Het is warm. Zo’n dag waarop iedere beweging er eigenlijk een teveel is en de lucht boven het asfalt dromerig zijn zinderende dans uitvoert. Binnen bewegen de lampen boven de donkerbruine bar zachtjes in de luchtstroom van de zoemende ventilator. Boven de kleine vrieskist in de hoek hangt een bord vol zomerse verleidelijkheden. De paar mensen die iets bestellen, willen echter cola. Of koffie. De barkrukken zijn net zo jarenzeventigbruin als de bar. Houten zittingen, houten rugleuningen. Er zijn er twee bezet, mannen die praten over de etappewinst van Lars Boom.
Achterin een hoek, aan een formica tafel zit Wim Roodnat achter een laptop. Een doos papieren naast zich, plus een ordner, een blocnote en een paar Bics – die met het drukknopsysteem. Rechts van de laptop een wiebelend stapeltje plastic. Dit is waar het vanavond om draait.
Rugnummers.
Buiten flitsen wielrenners voorbij.

De wielerbaan van Dordtse Wielerclub “De Mol” ligt buiten de stad, ingeklemd tussen havens, een industriegebied en een afvalverwerker. Natuurgebied De Biesbosch begint nog geen kilometer verderop, een van de kreekjes aldaar heet Zoetemelkskil. Het Nationaal Baggermuseum bevindt zich tegenover de wielerbaan, aan de andere kant van het Merwedekanaal. Vanavond is het koers op de club. Net als op iedere maandagavond. Dinsdagavond. Donderdagavond, zaterdagmiddag. En op de andere avonden wordt er getraind. De allerkleinsten beginnen op de parkeerplaats: fietsen, remmen, sturen, slalommen, de rechte lijn. Zodra ze hun fiets de baas zijn, gaan ze naar de baan, want daar gebeurt het. Daar worden ze wielrenners. Met rugnummers. En dromen.

De smalle bandjes glijden bijna zonder weerstand over het strakke asfalt. Met een nauwelijks waarneembaar tikje worden de kettingen op een volgend tandje gelegd en vanuit de berm klinken de aanmoedigingen. Uit het zadel, terug in het zadel. Grimassen. Zweet. Gladde benen, gebruind ook. Pas als de wedstrijd over is, zie je dat de eerste rennersspieren zich nog maar heel voorzichtig laten zien. De meeste renners verbergen hun kracht nog onder een laatste beetje babyvet, dat speklaagje waarvan de moeders langs de kant hopen dat het nooit zal verdwijnen, terwijl ze ook wel weten dat het ieder moment gedaan kan zijn; de puberteit laat zich niet verjagen door een sentimenteel moederhart.
In het jeugdwielrennen worden vriendschappen voor het leven gesmeed, weet Henk van Beusekom, manager sport bij de KNWU. Vroeger trainde hij jeugdrenners, bij de Apeldoornse wielervereniging De Adelaar. Het contact met die renners is er nog altijd. ‘Toen die jongens begonnen met fietsen, hadden ze slechts een doel: de Tour de France halen. Nou ja, dat pakte anders uit. Toch fietsen ze nog vaak samen. Ja, ik denk dat dat de ziel van de wielervereniging is. De een wordt directeur, de ander staat aan de lopende band. Maar op het zadel is iedereen gelijk.’

Binnen spelden de renners die na de jeugd starten, hun rugnummers op hun koerstruitjes. Priegelig kleine speldjes tussen zweterige vingers. Veel Mol-truitjes, maar er zijn er ook een paar van buiten; het is een open wedstrijd, toegankelijk voor eenieder met een KNWU-lidmaatschap. Alles loopt door elkaar: dames, heren, jong, oud, de een strak afgetraind, de ander met zwierige rondingen. De schoenplaatjes klinken hol op de bruine plavuizen. Buiten zit een renner op zijn hurken voor zijn fiets, hij tuurt ingespannen naar de derailleur. Dan staat hij op, trekt zijn fiets op het achterwiel en loopt ermee de kantine in. Een oude man tikt hem op de schouder: ‘Hé, fietsen blijven buiten!’ Goedmoedig, dat wel.
Het is hier toch allemaal een beetje familie, zegt Liesbeth Fong. Ze staat vandaag achter de bar en doet ook de fondsenwerving en PR voor de Mol. Hoe dat zo gekomen is? Nou, door haar echtgenoot, die zit er al sinds z’n jeugd bij, is ook jaren voorzitter geweest. ‘Je ontmoet hem straks vast nog wel, hij zit vanavond in het juryhok.’
Ze schenkt een kop koffie in en laat haar blik door de kantine dwalen. Toch een prima opkomst voor zo’n warme avond, zegt ze. ‘Gezellig, inderdaad. Maar uiteindelijk is het wel een individuele sport. Moet je straks maar eens opletten: als de wedstrijd klaar is, gaat iedereen meteen naar huis.’

