FullSizeRender
Zo af en toe verloopt een gesprek totaal anders dan je van tevoren verwachtte. Blijkt de mens die tegenover je zit heel anders te zijn dan het beeld dat je uit oude interviews en online profielen had samengesteld. En gaat het gesprek niet over grote successen, maar over schoonheid. Pure schoonheid. En waarachtigheid; minstens zo belangrijk.

Als ik mijn gesprek met Patrick Roubroeks later terugluister, valt het me pas echt op. Zijn zoeken. De aarzelingen soms, de stiltes die dat zoeken naar de juiste formulering en de bedoeling achter de woorden hoorbaar maken. Op de vraag waarom hij ervoor koos van Roermond naar Amsterdam te verkassen antwoordt hij dus ongeveer zo:
‘Ik wilde naar het westen omdat de kansen hier veel…’
Stilte.
Dan: ‘“Ongemeten zijn de kansen”… Ja… Dat komt uit een gedicht van Ida Gerhardt… “en Orpheus liet de stenen dansen”… Ja, dat is echt een heel mooi gedicht… Maar zo sta ik er dus in.’
Waarna hij op zijn telefoon het gedicht opzoekt en voorleest.
‘Prachtig citaat, prachtig.’
Waarna hij het gedicht nog een keer voorleest.
‘Dat is toch een mooi levensmotto? Dat je iedere dag voelt dat er nog heel veel kan, dat alles openligt.’
Het antwoord vormt misschien wel de kern van deze man. Deze Patrick Roubroeks. Creatief ondernemer. Oprichter van Xsaga. Bewonderaar. Bedenker. Limburger in Amsterdam. Strever naar waarachtigheid. Hij vertelt dat hij iedere ochtend met plezier in zijn lijf naar zijn werk fietst. Het beeld is er makkelijk bij te bedenken: het nog enigszins verfrommelde gezicht, de wind door het rommelige haar, een tas diagonaal om het lijf of bungelend aan het stuur van een rammelend oud karretje. Of zo’n hippe Van Moof – dat zou natuurlijk ook kunnen.

De opening
Ik sudder zelden, zegt hij zelf. En inderdaad, Patrick Roubroeks is een druk mannetje. Na zeven jaar NOS en zes jaar IDTV richtte hij in 2001 samen met Henk Koenders Xsaga op. Bij dit bureau zwaait Roubroeks de creatieve scepter. Verder is hij bestuurslid van ADCN (Art Directors Club Nederland), voorzitter van Amsterdam Poëziefestival en bestuurslid van De Grote Prijs van Nederland. Ook geeft hij zo af en toe college aan de Hogeschool voor de Kunsten. Over inspiratie, en wat dat met je kan doen.
Wat inspiratie met hem doet, heeft hij onder meer laten zien met de opening van het Rijksmuseum, met prijswinnende evenementen en filmpjes voor De Bijenkorf en met het huwelijksfeest van Willem-Alexander en Máxima in de Amsterdam ArenA. En de veel bejubelde voorstelling Sportmonologen, tijdens de Parade – ook uit de koker van Roubroeks. Wie denkt dat hij dat allemaal alleen doet, wil hij direct uit de droom helpen. ‘Altijd samen met andere leuke mensen, altijd. Wat wij doen is met mooie mensen mooie dingen maken voor mooi geld – zo zeg ik het zelf altijd. Ja, in deze volgorde. Omdat mensen ons in staat stellen mooie dingen te maken en omdat wij die mooie dingen maken met mensen met wie het fijn is mooie dingen te maken. Daardoor staat er nu zo’n fijn bedrijf. Maar geld is nooit mijn drijfveer geweest. Ik ben van de mensen en van het mooie dingen maken.’
Hoewel hij zelf dus ook “mooie” dingen maakt, kan hij nog altijd jaloers zijn op mensen die het talent hebben uit niets iets te maken. Magistraal vindt hij dat. Mensen die iets maken, voegen werkelijk iets toe. Zelf schrijft hij steeds vaker, daartoe aangezet door goede vriend, auteur en medebedenker van Sportmonologen Arthur van den Boogaard. Hoewel lastig in het begin gaat het hem toch steeds beter af. ‘Om iets te creëren moet je je openstellen en nu ik ouder word, durf ik dat steeds meer. Sterker nog: ik geloof dat ik, als ik later groot ben, werkelijk een open boek ben voor alles en iedereen. Dat lijkt me heerlijk, van alle ballast ontlast.’ Hij merkt bovendien dat hij er beter van wordt, ook in zijn vak. Omdat de mensen met wie hij werkt dat herkennen. ‘Je moet mensen toch veroveren, met je vakmanschap, met je empathisch vermogen – eigenlijk met alles wat je in je hebt. Uiteindelijk is dat ook alles wat je hebt. En ik vind het dan wel onwaarschijnlijk mooi dat ik vanuit mijn ziel mooie dingen mag maken.’

De schoonheid
Inherent aan vooral de grote evenementen die Xsaga doet, is het vergrootglas dat er op een volgend evenement wordt gelegd. Lijkt het niet te veel op het vorige, waar komen ze nu weer mee? De lat ligt hoog en dat brengt druk met zich mee. Wat Roubroeks betreft is dat niet erg, zolang de ziel ook maar wordt gevoed. Vroeger hield hij zich daar niet zo mee bezig, maar goed, met de leeftijd komt ook de wijsheid. Dus als hij een afspraak in Londen heeft, blijft hij daar ook overnachten zodat hij er een dagje Tate Gallery aan vast kan plakken. Of een avondje naar het café kan. Of en/en; dat kan ook natuurlijk. Hoe het ook zij: vroeger vloog hij simpelweg zo snel mogelijk op en neer. ‘Nu weet ik dat me dat echt niets oplevert. Maar zo’n extra dagje museum of avondje café… dan kom ik zomaar met tien ideeën terug.’
Met zijn activiteiten voor het Poëziefestival, Sportmonologen en de Grote Prijs van Nederland voedt hij de ziel eveneens. Tegelijkertijd is enige zendingsdrang hem ook niet vreemd. Mensen mooie dingen meegeven, ja, dat wil hij wel. Hij zou het fantastisch vinden als mensen hem langs de meetlat leggen en dan tot de conclusie komen dat hij er een laagje aan heeft toegevoegd. Mensen wijzer maken, iets meegeven; dat is belangrijk. ‘Zo heb ik net een boek gelezen: De Adel van de Geest. Zeer aan te bevelen, dat zou iedereen moeten lezen. Het is een dun boek dat leest als een novelle, een ode aan de schoonheid.’
Opnieuw een korte stilte. Dan: ‘Die MH-17-ramp. Verschrikkelijk. Die beelden. Die man die daar met een knuffel stond te zwaaien. Pure lelijkheid. En toen kwamen de kisten aan in Nederland en ik keek daarnaar, net als heel Nederland. Die ceremonie was van een goddelijke schoonheid. Zo mooi geregisseerd. Lelijkheid is maar op één manier te bestrijden en dat is met schoonheid, met pure, abstracte schoonheid. De Adel van de Geest vertelt hetzelfde, maar dan in fantastisch mooie volzinnen. Uiteindelijk wint de schoonheid, altijd.’ Vanwege deze overtuiging trekt Roubroeks dus net voor de eerste gasten arriveren, nog even het laatste vouwtje uit de rode loper. Niemand die dat ziet, dat weet hij heus wel. ‘Maar ik heb een diepgeworteld gevoel dat dat een doel dient. Namelijk: de perfectie.’ Hij wijst naar de grote foto van de opening van het Rijksmuseum, prominent aanwezig aan de wand van zijn werkkamer. Het is een foto die de perfecte symmetrie heel dicht nadert. Geen toeval, knikt Roubroeks. ‘Die foto hebben wij helemaal bedacht, helemaal geregisseerd. Wij wisten: díe foto moet gemaakt worden, op dát moment. In ons vak zijn wij verplicht zulke momenten te regisseren. De momenten van grensoverschrijdende schoonheid. Die moeten we zoeken, steeds opnieuw. En de ene keer is dat heel groot, maar het kan ook heel klein zijn. Schoonheid kan net zo goed een schaal bitterballen zijn. Als je maar voelt dat er keuzes zijn gemaakt. Geen keuzes maken leidt namelijk tot minder.’
De momenten van echte schoonheid, daar zit iets hogers in, vindt hij. Het is iets dat dwars door en over je heen gaat. Zo produceerde hij onlangs de begrafenis van een vriend. Op een bepaald moment gingen de blinds open, geluidloos. ‘De zon viel naar binnen en het was net alsof op dat moment zijn ziel weg mocht. Dat was zo louterend. En dat kunnen wij met ons vak maken. Zo’n moment. Daar word ik stil van, ja.’ Schoonheid is maakbaar, vindt hij, maar dat wil niet zeggen dat het niet echt is. ‘Je moet gebruikmaken van de elementen die er al zijn en daar iets aan toevoegen waardoor het nóg mooier wordt. Dat is wat we in ons vak zouden moeten doen, vind ik.’
Die hogere schoonheid vindt hij ook in het Poëziefestival en bij de Grote Prijs van Nederland. Hij houdt van singer-songwriters, dat om te beginnen. En dan bij zo’n competitie aanwezig zijn, weer zes nieuwe bandjes, weer een meisje met een gitaar, weer vijfentachtig nieuwe liedjes op slechts vier akkoorden – het roert hem tot in zijn tenen. ‘En als mijn bijdrage dan is dat ik met hen mag werken en op een podium mag zetten… Ja, daar word ik oprecht gelukkig van.’ Poëzie? Idem. En noem hem geen kenner, want dat is hij niet. Hoeft ook niet. Maar poëzie, man… Er hoeft maar één mooie regel in een gedicht te staan en hij is al om. Prachtig! Hij belt zo’n schrijver rustig op, om hem te bedanken voor die ene mooie regel. ‘Of ik ga het voorlezen aan iemand anders. Mooie woorden, mooie zinnen; daar wordt de wereld wat mooier van. De zinnen van Arthur Japin bijvoorbeeld – hoe kan zo’n man zulke schitterende zinnen maken? Dan bel ik hem op, om hem te bedanken en om met hem af te spreken. Nee, niet met een vooropgesteld plan, ben je gek. Dan ben je alweer aan het kaderen, terwijl je de dingen moet laten ontstaan. Met Japin heb ik een mooi evenement gedaan. Ja, dat ontstaat dan.’

De waarachtigheid
Eigenlijk, bedenkt hij terwijl hij zichzelf zo hoort praten, gaat het hem uiteindelijk om waarachtigheid. Dat is wat hij nastreeft. In alles, ja. ‘Als het straks afgelopen is… Als de mensen dan zeggen ‘Hij was een waarachtig mens’, ja, dan heb ik het goed gedaan. Daarom noem ik zo’n boek, omdat ik het belang ervan door wil geven, omdat ik het belangrijk vind dat er af en toe een spotje op pure schoonheid wordt gericht. Als iets écht bijzonder is, dan wil ik heel graag dat anderen dat ook zien. ‘Kijk nou, hoe tof dit is! Kijk nou eens, wat zie je daar, wat gebeurt daar precies?’ – zulke vragen stel ik dan. En ik hoop dat ik dat vaak genoeg doe.’ Hij stelt zulke vragen ook om ervan te leren. De bank en de stoel van Eva Jinek; hij heeft er al honderd keer naar gekeken, alleen en met collega’s. Waarom? Omdat hij wil weten waarom bank en stoel niet werken. Kijken, kijken, kijken. Terugspoelen. En nog een keer kijken. ‘Jongens, help me, zeg ik dan in de pauze. Want let wel: wij zetten straks de president-directeur-grootaandeelhouder in zo’n stoel en als dat niet klopt… Terwijl: je kan dat gewoon regisseren!’
Maar goed, toch nog even terug naar die waarachtigheid. Waarachtigheid en werk – is dat te combineren? Roubroeks vindt van wel, maar hé, we moeten het ook niet groter maken dan het is. ‘Als het confettikanon op een bepaald moment af moet, dan gaat-ie dus gewoon precies op dat moment af. Punt. Maar als we de kans krijgen iets moois te maken, dan moeten we dat doen.’
Hij laat opnieuw een stilte vallen. Om daarna, zonder het zich misschien te realiseren, terug te komen op het gedicht van Ida Gerhardt: ‘We mogen de kans op pure schoonheid nooit laten liggen.’
Ongemeten zijn de kansen…

 

gepubliceerd in Events – juni 2015

Streven naar waarachtigheid
Getagd op:            

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *