. Hoe het ook zij: vroeger vloog hij simpelweg zo snel mogelijk op en neer. ‘Nu weet ik dat me dat echt niets oplevert. Maar zo’n extra dagje museum of avondje café… dan kom ik zomaar met tien ideeën terug.’
Met zijn activiteiten voor het Poëziefestival, Sportmonologen en de Grote Prijs van Nederland voedt hij de ziel eveneens. Tegelijkertijd is enige zendingsdrang hem ook niet vreemd. Mensen mooie dingen meegeven, ja, dat wil hij wel. Hij zou het fantastisch vinden als mensen hem langs de meetlat leggen en dan tot de conclusie komen dat hij er een laagje aan heeft toegevoegd. Mensen wijzer maken, iets meegeven; dat is belangrijk. ‘Zo heb ik net een boek gelezen: De Adel van de Geest. Zeer aan te bevelen, dat zou iedereen moeten lezen. Het is een dun boek dat leest als een novelle, een ode aan de schoonheid.’
Opnieuw een korte stilte. Dan: ‘Die MH-17-ramp. Verschrikkelijk. Die beelden. Die man die daar met een knuffel stond te zwaaien. Pure lelijkheid. En toen kwamen de kisten aan in Nederland en ik keek daarnaar, net als heel Nederland. Die ceremonie was van een goddelijke schoonheid. Zo mooi geregisseerd. Lelijkheid is maar op één manier te bestrijden en dat is met schoonheid, met pure, abstracte schoonheid. De Adel van de Geest vertelt hetzelfde, maar dan in fantastisch mooie volzinnen. Uiteindelijk wint de schoonheid, altijd.’ Vanwege deze overtuiging trekt Roubroeks dus net voor de eerste gasten arriveren, nog even het laatste vouwtje uit de rode loper. Niemand die dat ziet, dat weet hij heus wel. ‘Maar ik heb een diepgeworteld gevoel dat dat een doel dient. Namelijk: de perfectie.’ Hij wijst naar de grote foto van de opening van het Rijksmuseum, prominent aanwezig aan de wand van zijn werkkamer. Het is een foto die de perfecte symmetrie heel dicht nadert. Geen toeval, knikt Roubroeks. ‘Die foto hebben wij helemaal bedacht, helemaal geregisseerd. Wij wisten: díe foto moet gemaakt worden, op dát moment. In ons vak zijn wij verplicht zulke momenten te regisseren. De momenten van grensoverschrijdende schoonheid. Die moeten we zoeken, steeds opnieuw. En de ene keer is dat heel groot, maar het kan ook heel klein zijn. Schoonheid kan net zo goed een schaal bitterballen zijn. Als je maar voelt dat er keuzes zijn gemaakt. Geen keuzes maken leidt namelijk tot minder.’
De momenten van echte schoonheid, daar zit iets hogers in, vindt hij. Het is iets dat dwars door en over je heen gaat. Zo produceerde hij onlangs de begrafenis van een vriend. Op een bepaald moment gingen de blinds open, geluidloos. ‘De zon viel naar binnen en het was net alsof op dat moment zijn ziel weg mocht. Dat was zo louterend. En dat kunnen wij met ons vak maken. Zo’n moment. Daar word ik stil van, ja.’ Schoonheid is maakbaar, vindt hij, maar dat wil niet zeggen dat het niet echt is. ‘Je moet gebruikmaken van de elementen die er al zijn en daar iets aan toevoegen waardoor het nóg mooier wordt. Dat is wat we in ons vak zouden moeten doen, vind ik.’
Die hogere schoonheid vindt hij ook in het Poëziefestival en bij de Grote Prijs van Nederland. Hij houdt van singer-songwriters, dat om te beginnen. En dan bij zo’n competitie aanwezig zijn, weer zes nieuwe bandjes, weer een meisje met een gitaar, weer vijfentachtig nieuwe liedjes op slechts vier akkoorden – het roert hem tot in zijn tenen. ‘En als mijn bijdrage dan is dat ik met hen mag werken en op een podium mag zetten… Ja, daar word ik oprecht gelukkig van.’ Poëzie? Idem. En noem hem geen kenner, want dat is hij niet. Hoeft ook niet. Maar poëzie, man… Er hoeft maar één mooie regel in een gedicht te staan en hij is al om. Prachtig! Hij belt zo’n schrijver rustig op, om hem te bedanken voor die ene mooie regel. ‘Of ik ga het voorlezen aan iemand anders. Mooie woorden, mooie zinnen; daar wordt de wereld wat mooier van. De zinnen van Arthur Japin bijvoorbeeld – hoe kan zo’n man zulke schitterende zinnen maken? Dan bel ik hem op, om hem te bedanken en om met hem af te spreken. Nee, niet met een vooropgesteld plan, ben je gek. Dan ben je alweer aan het kaderen, terwijl je de dingen moet laten ontstaan. Met Japin heb ik een mooi evenement gedaan. Ja, dat ontstaat dan.’

De waarachtigheid
Eigenlijk, bedenkt hij terwijl hij zichzelf zo hoort praten, gaat het hem uiteindelijk om waarachtigheid. Dat is wat hij nastreeft. In alles, ja. ‘Als het straks afgelopen is… Als de mensen dan zeggen ‘Hij was een waarachtig mens’, ja, dan heb ik het goed gedaan. Daarom noem ik zo’n boek, omdat ik het belang ervan door wil geven, omdat ik het belangrijk vind dat er af en toe een spotje op pure schoonheid wordt gericht. Als iets écht bijzonder is, dan wil ik heel graag dat anderen dat ook zien. ‘Kijk nou, hoe tof dit is! Kijk nou eens, wat zie je daar, wat gebeurt daar precies?’ – zulke vragen stel ik dan. En ik hoop dat ik dat vaak genoeg doe.’ Hij stelt zulke vragen ook om ervan te leren. De bank en de stoel van Eva Jinek; hij heeft er al honderd keer naar gekeken, alleen en met collega’s. Waarom? Omdat hij wil weten waarom bank en stoel niet werken. Kijken, kijken, kijken. Terugspoelen. En nog een keer kijken. ‘Jongens, help me, zeg ik dan in de pauze. Want let wel: wij zetten straks de president-directeur-grootaandeelhouder in zo’n stoel en als dat niet klopt… Terwijl: je kan dat gewoon regisseren!’
Maar goed, toch nog even terug naar die waarachtigheid. Waarachtigheid en werk – is dat te combineren? Roubroeks vindt van wel, maar hé, we moeten het ook niet groter maken dan het is. ‘Als het confettikanon op een bepaald moment af moet, dan gaat-ie dus gewoon precies op dat moment af. Punt. Maar als we de kans krijgen iets moois te maken, dan moeten we dat doen.’
Hij laat opnieuw een stilte vallen. Om daarna, zonder het zich misschien te realiseren, terug te komen op het gedicht van Ida Gerhardt: ‘We mogen de kans op pure schoonheid nooit laten liggen.’
Ongemeten zijn de kansen…

 

gepubliceerd in Events – juni 2015

Rugnummers | Soigneur

Het is warm. Zo’n dag waarop iedere beweging er eigenlijk een teveel is en de lucht boven het asfalt dromerig zijn zinderende dans uitvoert. Binnen bewegen de lampen boven de donkerbruine bar zachtjes in de luchtstroom van de zoemende ventilator. Boven de kleine vrieskist in de hoek hangt een bord vol zomerse verleidelijkheden. De paar mensen die iets bestellen, willen echter cola. Of koffie. De barkrukken zijn net zo jarenzeventigbruin als de bar. Houten zittingen, houten rugleuningen. Er zijn er twee bezet, mannen die praten over de etappewinst van Lars Boom.
Achterin een hoek, aan een formica tafel zit Wim Roodnat achter een laptop. Een doos papieren naast zich, plus een ordner, een blocnote en een paar Bics – die met het drukknopsysteem. Rechts van de laptop een wiebelend stapeltje plastic. Dit is waar het vanavond om draait.
Rugnummers.
Buiten flitsen wielrenners voorbij.

De wielerbaan van Dordtse Wielerclub “De Mol” ligt buiten de stad, ingeklemd tussen havens, een industriegebied en een afvalverwerker. Natuurgebied De Biesbosch begint nog geen kilometer verderop, een van de kreekjes aldaar heet Zoetemelkskil. Het Nationaal Baggermuseum bevindt zich tegenover de wielerbaan, aan de andere kant van het Merwedekanaal. Vanavond is het koers op de club. Net als op iedere maandagavond. Dinsdagavond. Donderdagavond, zaterdagmiddag. En op de andere avonden wordt er getraind. De allerkleinsten beginnen op de parkeerplaats: fietsen, remmen, sturen, slalommen, de rechte lijn. Zodra ze hun fiets de baas zijn, gaan ze naar de baan, want daar gebeurt het. Daar worden ze wielrenners. Met rugnummers. En dromen.

De smalle bandjes glijden bijna zonder weerstand over het strakke asfalt. Met een nauwelijks waarneembaar tikje worden de kettingen op een volgend tandje gelegd en vanuit de berm klinken de aanmoedigingen. Uit het zadel, terug in het zadel. Grimassen. Zweet. Gladde benen, gebruind ook. Pas als de wedstrijd over is, zie je dat de eerste rennersspieren zich nog maar heel voorzichtig laten zien. De meeste renners verbergen hun kracht nog onder een laatste beetje babyvet, dat speklaagje waarvan de moeders langs de kant hopen dat het nooit zal verdwijnen, terwijl ze ook wel weten dat het ieder moment gedaan kan zijn; de puberteit laat zich niet verjagen door een sentimenteel moederhart.
In het jeugdwielrennen worden vriendschappen voor het leven gesmeed, weet Henk van Beusekom, manager sport bij de KNWU. Vroeger trainde hij jeugdrenners, bij de Apeldoornse wielervereniging De Adelaar. Het contact met die renners is er nog altijd. ‘Toen die jongens begonnen met fietsen, hadden ze slechts een doel: de Tour de France halen. Nou ja, dat pakte anders uit. Toch fietsen ze nog vaak samen. Ja, ik denk dat dat de ziel van de wielervereniging is. De een wordt directeur, de ander staat aan de lopende band. Maar op het zadel is iedereen gelijk.’

Binnen spelden de renners die na de jeugd starten, hun rugnummers op hun koerstruitjes. Priegelig kleine speldjes tussen zweterige vingers. Veel Mol-truitjes, maar er zijn er ook een paar van buiten; het is een open wedstrijd, toegankelijk voor eenieder met een KNWU-lidmaatschap. Alles loopt door elkaar: dames, heren, jong, oud, de een strak afgetraind, de ander met zwierige rondingen. De schoenplaatjes klinken hol op de bruine plavuizen. Buiten zit een renner op zijn hurken voor zijn fiets, hij tuurt ingespannen naar de derailleur. Dan staat hij op, trekt zijn fiets op het achterwiel en loopt ermee de kantine in. Een oude man tikt hem op de schouder: ‘Hé, fietsen blijven buiten!’ Goedmoedig, dat wel.
Het is hier toch allemaal een beetje familie, zegt Liesbeth Fong. Ze staat vandaag achter de bar en doet ook de fondsenwerving en PR voor de Mol. Hoe dat zo gekomen is? Nou, door haar echtgenoot, die zit er al sinds z’n jeugd bij, is ook jaren voorzitter geweest. ‘Je ontmoet hem straks vast nog wel, hij zit vanavond in het juryhok.’
Ze schenkt een kop koffie in en laat haar blik door de kantine dwalen. Toch een prima opkomst voor zo’n warme avond, zegt ze. ‘Gezellig, inderdaad. Maar uiteindelijk is het wel een individuele sport. Moet je straks maar eens opletten: als de wedstrijd klaar is, gaat iedereen meteen naar huis.’

Wielerclub De Mol bestaat sinds 1933 en is daarmee een van de oudere wielerclubs in Nederland. De voorloper van De Mol, de Dordrechtse Wielerclub Merwede was als gevolg van de Eerste Wereldoorlog ter ziele gegaan en de Dordtse fietsenhandelaar Bellaart zag in 1933 wel brood in de oprichting van een nieuwe club. Rijwielfabriek De Mol uit Ossendrecht sprong bij door de renners korting te geven op zijn rijwielen – over de clubnaam hoefde Bellaart dus niet lang na te denken. De Mol is overigens niet de oudste club van ons land, dat is A.S.C. Olympia uit Amsterdam, opgericht op 27 november 1898. De geschiedenis van De Mol is exemplarisch voor veel wielerverenigingen. Voor 1940 groeide de club gestaag, maar na de bevrijding kon men opnieuw beginnen: zo telde De Mol nog maar vijf leden die een racefiets hadden. De groei zat er echter al snel weer in en in de decennia na de oorlog nam zowel het aantal leden als het aantal koersen toe. Anno 2014 telt de club zo’n tweehonderd licentiehouders in alle leeftijdscategorieën. Een behoorlijk aantal, zeker als je kijkt naar de in totaal ruim 8.888 licentiehouders en de 358 wielerverenigingen en –stichtingen waarvan de KNWU in het jaarverslag van 2013 gewag maakt.

Op het kleine plein voor het clubgebouw zet de een na de ander zich op zijn fiets. Klikken, tikken, ratelen, een verzuchting, een korte bocht om het parcours op te draaien. Inrijden.
Een van de renners keert na een rondje alweer terug: de knie is nog niet sterk genoeg. Hij baalt. De vijftig ruim gepasseerd, een jaar of tien geleden voor het eerst op een racefiets. Daarvoor deed-ie aan squash.
‘En fanatiek ook. Maar ik wou wel eens wat anders en ik was benieuwd hoe ver ik hiermee kon komen. Vanwege mijn conditie dacht ik meteen wel boven de middelmaat uit te stijgen, maar de eerste twee jaar werd ik zo op twee, drie rondjes gezet.’ Grinnikend: ‘Dat gebeurt me nu niet meer, ben je gek.’ Zijn knoestige handen kneden zijn gladgeschoren kuiten.
Achter de inschrijftafel tikt Wim Roodnat nog wat laatste informatie in een bestand, zijn twee wijsvingers traag dwalend over het toetsenbord.
‘Ja, dit is het nieuwste hè, registratie met chips en een transponder. Is wennen hoor. Het werk in het juryhok is er ook door veranderd. Vroeger deden we de jurering op het oog en hadden we een camera voor de onduidelijke gevallen. Nu doen we alleen plaats een tot en met drie nog op het oog. Nee, geen camera meer. De oogcontrole doen we enkel omdat niet alle renners de transponder op de juiste plaats bevestigen.’
Hij klapt zijn laptop dicht; het juryhok wacht. Net voor hij in zijn auto stapt, knettert zijn walkietalkie: of hij klaar is? En denkt hij eraan dat de deur van het juryhok dadelijk goed dicht moet – er zit weer een wespennest boven de sponning. Wim belooft het, vraagt nog even of dat nest er dinsdag ook al zat en wie de verdelgingsdienst belt, luistert en drukt dan het gesprek weg. Als hij een paar minuten later over de wielerbaan aan komt rijden, zitten de twee EHBO’ers al klaar, net als de rondevericateur en Paul Gelens, de oud-voorzitter die vanavond de jurering doet. Als Roodnat binnenkomt, kijkt hij even naar de bovenkant van de deursponning en schudt zijn hoofd. Hij vraagt nogmaals of dat er dinsdag ook al zat. Niemand die het weet. Dan pakt hij een USB’tje uit zijn tas en geeft het aan Paul. Ze nemen nog wat laatste wijzigingen door en dan is het tijd. Buiten staan de renners te wachten. In stilte. In het juryhok lijkt het steeds warmer te worden.
Even later vliegt een razend peloton onder het juryraam door. In de hoek tovert de vericateur rondje na rondje het juiste aantal op het bord tevoorschijn. Op de baan rijdt ieder voor zich; dit is niet het wielrennen van de televisie, hier vind je kopmannen noch knechten en ook geen juichend publiek. Dit zijn de renners die de Tour nooit meer zullen halen, maar wel meer willen dan alleen dat zondagse rondje door de polder, een sprintje trekkend voor het plaatsnaambordje van weer een onooglijk dorp. Koffie met appelgebak en slagroom halverwege, een biertje na afloop. Dit zijn de mannen en vrouwen die zich een keer in de week een klein beetje prof willen voelen.
Met rugnummer.

Een week eerder, tijdens de wielerronde van Hendrik-Ido-Ambacht – waarvan De Mol mede-organisator is, is het bijna hetzelfde. Ook daar een voortdenderend peloton, zonder orde, zonder ploegdiscipline. Maar ook: een negenkoppige KNWU-jury, en dranghekken langs het parcours – dit is weer een stapje echter dan het rondje op de eigen baan. Uit de gehuurde jurybus met opengeklapte raampjes zweeft al aan het begin van de avond een aroma van zweet, oude stadsbussen, warme cola en zachte witte bolletjes met kaas naar buiten. Langs de smalle tafel zitten vijf heren op een rij. Henk de Vetten is er een van. Nee, zelf heeft hij nooit gefietst. Was geen geld voor; een groot gezin, begrijpt u wel? Wel kroop hij als jochie al ín de radio als het koers was. En grafiekjes maakte hij, van Wim van Est en Woutje Wagtmans. Met z’n vriendjes speelde-ie ’s zomers Toer de Francie, met blokken op de trappers. De Vetten heeft veertig jaar bij Nedstaal gewerkt, in de ploegendienst. En nu jureert hij, zo’n veertig wedstrijden per jaar. De onkostenvergoeding van de KNWU legt hij apart, voor het jaarlijkse tripje naar het WK wielrennen. Terwijl hij vertelt, houdt hij de wedstrijd in de gaten. Als het peloton de jurybus weer passeert, reikt zijn hand naar de bel: de premierondjes gaan beginnen. Opletten nu. Rugnummers op papier, de lijst erbij. Namen op enveloppen, enveloppen op een stapel, elastiekje erom. Daar zitten de premies in. Van het stapeltje ‘SPONSORS’ pakt De Vetten een A-4’tje, buigt voorover door het busraam. De speaker van dienst pakt zijn microfoon terwijl hij het papier met een gestrekte arm voor zich houdt.
‘Er is geen wielrenner zo snel of een postduif achterhaalt hem wel. Postduivenvereniging De Luchtbode.’
Langs de kant staat Jasper de Groot te kijken. Het wielertruitje opengeritst, de helm bungelend aan zijn stuur, een blikje cola in de hand. Eraf gereden. Vorige week zat-ie er beter bij, grijnst hij.
‘Zo’n criterium is toch weer leuker dan een wedstrijd op de club. Hier rijden die ouwe sluwe taaiers ook mee, dat vind ik wel mooi, leer ik weer van. Maar ook afzien hoor, het is volle bak koers.’ Het is precies dat afzien waar hij zo van geniet. ‘Ik heb ook gevolleybald, maar dat is niet te vergelijken. Op de fiets, en zeker in een wedstrijd, zoek je je eigen limiet op en wil je het liefst steeds korter eindigen. En verschuilen is er niet bij, je hebt het echt zelf in de hand.’
Terwijl het peloton de bocht door raast, neemt hij een slok cola.

Het jaarverslag van de KNWU laat zien dat het aantal wielerverenigingen sinds 2009 min of meer gelijk blijft. Vijf erbij, zeven eraf, dat werk. De verschillen tussen de verenigingen lijken echter groter te worden. Vooral de al langer bestaande clubs vinden het soms moeilijk de aansluiting met de nieuwe aanwas te vinden, terwijl de clubs die de laatste paar jaar zijn opgericht, snel groeien. Die nieuwe clubs zijn veelal zeer actief op social media en weten op die manier vooral dertigers en veertigers aan zich te binden. De jeugd die droomt van etappewinst in de Tour de France vind je hier meestal niet, die gaan eerder naar de wielerclubs die zich expliciet – maar niet uitsluitend – op de jeugdopleiding richten. Clubs als De Mol dus, waar niet alleen veel wedstrijden worden georganiseerd, maar waar ook jonge renners worden opgeleid, vaak door fietsende ouders. Bij die oudere clubs overheerst het familiegevoel waarschijnlijk wat meer, denkt ook Henk van Beusekom. ‘Dat is een risico, want een groepje enthousiaste en kundige vrijwilligers kan een club ver brengen, maar de continuïteit is niet gewaarborgd. Stopt zo’n groep, dan zakt soms ook het niveau van zo’n club weer weg.’
Van Beusekom is ervan overtuigd dat de rol en de positie van de wielerclubs gaan veranderen. ‘Vroeger las je het gestencilde clubblaadje om te weten welke wedstrijden je kon rijden. Tegenwoordig willen mensen hun eigen plan trekken en de clubs moeten hun meerwaarde aantonen en laten zien wat ze doen voor hun renners. Wat wil de renner, daar moeten de clubs eens navraag naar doen!’
Differentiatie als manier om de verschillende wielerculturen te binden, dat ziet Van Beusekom wel zitten. Want laten we wel wezen: van al die wielrenners is misschien slechts 1 procent goed genoeg om ooit de Tour te halen. Daarnaast heb je de recreatieven, fanatiek of minder fanatiek, je hebt de mensen die vooral hun techniek willen verbeteren, je hebt de gasten die af en toe een toertocht willen rijden, je hebt er die op hun veertigste nog het wedstrijdcircuit induiken, er zijn directeuren die in plaats van een dagje golf een dagje gaan fietsen op peperdure Treks en Koga’s – talloze culturen, talloze wensen. ‘We moeten ernaartoe dat al die mensen binnen een wielerclub kunnen gedijen. De club moet een open source worden en de enorme hoeveelheid kennis over de sport gaan delen. Want vergis je niet: die clubs hebben veel kennis. Maar ze hebben het zelf niet in de gaten.’ Daarbij moet de behoefte aan uniformiteit ook weer niet uit het oog worden verloren: een renner die aan een wedstrijd meedoet, moet ervan uit kunnen gaan dat het geen wildwestvertoning wordt. Van Beusekom lacht: ‘De sport begon ooit met fietsen om het hardst, zo simpel is het ook wel weer.’ Zelf komt hij nog regelmatig op de club waar hij vroeg ook jeugdtrainer was. Thuiskomen, zo voelt dat, iedere keer weer. ‘Voor nieuwkomers is een wielerclub vaak een moeilijk te nemen vesting. Je moet eerst tien kilometer in je eentje op kop sleuren, pas daarna kijken ze je aan.’

Op de wielerbaan van De Mol is de wedstrijd voorbij. Natte lijven. Een stomp in de buik: ‘Ging goed, hè?’ Een knik, een zucht. ‘Wilde nog opschakelen, maar ik had niet meer.’ De koerstruitjes gaan uit, bretels naar beneden. Rugnummers worden afgespeld. Een half uur later haalt Liesbeth een doekje over de bar en knipt de ventilator uit. Zwaait naar de laatste wielrenner die het terrein verlaat, een rugzakje op zijn rug.

Gepubliceerd in Soigneur #9 – 2014

‘Gewoon wat beter je best doen’ | Events

Toen hij als jongeman stof lag te verzamelen op de ouderlijke sofa, was zijn moeder er snel klaar mee: aan het werk met dat lijf! En dus ging Jacques Does aan het werk. Wie toen had gezegd dat hij op een dag directeur van het toonaangevende The Security Company zou zijn, zou voor gek zijn verklaard. Maar Jacques werd het wel. Met een compagnon en een geheel eigen kijk op beveiliging en crowd management.

Of ik dat wil, de directeur van een beveiligingsbedrijf interviewen. De vraag is nog niet gesteld of ik zie ze voor me. Kleerkasten, twee meter hoog, twee meter breed. Het kringelsnoertje dat van oor in overhemdboord verdwijnt, de grote handen die m’n tas doorzoeken, de onderzoekende blikken en dan het knikje: in orde. En bij welk evenement je ook komt, altijd staan ze met de rug naar de plek waar het gebeurt. Frustrerend lijkt me dat; al die uitgelaten types die uit hun dak gaan om iets wat jij dus helemaal niet ziet. Of zijn ze zo gehard dat ze die frustratie niet voelen? Ik schrijf de vraag vast op en mail terug dat ik die directeur graag wil interviewen.

Vooroordelen
Jawel. Jacques Does is groot. En breed. Grijze krulletjes boven een vrolijk gezicht. Zijn handdruk is droog en stevig, zoals het hoort. Een bijpassende zware stem, het accent onmiskenbaar Amsterdams. In zijn kantoor hangen grote afbeeldingen van zwarte soulartiesten en ook in de wandelgangen van TSC zijn de muren opgesierd met mooie close-ups van muzikanten. Achter de ontvangstbalie een enorm houten paneel met daarop een uitvergroting van dat wat hier het belangrijkst is: zorgeloos genietend publiek dat helemaal opgaat in wat er op het podium gebeurt. ‘Zo vergeten we nooit voor wie wij hier met z’n allen zo hard werken’, zegt Jacques Does.
Het verhaal Jacques Does laat zich lezen als dat van een romanfiguur die na een min of meer mislukte schoolcarrière lijkt te zijn voorbestemd voor allerhande hapsnapbaantjes in de marge van de arbeidsmarkt. Jacques Does schreef echter een ander scenario. Of zijn huidskleur daar een rol in heeft gespeeld, durft hij niet direct te zeggen. Een extra drijfveer misschien? ‘Ik weet het niet, misschien dat het me wel wat meer bewijsdrang heeft opgeleverd. Kijk, ik heb heus wel eens te maken met vooroordelen. Ook in de beveiligingsbranche komen ze voor, net als in iedere andere branche. Maar ik realiseer me wel dat het vooroordelen zijn, niet op feiten gebaseerd. Onbewuste angsten, waarschijnlijk gevoed door de media.’ En denk trouwens niet dat hij zelf roomser is dan de paus: hij heeft twee dochters en we mogen er rustig van uitgaan dat hij straks ook wel wat vooroordelen heeft als er een gozer aan de deur staat. Het is mens-eigen, denkt hij. ‘Het gaat er vooral om hoe je ermee omgaat. Moet ik rottigheid uithalen om de vooroordelen te bevestigen? Of ga ik er alles aan doen om ze te weerleggen? Ik kies voor dat laatste.’ Kom bij hem dus niet aan met zielige verhalen en mensen die in de slachtofferrol vervallen; hij kan er helemaal niks mee en hij wil er ook helemaal niks mee. Mensen die zeggen dat het niet lukt omdat de samenleving buitenlanders geen kansen biedt? Onzin! Je moet gewoon wat beter je best doen en laten zien dat het anders kan. Binnen TSC werkt het ook zo. ‘We hebben hier alle religies, alle nationaliteiten. Dit is een open bedrijf, hier doen we wat in de Nederlandse samenleving niet lukt: iedereen werkt met elkaar samen, krijgt dezelfde kansen. We zijn een team. Hoe dat komt? We hebben een gemeenschappelijk doel, zo simpel is het. Iedere medewerker snapt op zijn eigen manier dat wij er zijn om het veilig te maken voor een ander. Dat kun je niet alleen.’ Van positieve discriminatie moet Does dus ook niets hebben. ‘Ben je gek! Dan krijg je een baan, niet omdat je goed bent in wat je doet, maar omdat je een kleurtje hebt of vrouw bent. Zo werkt het niet, wat mij betreft. Wij hebben verschillende vrouwelijke leidinggevenden op de werkvloer. Die functie hebben ze puur en alleen te danken aan het feit dat ze hun werk ontzettend goed doen. Niks meer, niks minder.’

Hard werken
In zijn jeugd dreef Does zijn moeder regelmatig tot waanzin. Ze was onderwijzeres en in de jaren zestig naar Nederland gekomen. Het waren de jaren waarin onderwijzers – net als de dokter en de notaris – het nodige aanzien hadden en dat was in de Surinaamse gemeenschap in Amsterdam niet anders. Tot haar grote frustratie had de kleine Jacques wel haar doorzettingsvermogen maar niet haar liefde voor onderwijs geërfd. Na de mavo was hij er wel klaar mee en na wat baantjes trok hij het groene uniform aan om zijn dienstplicht te vervullen. Toen hij die had afgerond, wist hij het even niet meer. Maar zijn moeder had met lanterfanten weinig op en zijn vader was het daar geheel mee eens. Ga wat doen, zei moeder Does, houd op met stof verzamelen. Er kwam een ultimatum achteraan: de dag dat hij zou stoppen met werken zou de dag zijn waarop hij op straat stond. Zonder dak boven zijn hoofd. Does lacht bij de herinnering: ‘Nu begrijp ik dat wel. En vergis je niet, Surinaamse moeders bepalen de maat in huis. Toen ik net werkte, gebeurde het wel eens dat ik de telefoon niet opnam omdat ik geen zin had in een avonddienst. Nou, dan belden ze m’n moeder. Een van m’n chefs was ook Surinamer, die wist precies hoe het werkte. En ik deed die avonddienst. Ja, wat denk jij dan!’
Hij kwam bij beveiligingsbedrijf VNV terecht, als beveiliger. ‘Twee nachten heb ik op de fiets gezeten, omdat de surveillant die mij inwerkte geen rijbewijs noch enig idee van de autoroutes had. Sloeg natuurlijk nergens op. Die man reed rond met zo’n grote tas op zijn heup, vol met sleutels van alle panden, plus een grote zaklantaarn.’ Zelf stapte Does dus meteen in de auto. En toen hij tien jaar later bij VNV wegging, was hij manager van de surveillance en verantwoordelijk voor Noord-Holland en Utrecht. Zijn carrière heeft hij mede te danken aan een aantal chefs die hij in die eerste jaren ontmoette. Mensen die wat in hem zagen en hem aanspoorden diploma’s te halen en managementtrainingen te volgen. Dat deed hij, het zou hém niet gebeuren dat hij straks onder zo’n onervaren broekie van het HBO moest werken. Maar dat gebeurde uiteindelijk toch, toen VNV een grote reorganisatie doorvoerde. Does vertrok en ging als freelance docent aan de slag bij Minerva, aanbieder van opleidingen in recherche- en beveiligingswerk. De grap ontgaat hem niet. ‘Ik, voor de klas! Geloof maar dat ik mezelf af en toe herkende in die gasten daar. Geen zin hier, smoesje daar; ik had de grootste lol.’ Bij Minerva bleek ook de kiem voor TSC te liggen. Gerard van Duykeren werkte er namelijk ook als docent en al gauw vonden de twee tegenpolen elkaar. Eerst door klassen van elkaar over te nemen, daarna door samen projecten als het North Sea Jazz en Drum Rhythm te doen, onder de vlag van Event Security Holland (ESH), de beveiligingspoot van Mojo. Uiteindelijk is daar dus in 1994 TSC uit voortgekomen, vertelt Does. Bij ESH zat hij direct op zijn plek. ‘Daar ging het erom dat je deed waarvoor je werd ingehuurd. Gewoon hard werken, dat diploma was veel minder interessant. Neger dit, Amsterdammer dat; zulke dingen speelden helemaal geen rol. Die mentaliteit hebben we bij TSC nog steeds.’

Disneymodel
In beveiligingsland is veel veranderd, vindt Does. Strengere regelgeving en – mede als gevolg van de crisis – lagere marges: TSC moet meer meters maken voor dezelfde omzet. Het is een echte inkopersmarkt geworden, constateert hij. ‘Men vergelijkt op prijs, soms word je tegen elkaar uitgespeeld. En om te overleven gaan sommige bedrijven toch net even iets ruimhartiger met de regels om.’ TSC doet daar niet aan mee: de grootste speler in de markt heeft een goede naam hoog te houden.
En er is meer veranderd. Waar Does en zijn collega’s twintig jaar geleden nog werden uitgelachen vanwege hun “service with a smile”-concept, zijn er nu steeds meer bedrijven die deze vriendelijke benadering omarmen. ‘Vroeger zeiden sommige beveiligers: ‘Hoezo smile? Die gasten moeten zich gewoon gedragen, anders vliegen ze eruit!’ Nu zie je dat gastheerschap echt is opgekomen. Maar wij doen dat dus al jaren. Wij kijken ook al jaren naar het Disneymodel. Het verbaast mij nog altijd: in Aziatische landen wordt service als een positieve waarde erkend en hier zien we het als zwakte. Al dat plastic gedoe, zeggen we dan. Tegelijkertijd vinden we het wel leuk als iemand ons een prettige dag wenst. Wat maakt het dan uit als dat plastic is? Het is toch simpelweg veel beter dan ‘Wat kom je hier doen?’. Het neemt niks van je weg, sterker nog: het maakt je werk alleen maar leuker. Ik geloof dus niet in brute kracht, want er is altijd wel iemand groter, breder en sterker dan ik. Ik geloof in vriendelijkheid. Het psychologisch model achter het sturen van groepen op basis van vriendelijkheid is wezenlijk anders. Een voorbeeld? Stel, jij komt ergens binnen en de beveiliger begroet je, kijkt je even aan en zegt dan “Nou jongedame, fijne avond hoor, geniet ervan!”. Drie minuten later zie jij diezelfde beveiliger iemand vastpakken en meenemen. Dan denk jij: Die gast zal wel wat geflikt hebben, want die beveiliger was net echt hartstikke aardig. Maar als de beveiliger jou bij de ingang onvriendelijk bejegent en even later iemand in de kraag vat, denk jij iets heel anders: Tegen mij was-ie ook al zo onbeschoft, wat een akelig type zeg. En dan ook nog zo’n arme kerel bij de kladden grijpen! Vergis je niet, dat soort mechanismen heb je niet eens in de gaten. Maar zo werkt het wel.En weet je wat het ook is? Degene die uit is op rottigheid, voelt zich ongemakkelijk als hij bij de ingang vriendelijk wordt bejegend en aangekeken. Die voelt zich plotseling bekeken. Het is allemaal psychologie: het identificeren, het erkennen en herkennen van mensen leidt tot een afname van afwijkend gedrag. En ons werk wordt er leuker van. Wie wil dat nu niet?’
Als ik later achter m’n bureau zit, realiseer ik me dat ik nog steeds niet weet of beveiligers dat niet frustrerend vinden, al die fun die zich áchter hun brede ruggen afspeelt. Nou ja, die vraag bewaar ik dan maar voor een concert; dan kan ik het de beveiligers zelf vragen.

Over The Security Company
Het in Utrecht gevestigde The Security Company wordt geleid door Jacques Does en Gerard van Duykeren. In Nederland is TSC marktleider in evenementbeveiliging en crowd management. De onderneming telt honderd werknemers en zo’n vijftienhonderd oproepkrachten; samen zorgen deze mensen voor beveiliging en crowd management tijdens festivals, concerten, sportevenementen en andere grote evenementen. Daarnaast voorziet TSC in diensten als objectbeveiliging, hospitality, verkeersbegeleiding, brandpreventie en algehele adviestrajecten. De TSC Academy vormt de opleidingstak van het bedrijf.

Gepubliceerd in Events – november 2014

De valkuilen van de nieuwe fiets | Fiets

Misschien rijd je nog op een prachtig tweedehandsje. Of heb je na twee jaar toch wel het gevoel dat je het uiterste uit je eerste racer hebt gehaald. Hoe dan ook: het is tijd voor een nieuwe! Maar op het moment dat je dat besluit, begint de ellende…

‘Wel aluminium doen hoor, veel steviger dan die tere carbonkarretjes.’ ‘Man, één keer op je plaat en je kan ‘m weggooien!’ ‘Nee, nee, geen 105, ik zou echt voor de Dura-Ace gaan.’ ‘Ben je gek zeg, je koopt toch een Italiaan? Dan moet er Campa op, barbaar!’
En ondertussen spit je al die websites door, van de ene mening naar de andere tip. Fietsvrienden en -vriendinnen bestoken je met goedbedoelde raad en bladerend door Fiets begin je nog net niet te kwijlen: de ene fiets is echt nog mooier dan de andere. Maar ja, de euro’s groeien niet aan de boom. Dus wat is een goede fiets als je zo’n duizend euro stuk mag slaan? En waar moet je vooral op letten? Fietsenmaker Frank van den Heuvel – eigenaar van DallaCollina Cycling in Amerongen – staat erom bekend dat hij geen blad voor de mond neemt. Een prima eigenschap, zeker als je door de bomen het bos echt niet meer ziet. Tijd dus voor een ritje naar Amerongen.

Verlengstuk
Waar gaan we vanuit, is zijn eerste vraag. Ah, daar begint het natuurlijk, want inderdaad: waar ga je vanuit? Waar fiets je het liefst, hoe vaak fiets je en hoe lang rijd je dan, wat wil je met je fiets en wat is je budget zo ongeveer? Iedere goede fietsenmaker begint met deze vragen, vindt Frank van den Heuvel. ‘Dat is de basis en het is aan de fietsenmaker die te combineren met de wensen van de fietser.’ Zijn ervaring is dat er drie verschillende kopers zijn: de praktische koper, de koper met de verlanglijst en de functionele koper. De praktische koper schaft een tweedehands fiets aan en de koper met de verlanglijst wil een fiets die op z’n minst de uitstraling heeft van de wérkelijk gewenste fiets (die dus veel te duur is). En de functionele koper? ‘Dat is heel vaak een vrouw. Nou ja, dan generaliseer ik natuurlijk wel een beetje, maar grosso modo komt het hier wel op neer. Vrouwen vinden uiterlijk en onderdelen van de fiets vaak minder belangrijk.’ Grinnikend: ‘Sommige mannen zijn toch meer op zoek naar dat bekende ‘verlengstuk’.’

Meten en kijken, kijken en meten
Zoveel fietsen, zoveel adviezen en dus ook zoveel valkuilen. Je blindstaren op de groepen (drivetrain) is er een van, je verlekkerd verheugen op die ene bloedmooie fiets is ook een beruchte. Het uiterlijk is belangrijk, de groepen zijn dat zeker ook, maar de zoektocht moet er niet mee aanvangen, vindt Van den Heuvel. ‘De maatvoering, dat is er eentje waar nog wel eens te licht mee wordt omgesprongen. Geometrie is belangrijker dan menigeen denkt. En voor de consument gaat het dan vooral om de hoogte en lengte van het frame, de andere maten zijn vooral interessant voor de fietsenmaker. Sterker nog: al die verschillende maten die je vaak in fietsbladen en op de websites van de fabrikanten ziet, zijn voor de consument alleen maar verwarrend.’ Maar waar moet je dan wel op letten? Ja, je binnenbeenlengte natuurlijk, want die bepaalt de hoogte van het frame. Toch is dat niet het enige: ook je eigen flexibiliteit is een factor van betekenis. ‘Iemand die heel flexibel is, zit wellicht beter op een groter frame dan je op basis van zijn binnenbeenlengte zou denken.’ Van den Heuvel vindt het daarom belangrijk dat fietsenmakers goed kijken naar hóe de klant op zijn fiets zit. ‘De flexibiliteit van het lichaam is namelijk minstens zo belangrijk, soms zelfs belangrijker. Hoe ver buig jij voorover, hoe diep wil en kan je zitten, welke zit past bij de flexibiliteit van jouw lichaam? Dát is de taak van de fietsenmaker, om dat samenspel te achterhalen en op basis daarvan te adviseren.’
Wil je het tot in de puntjes perfectioneren of heb je snel last van pijntjes, dan is een dynamische fietspositiemeting aan te raden. Deze metingen worden in de meeste gevallen door sportartsen of fysiotherapeuten uitgevoerd. Zij zetten je op een fiets en nemen je al fietsend op, waardoor ze met behulp van speciale computerprogramma’s kunnen zien wat de ideale instellingen van je fiets ten opzichte van je lichaam en de functionaliteit van je lichaam zijn.

Maak de juiste combi (1)
De volgende vraag is er een waarvan het belang volgens Van den Heuvel dan weer schromelijk wordt overschat. De groep. Jawel, hij zegt het echt, en hardop ook nog: ‘Het belang van de groep wordt overschat.’ Hij gaat er eens goed voor zitten en legt dan uit wat hij bedoelt: ‘Heel veel fietsers kijken naar de groep waarmee ze fietsen of willen fietsen. Men kijkt vaak niet naar de combinatie van frame en wielen, terwijl het daar juist om draait. Als je voor tweeduizend euro een complete racer met carbon frame en Ultregra koopt, kun je wel nagaan dat de wielen de sluitpost zijn. En dat is zonde, want het comfort van je fiets wordt bepaald door de combinatie van frame en wielen en niet door de groep die je hebt. Als je een goed frame combineert met goede wielen, maakt het voor het rijden niet uit of je er nu 105 of Dura-Ace op zet. De verschillen die daar nog tussen zitten, zijn voor de mensen die echt op hoog niveau rijden. De gemiddelde fietser gaat er echt niet beter of harder door rijden.’

Maak de juiste combi (2)
Zo, dat weten we ook weer. Door naar het volgende aspect: de torsiestijfheid. De wat? De torsiestijfheid; een vast onderdeel van iedere fietstest. Maar wat is het eigenlijk? Het blijkt eenvoudiger dan gedacht: torsiestijfheid wil gewoon zeggen hoe stijf je frame is. Wanneer je kracht op de pedalen zet, maakt je frame zijwaartse bewegingen. Hoe kleiner die beweging, hoe stijver het frame en – niet verrassend als je er goed over nadenkt – hoe minder comfortabel de fiets. Tegelijkertijd betekent een hoge torsiestijfheid wel dat de fiets strak reageert op jouw bewegingen en beter is te sturen. En het gebrek aan comfort is te compenseren, vertelt Van den Heuvel: ‘Een comfortabeler zadel en banden van 25 millimeter in plaats van 23 millimeter; dat maakt nogal wat uit. Heel veel mensen zeggen dat een frame met een hoge torsiestijfheid absoluut beter is, maar dat is niet zonder meer waar. Het gaat opnieuw om de combinatie. Een superstijf frame vraagt ook om stijvere schoenen plus daarop afgestemde wielen, anders ben je het hele effect van die stijfheid meteen alweer kwijt. En bovendien moet je je altijd afvragen of zo’n stijf frame wel bij jou als fietser past. Sprintkanonnen als Cavendish en Kittel, die hebben er wat aan. Maar ranke klimmers als Gesink of Kelderman zijn juist gebaat bij wat meer comfort, omdat dat bergop nu eenmaal beter rijdt.’ Overigens kan een frame ook weer té comfortabel zijn: duikt het cijfer van de torsiestijfheid onder de 70, dan heb je een probleem. Op het gladde asfalt is er nog niets aan de hand, maar kom je onderweg een paar van die gezellige Hollandse klinkerweggetjes tegen, dan moet je de lippen goed op elkaar persen om te voorkomen dat de vullingen je uit je mond rammelen…

Carbon. Of niet…?
Carbon, aluminium, staal, titanium; nog zo’n hachelijk discussiepunt. De keuze voor een frame is allereerst afhankelijk van je budget. Even generaliserend gaan we er in dit verhaal dus van uit dat de fietser die een opvolger voor z’n tweedehands Marktplaatskarretje zoekt, daar niet meteen een paar duizend euro tegenaan wil gooien. Geen probleem: voor zo’n duizend tot twaalfhonderd euro koop je een uitstekende racefiets waar je jaren plezier van hebt. Voor welk materiaal kies je dan? Voor carbon, zegt Van den Heuvel stellig. ‘De laatste jaren zijn prijs en kwaliteit van de carbon frames goed op elkaar afgestemd. En carbon rijdt vaak comfortabeler.’ Toch kleven er ook nadelen aan carbon. Carbon repareren is goed mogelijk, maar, zo waarschuwt de technische redactie van Fiets, de fiets keert er niet mee in nieuwstaat terug. Heel simpel gezegd is carbon opgebouwd uit verschillende lagen die tezamen de sterkte van het frame bepalen. Een scheur ondermijnt die sterkte en die is met een reparatie niet volledig terug te brengen, omdat een reparatie de samenhang van die lagen niet kan herstellen.

Staal dan maar…?
Dan het stalen frame – is dat een optie? Je moet het in ieder geval geen probleem vinden je fiets regelmatig tegen roest te beschermen. Een stalen frame is over het algemeen wat zwaarder en vanwege het gewicht van het materiaal is de vormgeving vaak eenvoudig en strak. Verder is staal goed te repareren.
Rondkijkend in de prijsklasse tot zo’n twaalfhonderd euro zit je met een aluminium frame erg goed. Aluminium is licht en sterk, maar wel heel stijf. Om die stijfheid te compenseren en het comfort van de fiets te vergroten, rusten veel fabrikanten aluminium fietsen uit met een carbon voorvork en zadelpen. Aluminium is wel weer lastiger te repareren.
Dan nog iets over titanium, want ja: schitterend mooi en nog duurzaam ook. Volgens veel technische tests is titanium het meest geschikte materiaal voor een fiets: supersterk, licht, schokabsorberend, goed te repareren en voor roest hoef je ook niet bang te zijn. Ben je echter niet van plan meer dan twaalfhonderd euro uit te geven, dan kun je titanium beter nog maar even buiten beschouwing laten. Titanium is duur spul en zelfs als je een frame uit China haalt, lopen de totale kosten van een compleet afgemonteerde fiets hard richting de tweeduizend euro. Dat je daarmee wel een fiets ‘voor het leven’ hebt, is een overweging die je vooral zelf moet maken.

Voor de meisjes
Wij fietsende meisjes hebben nog een extra keuzemogelijkheid: een damesframe of een herenframe? Wie echter wel eens naar Marianne Vos en haar collega’s kijkt, is het misschien al opgevallen: in het damespeloton zie je geen damesframes. Een slimme marketingtruc, die speciale damesframes? Van den Heuvel knikt: ‘Pure marketing!’ Waar de dames wel op moeten letten, zijn zadel en stuur. ‘Het stuur moet niet te breed zijn, je vingers moeten goed bij de remmen en shifters kunnen en een speciaal dameszadel is in de meeste gevallen geen overbodige luxe. Die zadels zijn wat breder, omdat de zitbotjes van vrouwen nu eenmaal wat verder uit elkaar staan.’

Huiswerk
Voor je daadwerkelijk bij je fietsenmaker naar binnen stapt, is het zaak wat dingen op een rijtje te zetten. Huiswerk vooraf dus:
• Bedenk wat jouw overtuigingen zijn. Ben jij er zelf van overtuigd dat Ultegra top is? Dan moet je je budget daarop aanpassen, want een fiets met een andere groep zal je nooit zo veel moraal geven als die ene met Ultegra.
• Wat voor fietser ben je en wat voor fietser zou je willen worden?
• Zijn er dingetjes aan je huidige fiets die je irriteren?
En de allerbelangrijkste: zoek de fietsenmaker die bij je past en die je vertrouwt. Van den Heuvel: ‘Laat je niet gek maken door al die verhalen, adviezen en tests. Iedere fietser is anders en wat voor de een fantastische fiets is, kan voor de ander op een totale miskleun uitlopen. Het is aan de dealer om jouw wensen en mogelijkheden en de kwaliteit van je fiets bij elkaar te brengen zodat je met de voor jou beste en mooiste fiets wegrijdt.’

Nog even over zweet en ander bacteriologisch gespuis
Zweten is goed voor je lijf en als je met een droge rug huiswaarts keert, heb je gewoon niet hard genoeg gefietst… Maar zweet zorgt er ook voor dat je fietsuitrusting slijt – en dan hebben we het niet alleen over je fietsbroek! Een paar overwegingen:
Na vier tot vijf jaar intensief gebruik is je helm aan vervanging toe. Reden: zweet trekt erin, je fietst ermee door hitte en kou en als gevolg daarvan droogt de helm in de loop van de tijd uit waardoor hij poreus wordt en sneller breekt.
Je stuurlint vervang je drie tot vier keer per jaar. Want inderdaad, dat lintje neemt zweet op en is dan ook een heerlijke broedplaats voor bacteriën. Beeld je in: een kleine schuiver, een schaafwond aan je hand en dan dat stuurlint boordevol griezelige bacteriën. Meer hoeven we niet te zeggen, toch?
Wielerbroeken zijn na een jaar intensief gebruik echt aan het eind van hun Latijn. De zeem neemt geen bacteriën meer op en je hebt er dus niets meer aan. Wissel je regelmatig van broek, dan doe je er natuurlijk langer mee. Nog een tip voor een goede broek: check of de stof horizontaal en verticaal rekbaar is. En besef dat je lijf went aan kwaliteit. Draag je altijd de wat betere broeken en koop je plots een goedkoop floddertje, dan zal je lichaam je dat niet in dank afnemen!
Onderkleding is bedoeld om je huid droog en comfortabel te houden, maar ook dat houdt een keer op: na een jaar of twee tot drie is de stof echt uitgerangeerd. Wil je lekker rond blijven fietsen, is een nieuw ondershirtje op zijn tijd wel nodig.
Voor schoenen geldt dat ze normaal gesproken een behoorlijk aantal jaren mee gaan – natuurlijk tenzij je ermee onderuit gaat. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Fiets – maart 2015