Wielerclub De Mol bestaat sinds 1933 en is daarmee een van de oudere wielerclubs in Nederland. De voorloper van De Mol, de Dordrechtse Wielerclub Merwede was als gevolg van de Eerste Wereldoorlog ter ziele gegaan en de Dordtse fietsenhandelaar Bellaart zag in 1933 wel brood in de oprichting van een nieuwe club. Rijwielfabriek De Mol uit Ossendrecht sprong bij door de renners korting te geven op zijn rijwielen – over de clubnaam hoefde Bellaart dus niet lang na te denken. De Mol is overigens niet de oudste club van ons land, dat is A.S.C. Olympia uit Amsterdam, opgericht op 27 november 1898. De geschiedenis van De Mol is exemplarisch voor veel wielerverenigingen. Voor 1940 groeide de club gestaag, maar na de bevrijding kon men opnieuw beginnen: zo telde De Mol nog maar vijf leden die een racefiets hadden. De groei zat er echter al snel weer in en in de decennia na de oorlog nam zowel het aantal leden als het aantal koersen toe. Anno 2014 telt de club zo’n tweehonderd licentiehouders in alle leeftijdscategorieën. Een behoorlijk aantal, zeker als je kijkt naar de in totaal ruim 8.888 licentiehouders en de 358 wielerverenigingen en –stichtingen waarvan de KNWU in het jaarverslag van 2013 gewag maakt.

Op het kleine plein voor het clubgebouw zet de een na de ander zich op zijn fiets. Klikken, tikken, ratelen, een verzuchting, een korte bocht om het parcours op te draaien. Inrijden.
Een van de renners keert na een rondje alweer terug: de knie is nog niet sterk genoeg. Hij baalt. De vijftig ruim gepasseerd, een jaar of tien geleden voor het eerst op een racefiets. Daarvoor deed-ie aan squash.
‘En fanatiek ook. Maar ik wou wel eens wat anders en ik was benieuwd hoe ver ik hiermee kon komen. Vanwege mijn conditie dacht ik meteen wel boven de middelmaat uit te stijgen, maar de eerste twee jaar werd ik zo op twee, drie rondjes gezet.’ Grinnikend: ‘Dat gebeurt me nu niet meer, ben je gek.’ Zijn knoestige handen kneden zijn gladgeschoren kuiten.
Achter de inschrijftafel tikt Wim Roodnat nog wat laatste informatie in een bestand, zijn twee wijsvingers traag dwalend over het toetsenbord.
‘Ja, dit is het nieuwste hè, registratie met chips en een transponder. Is wennen hoor. Het werk in het juryhok is er ook door veranderd. Vroeger deden we de jurering op het oog en hadden we een camera voor de onduidelijke gevallen. Nu doen we alleen plaats een tot en met drie nog op het oog. Nee, geen camera meer. De oogcontrole doen we enkel omdat niet alle renners de transponder op de juiste plaats bevestigen.’
Hij klapt zijn laptop dicht; het juryhok wacht. Net voor hij in zijn auto stapt, knettert zijn walkietalkie: of hij klaar is? En denkt hij eraan dat de deur van het juryhok dadelijk goed dicht moet – er zit weer een wespennest boven de sponning. Wim belooft het, vraagt nog even of dat nest er dinsdag ook al zat en wie de verdelgingsdienst belt, luistert en drukt dan het gesprek weg. Als hij een paar minuten later over de wielerbaan aan komt rijden, zitten de twee EHBO’ers al klaar, net als de rondevericateur en Paul Gelens, de oud-voorzitter die vanavond de jurering doet. Als Roodnat binnenkomt, kijkt hij even naar de bovenkant van de deursponning en schudt zijn hoofd. Hij vraagt nogmaals of dat er dinsdag ook al zat. Niemand die het weet. Dan pakt hij een USB’tje uit zijn tas en geeft het aan Paul. Ze nemen nog wat laatste wijzigingen door en dan is het tijd. Buiten staan de renners te wachten. In stilte. In het juryhok lijkt het steeds warmer te worden.
Even later vliegt een razend peloton onder het juryraam door. In de hoek tovert de vericateur rondje na rondje het juiste aantal op het bord tevoorschijn. Op de baan rijdt ieder voor zich; dit is niet het wielrennen van de televisie, hier vind je kopmannen noch knechten en ook geen juichend publiek. Dit zijn de renners die de Tour nooit meer zullen halen, maar wel meer willen dan alleen dat zondagse rondje door de polder, een sprintje trekkend voor het plaatsnaambordje van weer een onooglijk dorp. Koffie met appelgebak en slagroom halverwege, een biertje na afloop. Dit zijn de mannen en vrouwen die zich een keer in de week een klein beetje prof willen voelen.
Met rugnummer.

Een week eerder, tijdens de wielerronde van Hendrik-Ido-Ambacht – waarvan De Mol mede-organisator is, is het bijna hetzelfde. Ook daar een voortdenderend peloton, zonder orde, zonder ploegdiscipline. Maar ook: een negenkoppige KNWU-jury, en dranghekken langs het parcours – dit is weer een stapje echter dan het rondje op de eigen baan. Uit de gehuurde jurybus met opengeklapte raampjes zweeft al aan het begin van de avond een aroma van zweet, oude stadsbussen, warme cola en zachte witte bolletjes met kaas naar buiten. Langs de smalle tafel zitten vijf heren op een rij. Henk de Vetten is er een van. Nee, zelf heeft hij nooit gefietst. Was geen geld voor; een groot gezin, begrijpt u wel? Wel kroop hij als jochie al ín de radio als het koers was. En grafiekjes maakte hij, van Wim van Est en Woutje Wagtmans. Met z’n vriendjes speelde-ie ’s zomers Toer de Francie, met blokken op de trappers. De Vetten heeft veertig jaar bij Nedstaal gewerkt, in de ploegendienst. En nu jureert hij, zo’n veertig wedstrijden per jaar. De onkostenvergoeding van de KNWU legt hij apart, voor het jaarlijkse tripje naar het WK wielrennen. Terwijl hij vertelt, houdt hij de wedstrijd in de gaten. Als het peloton de jurybus weer passeert, reikt zijn hand naar de bel: de premierondjes gaan beginnen. Opletten nu. Rugnummers op papier, de lijst erbij. Namen op enveloppen, enveloppen op een stapel, elastiekje erom. Daar zitten de premies in. Van het stapeltje ‘SPONSORS’ pakt De Vetten een A-4’tje, buigt voorover door het busraam. De speaker van dienst pakt zijn microfoon terwijl hij het papier met een gestrekte arm voor zich houdt.
‘Er is geen wielrenner zo snel of een postduif achterhaalt hem wel. Postduivenvereniging De Luchtbode.’
Langs de kant staat Jasper de Groot te kijken. Het wielertruitje opengeritst, de helm bungelend aan zijn stuur, een blikje cola in de hand. Eraf gereden. Vorige week zat-ie er beter bij, grijnst hij.
‘Zo’n criterium is toch weer leuker dan een wedstrijd op de club. Hier rijden die ouwe sluwe taaiers ook mee, dat vind ik wel mooi, leer ik weer van. Maar ook afzien hoor, het is volle bak koers.’ Het is precies dat afzien waar hij zo van geniet. ‘Ik heb ook gevolleybald, maar dat is niet te vergelijken. Op de fiets, en zeker in een wedstrijd, zoek je je eigen limiet op en wil je het liefst steeds korter eindigen. En verschuilen is er niet bij, je hebt het echt zelf in de hand.’
Terwijl het peloton de bocht door raast, neemt hij een slok cola.

Het jaarverslag van de KNWU laat zien dat het aantal wielerverenigingen sinds 2009 min of meer gelijk blijft. Vijf erbij, zeven eraf, dat werk. De verschillen tussen de verenigingen lijken echter groter te worden. Vooral de al langer bestaande clubs vinden het soms moeilijk de aansluiting met de nieuwe aanwas te vinden, terwijl de clubs die de laatste paar jaar zijn opgericht, snel groeien. Die nieuwe clubs zijn veelal zeer actief op social media en weten op die manier vooral dertigers en veertigers aan zich te binden. De jeugd die droomt van etappewinst in de Tour de France vind je hier meestal niet, die gaan eerder naar de wielerclubs die zich expliciet – maar niet uitsluitend – op de jeugdopleiding richten. Clubs als De Mol dus, waar niet alleen veel wedstrijden worden georganiseerd, maar waar ook jonge renners worden opgeleid, vaak door fietsende ouders. Bij die oudere clubs overheerst het familiegevoel waarschijnlijk wat meer, denkt ook Henk van Beusekom. ‘Dat is een risico, want een groepje enthousiaste en kundige vrijwilligers kan een club ver brengen, maar de continuïteit is niet gewaarborgd. Stopt zo’n groep, dan zakt soms ook het niveau van zo’n club weer weg.’
Van Beusekom is ervan overtuigd dat de rol en de positie van de wielerclubs gaan veranderen. ‘Vroeger las je het gestencilde clubblaadje om te weten welke wedstrijden je kon rijden. Tegenwoordig willen mensen hun eigen plan trekken en de clubs moeten hun meerwaarde aantonen en laten zien wat ze doen voor hun renners. Wat wil de renner, daar moeten de clubs eens navraag naar doen!’
Differentiatie als manier om de verschillende wielerculturen te binden, dat ziet Van Beusekom wel zitten. Want laten we wel wezen: van al die wielrenners is misschien slechts 1 procent goed genoeg om ooit de Tour te halen. Daarnaast heb je de recreatieven, fanatiek of minder fanatiek, je hebt de mensen die vooral hun techniek willen verbeteren, je hebt de gasten die af en toe een toertocht willen rijden, je hebt er die op hun veertigste nog het wedstrijdcircuit induiken, er zijn directeuren die in plaats van een dagje golf een dagje gaan fietsen op peperdure Treks en Koga’s – talloze culturen, talloze wensen. ‘We moeten ernaartoe dat al die mensen binnen een wielerclub kunnen gedijen. De club moet een open source worden en de enorme hoeveelheid kennis over de sport gaan delen. Want vergis je niet: die clubs hebben veel kennis. Maar ze hebben het zelf niet in de gaten.’ Daarbij moet de behoefte aan uniformiteit ook weer niet uit het oog worden verloren: een renner die aan een wedstrijd meedoet, moet ervan uit kunnen gaan dat het geen wildwestvertoning wordt. Van Beusekom lacht: ‘De sport begon ooit met fietsen om het hardst, zo simpel is het ook wel weer.’ Zelf komt hij nog regelmatig op de club waar hij vroeg ook jeugdtrainer was. Thuiskomen, zo voelt dat, iedere keer weer. ‘Voor nieuwkomers is een wielerclub vaak een moeilijk te nemen vesting. Je moet eerst tien kilometer in je eentje op kop sleuren, pas daarna kijken ze je aan.’

Op de wielerbaan van De Mol is de wedstrijd voorbij. Natte lijven. Een stomp in de buik: ‘Ging goed, hè?’ Een knik, een zucht. ‘Wilde nog opschakelen, maar ik had niet meer.’ De koerstruitjes gaan uit, bretels naar beneden. Rugnummers worden afgespeld. Een half uur later haalt Liesbeth een doekje over de bar en knipt de ventilator uit. Zwaait naar de laatste wielrenner die het terrein verlaat, een rugzakje op zijn rug.

Gepubliceerd in Soigneur #9 – 2014

Rugnummers | Soigneur
Getagd op:        

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *