Plakken | Van Dale Jubileumboek

IMG_2224Wielrennen. De Dikke van Dale. Ik zeg de woorden hardop en laat ze zo’n beetje door mijn werkkamer dwarrelen. Probeer er beelden bij te zien, maar kom niet verder dan een renner die een paar kilo woordenboek in zijn koerstruitje stopt zodat de beklimming van berg zus en zo nog wat extra gewicht krijgt. Op zich misschien best een nuttige training. Maar, nee.
Lezende renners dan? Maar lezende renners vormen een nogal uitzonderlijk ras in het peloton. Lezen, dat past bij renners die net even anders zijn. Zo’n Bauke Mollema, dat is een lezer, die schrikt niet van zeshonderd pagina’s boek. ‘Ach ja, dat is Bauke,’ zeggen zijn ploeggenoten dan, waarna ze hun ogen weer op hun smartphone of tablet richten. Het is overigens wel een mooi beeld: Bauke onderuit gezakt in de velours fauteuil van de luxueuze teambus, de gladde benen uitgestrekt in het gangpad, de scherpe gelaatstrekken, de lippen wellicht iets getuit, de blonde wenkbrauwen licht gefronst en de ferme neus die het laatste zweempje drukinkt opsnuift. Maar hoe mooi ook, het beeld brengt me niet dichter bij die drie strenge ruggen die mij iedere werkdag vanaf de hoek van mijn bureau aankijken. En daar moet ik dus wel naartoe.
De Dikke van Dalen en wielrennen; opnieuw proef ik de combinatie op mijn tong. Woorden. Wielrennen. Taal. Koers. Vocabulaire.
Ja!
Dat is het natuurlijk. Koerstaal. Woorden waarvoor je een woordenboek nodig hebt. Het favoriete woord van een van de Nederlandse verslaggevers van de koers bijvoorbeeld, heeft u dat al eens opgezocht? U weet niet welk woord ik bedoel? Maar potdorie, dan kijkt u toch niet vaak genoeg naar het wielrennen! En dat terwijl de Nederlandse jongens het tegenwoordig goed doen. Zo’n Bauke Mollema bijvoorbeeld, die rijdt rustig met de besten mee omhoog. Niet verkeerd inderdaad, voor een boekenwurm. Maar goed, we dwalen af. Linkeballen, daar doelde ik net op. Te pas en te onpas gebruikt door een der Nederlandse commentatoren, tevens oud-wielrenner. Hij is zo’n commentator van wie ik me kan voorstellen dat hij op zijn wiebelige commentatorstoel heen en weer begint te schuiven als de finale aanstaande is terwijl vijf of zes renners vooruit zijn. Zelf zit ik dan allang al op het puntje van de bank en als ik daar alleen zit, wil ik misschien zelfs wel wat aanmoedigingen richting het scherm schreeuwen. Allemensen, wat rijden die mannen weer hard, ongelooflijk. Totdat. Kijk nou, wat gebeurt daar? De gebruinde benen malen niet langer in de rondte. Waarom trappen ze niet door? De fietsjes beginnen wat te slingeren. Vanachter hun spiegelende sportbrillen geselen de renners elkaar. Boven de renners wappert de rode vod.
Oh wacht, als u niet zo vaak naar de koers kijkt, weet u misschien ook niet wat dat is. Welnu, de rode vod is een driehoek van rode stof – tegenwoordig meestal geplastificeerd – die boven de weg hangt en aangeeft dat de renners nog precies duizend meter asfalt voor de wielen hebben. De Vlaamse wielercommentatoren gebruiken de rode vod als aanduiding voor de laatste kilometer overigens vaker dan hun Nederlandse collega’s, maar dat heeft wellicht iets te maken met hun inborst; net even iets romantischer dan de onze.
Terug naar de koers, waar de renners nog steeds naar elkaar zitten te kijken. Ze doen geen trap meer en zwalken van links naar rechts over de weg. Stuk voor stuk proberen ze achter elkaar weg te kruipen. Waarschijnlijk zouden ze het liefst rechtsomkeert maken, alles om maar geen kopwerk te hoeven doen. Plotseling zet de renner in tweede positie aan. Maar het leidt tot niets, de anderen hebben hem na vijftig meter al te pakken. Hergroeperen. Kijken. De benen stil. De man op kop kijkt onder zijn arm door, stuurt eens naar de andere kant van de weg. De rest volgt, in een vloeiende beweging. Alsof ze met onzichtbare draadjes aan elkaar vast zitten. Achter de felgekleurde reclameborden staan de toeschouwers. Duizenden stemmen, duizenden handen, het geschreeuw en het geroffel als een helse kakofonie. De Nederlandse wielercommentator begint te lachen. En daar slingert hij zijn woord de ether in. Linkeballen!
Als niet-koerskijker begint u nu misschien te denken dat die mannen te belazerd zijn om die laatste paar honderd meter door te trekken. Maar dat denkt u verkeerd. De wielercommentator zegt het nog maar eens: er wordt gelinkebald. Maar wat bedoelt hij dan, denkt u, en u komt overeind om het tweede deel van de Dikke van Dale uit de boekenkast te pakken. Wanneer u – zoals ik – de dertiende uitgave in handen heeft, vindt u het woord ‘linkeballen’ op bladzijde 1894. Plakken, zegt de Dikke van Dale. U kijkt opnieuw naar uw scherm. Plakken? Wat plakt er dan, wie plakt er dan, ik zie helemaal niets plakken, behalve dan al dat rennerszweet in die synthetische tricotjes. ‘Kijk hem daar linkeballen’, zegt de wielercommentator opnieuw, en zijn collega-commentator vraagt hem waarom die renner linkebalt. Niet dat hij dat zelf niet weet, maar hij wil dat zijn collega het uitlegt. Aan u, de niet-ingewijde. Met een beetje geluk is daar nog net tijd voor, maar in negen van de tien koersen zet de renner die zojuist van linkeballen werd beschuldigd, ineens aan. Vanuit vierde of vijfde positie komt hij zomaar naar voren spurten. Het schriele lijf vouwt zich over het stuur en hij lijkt zijn frame uit elkaar te willen trekken. Het ranke zadeltje danst tussen zijn dijen heen en weer en vanaf het puntje van de bank proeven u en ik de ijzerachtige smaak van zijn bloed. Ja! Hij is weg! Definitief weg en niemand die hem kan volgen. Te veel gekeken, te vroeg vertrokken of juist te lang gewacht. De benen te zwaar, het lijf te leeg. Maar kijk hém daar gaan! Wat een macht. Dat was hogeschool linkeballen, zegt de wielercommentator, terwijl u en ik zien hoe de renner overeind komt, zijn shirtje rechttrekt, zijn armen de lucht in gooit en de finishstreep onder zijn dunne bandjes door laat vliegen. En nu begrijpt u het. De wielercommentator hoeft u niets meer uit te leggen. Van Dale ook niet. U staat op van de bank en zet uw deel twee weer netjes terug. U kunt er altijd nog mee gaan trainen.

Verschenen in Verhalen over taal, 150 jaar Van Dale, samengesteld door Wim Daniëls – Van Dale Uitgevers, 2014

Kriebels van de klim |Fiets

IMG_1827Schuif op een zomerse zondagmiddag aan bij een groep wielrenners die de ochtendrit wegspoelt met een goed glas bier en binnen de kortste keren vliegen je de meest heroïsche Alpen- en Pyreneeënbeklimmingen om de oren. Een beetje wielrenner draait de hand niet om voor wat klimmen en dalen, zo lijkt het. Maar is dat echt zo? Tijd voor een rondje fietsen met Michael Boogerd en een praatje met sportpsycholoog Edith Rozendaal.

‘Heb ik dat echt gezegd, joh? Dan was ik dronken zeker!’ De lach van Michael Boogerd rolt over tafel als ik hem zijn woorden uit een oud interview met HP/De Tijd voorleg. Wat nou afzien en pijn lijden, zei hij daar, klimmen is een feest! Toch, als hij er even over nadenkt, weet hij wel wat hij toen bedoelde. ‘Het ging over die etappe naar La Plagne. Die reed ik in een trance, zo lekker. Het deed pijn, maar ik kon ermee omgaan. En ik hoorde alles, heel raar. Zelfs het tssss van een blikje Heineken, in de handen van een toeschouwer. Zijn auto stond half in de greppel, dat weet ik ook nog.’ Opnieuw die lach. ‘Maar zo’n trance overkomt je niet vaak. Het gebeurde me vaker dat ik me vlak voor een klim diepongelukkig voelde. Ja, ook als ik goede benen had. Angst voor de klim, hè. Niet dat die angst me ervan weerhield goed omhoog te rijden, op de een of andere manier schoof ik het toch opzij.’

Hyperfocus
Zelf heb ik nog nooit onderaan zo’n col gestaan. Wel stond ik twee jaar geleden letterlijk aan de grond genageld toen ik vanuit Gulpen de Gulperberg wilde beklimmen. Ik schrok zo van de muur die me daar aangrijnsde, dat ik pardoes afstapte. Ook nu voel ik de nervositeit, als ik naar Zuid-Limburg rijd: zo’n maag die net niet helemaal lekker aanvoelt terwijl de knagende twijfel door de auto galmt: “Kan jij dat wel? Heb je die percentages gezien? Twee jaar geleden ging het ook niet zo lekker, hè…” Klimmen en dalen met Michael Boogerd; waar ben ik aan begonnen?
‘Dat is een bekende angst bij duursporters,’ vertelt sportpsychologe Edith Rozendaal me een dag later. ‘De angst voor de pijn, de angst het niet aan te kunnen.’ Rozendaal begeleidt veel (top)sporters die tegen mentale barrières aanlopen of hun mentale weerbaarheid willen vergroten. Ze vertelt dat de pijn zelf niet eens het probleem is, het gaat om je eigen reactie. ‘Je kent die gedachten vast wel: voel ik al iets, wat voel ik nu, wat als dit erger wordt, kan ik nog mee? Met zo’n hyperfocus kun je letterlijk een leeg en slap gevoel oproepen, ja. En de angst voor de angst – denken dat je zo niet mag denken – versterkt dat nog eens.’

Lef versus respect
Als Boogerd en ik na een kop koffie en een flink stuk vlaai op de fiets stappen, gaat het in eerste instantie prima. We starten bovenop de Cauberg, dus behalve mijn stuur rechthouden is er weinig aan de hand. Na zo’n twintig minuten volgt het eerste klimmetje. Hoewel ik vermoed dat Boogerds hartslag de 100 niet eens haalt, zit de mijne na een paar honderd meter al aardig in het rood. Maar hé, ik kom wel boven! Boogerd kijkt goedkeurend naar mijn niet-gebruikte triple. ‘Dat is namelijk de grootste fout die veel fietsers maken. Meteen aan het begin van de klim geven ze beide shifters een enorme zwieper, alles op het kleinste blad. En maar trappen, in dat luchtledige. Terwijl je de klim best mag voelen.’ Boogerds advies? ‘Staan en zitten afwisselen, waarbij je twee tandjes bijschakelt als je gaat staan en er weer twee terugschakelt als je gaat zitten.’
Ook de volgende paar heuveltjes gaan goed, en de meters naar beneden zijn overzichtelijk genoeg. Na de vierde of vijfde klim waarschuwt Boogerd: de afdaling kent een lastige bocht, dus uitkijken. Ik knik. Boogerd is nooit echt bang geweest in een afdaling, vertelde hij vanmorgen bij de koffie. ‘Als de afdaling echt link was, pakte ik het wiel van een goede daler.’ De gierende zenuwen die ik voel, kent hij echter niet. ‘Voor dalen heb je lef nodig, dat klopt. Maar je moet ook respect hebben voor de afdaling. De weg is altijd de baas!’ Mijn respect voor de afdaling is echter veel te groot. Op het moment dat mijn teller boven de 45 kilometer komt, verkramp ik. Mijn levendige fantasie ziet een verkreukelde fiets, weggeschraapte huid, een gebarsten helm en een plasje bloed dat langzaam groter wordt.

‘Wat wíl je?’
De sportpsycholoog komt het vaak tegen in haar praktijk. Op zich is die angst niet erg, zegt Rozendaal. ‘Het heeft een beschermende functie. Ik zie wel eens toerfietsers die zich als een baksteen naar beneden gooien. Deze mensen wens ik juist iets meer angst toe, omdat ze zichzelf en anderen met zo’n roekeloze afdaling in gevaar brengen. Maar als angst alles overneemt, gaat het ook niet goed. Al je gedachten gaan naar wat zou kunnen gebeuren, dus je focus ligt verkeerd. Als je goed afdaalt, concentreer je je op de weg: je voelt hoe die loopt, je anticipeert op de bocht, je let op het wegdek. Inderdaad, alles wat je op vlak terrein automatisch doet.’
Klinkt logisch. Maar hoe doe ik dit in de praktijk? ‘Het beeld omdraaien is een manier die veel mensen helpt,’ antwoordt Rozendaal. ‘Als je bang bent om te vallen, zie je die val in gedachten al gebeuren. Het gevaar is dat je lichaam dat beeld volgt. Maar je kunt het omdraaien. Dus: wat wíl je dat er gebeurt?’ Ik wil niet vallen, dat lijkt me logisch. Helaas, niet het juiste antwoord. ‘Het gaat om je afdaling, hoe wil je díe doen? Hoe wil je je tijdens de afdaling voelen, hoe ziet dat eruit?’ Ik wil graag soepel afdalen, en rustig.
Precies, zegt Rozendaal. ‘Dat visualiseer je: jij op je fiets, soepel en rustig afdalend. Dat beeld haal je tevoorschijn als je bang bent.’ Zelf doet ze het vaak als ze schaatst. ‘Oh jee, als ik maar niet in zo’n scheur trap, denk ik dan. Wanneer ik dat vervang door het beeld van een Edith die een stabiele bocht rijdt, rijd ik ook een stabiele bocht. En dan zie ik die scheur niet eens meer.’ En, voegt ze toe, als beelden je niet zoveel zeggen, maar woorden des te meer, bedenk dan een versterkende zin voor jezelf. ‘”Ik rijd soepel naar beneden” kan al voldoende zijn.’

Tandje over
Ondanks mijn angst overleef ik de afdaling en in het erop volgende vlakke stuk kom ik langzaam weer bij mijn positieven. Tot Boogerd eens grijnzend opzij kijkt en zegt dat we er bijna zijn. Waar, vraag ik nog. Maar ik had het kunnen weten. Het favoriete kuitenbijtertje van Boogerd en scherprechter in menig Amstel Gold Race. De Eyserbosweg. Mijn hart dreigt me te verlaten, maar ik weet hem bij me te houden, al moet ik daar wel even flink voor slikken. De vorige keer dat ik hier omhoog wilde, stond ik halverwege met mijn beide voeten aan de grond. En nu moet ik weer? Met Boogerd? Maar wat als ik het niet red? ‘Hier mag je op je triple,’ zegt de winnaar van de Amstel Gold Race 1999 tegen me. ‘Maar houd wel een tandje over.’ Ik schakel terug. Het eerste stuk gaat best goed en terwijl ik nog altijd een tandje over heb, passeer ik mijn afstappunt van twee jaar geleden.
Maar dan.
‘Terugschakelen,’ zegt Boogerd. Ik doe wat hij zegt, maar het ronddraaien van de pedalen wordt steeds moeilijker. Het slingeren begint, en mijn gedachten gaan mee: Oh, zie je wel, ik kan dit niet, ik ben niet sterk genoeg, wat een watje ben ik! Naast me zegt Boogerd dat ik niet mag afstappen. Maar ik krijg de pedalen niet meer rond. En uitklikken lukt ook niet meer. Als in een slow-motion zie ik de greppel op me af komen. Gevallen.

Helikopterview
Mindfulness had je kunnen helpen, zegt de sportpsycholoog. Mindfulness – in het Nederlands aandachttraining – leert je te kijken naar je gedachten en emoties, zonder daarin te verdrinken en zonder te oordelen of te reageren. Terecht zegt Rozendaal dat de pijn toch wel komt in zo’n klim. ‘Je angst maakt die pijn echter veel groter. Mindfulness leert je die gedachten anders te bekijken. Je krijgt als het ware een helikopterview: “Oh, daar is die gedachte weer, die ken ik”. Je weet dat die gedachte ook weer voorbij gaat, waardoor de lading minder groot is.’ Het grote voordeel van mindfulness is volgens Rozendaal dat je gedachten en gevoelens niet langer met je op de loop gaan. Dus als ik op die Eyserbosweg mijn ‘ik-kan-dit-niet; ik-ben-niet-sterk-genoeg; ik-ga-af’-gedachten op deze manier had kunnen bekijken, had ik ook die laatste vijftien meter fietsend afgelegd, vraag ik. ‘Waarschijnlijk wel, ja. Dan had je je ondermijnende gedachten als oude bekenden kunnen zien, waarna je je focus weer had kunnen richten op wat je aan het doen was.’ Ik denk terug aan Boogerds woorden tijdens de koffie met vlaai. Uiteindelijk rijdt niemand mákkelijk omhoog, zelfs niet met goede benen. Toch een troost. En hé: ik heb Boogerds voeten aan de grond gekregen, vlak voor de top van zijn favoriete Zuid-Limburgse klim.

Meer over mindfulness en sporten lees je in het boek SportMindfulness van Edith Rozendaal (ISBN 9789461934499).

 

Dit artikel verscheen in Fiets – juni 2014 

Wat een held vermag | Het is Koers

IMG_1101

Daar stond hij dan, in zijn regenboogtrui. Al vijftien jaar prof, al zoveel gewonnen, maar op het hoogste schavot bleef de houding ongemakkelijk.

Mijn vader keek toe, zijn neus tegen het knetterende televisiescherm gedrukt. Het maakte hem niets uit dat hij daardoor juist minder zag; hij wilde er simpelweg zo dicht mogelijk bij zijn. Had mijn vader in de tv kunnen duiken, dan had hij dat gedaan. Joop was namelijk mijn vaders held.
Toen mijn vader jong was, fietste hij zelf ook, en naar eigen zeggen nog niet eens zo onverdienstelijk. Zie je die enkeltjes, zei hij later vaak, en hij legde daarbij zijn duim en middelvinger rond zijn enkels. De vingers raakten elkaar met gemak: mijn vader had de ranke enkels van een echte klimmer. Toch is het nooit iets geworden, want toen hij serieus wedstrijden wilde gaan rijden, kwamen zijn ouders in opstand. Alleen dat trainen al: keihard achter een brommer rijden, besefte hij wel hoe gevaarlijk dat was? Mijn vader schikte zich. Maar de liefde voor de fiets liet zich niet verjagen. Van de eerste kille voorjaarsklassiekers tot de laatste rillerige herfstrondjes; mijn vader volgde alles. Uitgesproken favorieten had hij niet, mijn vader. Tot 1970.

In 1970 maakte Joop Zoetemelk zijn entree in het peloton. Joop was zo’n man die geen held wilde zijn, maar die ondanks, of misschien wel dankzij, die karaktertrek mijn vaders held werd. En niet zomaar een held. Nee, zo’n echte, over wie je niets verkeerds mocht zeggen. Een positieve plas? Ja, zie je wel, er werd gerommeld bij die controles! Joop was gewoon geflikt, zo simpel was dat. En moest Joop dan niet eens wat meer initiatief tonen? Ha, zei mijn vader dan meteen tegen degene die dat durfde te zeggen, jij hebt makkelijk lullen. Heb jij wel eens op een racefiets gezeten? Nou dan! Kortom: Joop was een echte held. En op 1 september 1985 kwam ik erachter wat een echte held vermag.

Giavera del Montello, Italië. Tegenwoordig telt het dorp nog geen tweeduizend huishoudens, en dat zal ruim vijfentwintig jaar geleden niet veel anders zijn geweest. Op 1 september 1985 was het dorp uitgelopen voor de finale van het WK wielrennen. Landgenoot Moreno Argentin behoorde tot de favorieten, en stel dat hij het nog waarmaakte ook… om de hoek van je huis nog wel. Je kon het je als inwoner van Giavera del Montello werkelijk niet permitteren thuis te blijven.

Mijn vader en ik bleven wel thuis, en thuis was een jaren-’70-doorzonwoning in Maarssenbroek. Zo’n huis met een Ford Escort voor de deur, boerenplavuizen in de keuken, steenstrips tegen de wand en een oerwoud van planten in de vensterbanken. De banken waren van beige velours, en mijn vader had zijn eigen stoel – een eiken rookstoel die nog van mijn opa was geweest. Ik zat naast mijn vader, op een oude eikenhouten bierton. Samen keken we naar de wedstrijd.

Zondagmiddag 1 september 1985 dus.

De finale kilometers zijn begonnen. Van de tweehonderdvijfenzestig kilometer van de wedstrijd hebben de renners er nog zo’n elf te gaan. Aan de uitvallen van de kopgroep is duidelijk te zien dat de sleet er een beetje op zit; het echte venijn ontbreekt. Joop zit in die kopgroep, net als mannen als Gerard Veldscholten, Johan van der Velde, Marc Madiot, Kim Andersen, Claude Criquelion, Greg Lemond, Stephen Roche en, en dat zal de inwoners van Giavera del Montello goed doen, Moreno Argentin. Dertien mannen met van hoop vervulde harten. De volgers denken dat Lemond of Argentin de klus zal klaren. Of Roche, dat zou ook nog kunnen. De mannen razen over de weg, zwenkend van links naar rechts, een en al onrust. Greg Lemond zet aan, Joop haalt hem terug. Joop springt weg, Fernandez gaat mee, Roche haalt terug. Andersen piept ertussenuit, en wordt ook weer teruggehaald. Mart Smeets vindt het een prachtige finale. Mijn vader knikt, terwijl hij nog een stukje verder naar het puntje van zijn stoel schuift.
En dan gaat Joop. In een flauwe naar links draaiende bocht pakt hij de kortste weg en trekt door. Smeets’ stem schiet omhoog: ‘Joop! Daar gaat Joop, de achtendertigjarige.’

Mijn vader gaat staan. Ik ook.

Mijn vader bijt op zijn nagels. Ik ook.

We zien hoe Juan Fernandez Joops wiel pakt. Ze benutten iedere centimeter van de brede weg. Van links naar rechts gaat het, de ruggen als een liniaal over de fiets, de benen in een strakke cadans. Op de macht. Maar het is niet genoeg. Roche komt naar voren, met Veldscholten in zijn wiel. Even later rijdt Lemond het gat weer dicht.

Mijn vader en ik laten onze adem ontsnappen. Terwijl Joop zich naar achteren laat zakken, gaan wij weer zitten. ‘Willen jullie nog thee?’ vraagt mijn moeder. Ik knik, mijn vaders hand wappert driftig: thee? Wie begint er nu over thee!

Van rechts komt Kim Andersen langszij. Op de macht, ook hij. Zijn rug gekromd, als een kat. Het lukt hem echter niet weg te komen en in de volgende bocht draait de kopgroep als langgerekt lint langs een schamel groepje toeschouwers. De verbeten gezichten van de renners schieten langs. De haren platgedrukt langs het hoofd. Bij sommige renners is er wat sprieterig gewapper in de nek te ontwaren; matjes zijn in de mode. Joop doet daar niet aan mee, sterker nog: zijn haargrens laat een terugtrekkende beweging zien, met inhammen en al. Terwijl de mannen de camera passeren, noemt Mart Smeets de namen. Hij hapert niet, totdat er een Zwitser voorbij komt. Wie is die man, vraagt Smeets zich af. Misschien is het Muller? Het blijft even stil. Ja hoor mensen, klinkt het wat later, ik denk dat het Muller is. De opluchting is hoorbaar.

De weg maakt een ruime bocht naar rechts.

Joop duikt op aan de linkerkant van de weg en terwijl de andere koplopers om zich heen kijken en Smeets en consorten zich druk maken over de naam van een Zwitser, rijdt Joop op kousenvoeten weg.

Mijn vader gaat opnieuw staan. Ik volg zijn voorbeeld.

‘Goddomme,’ mompelt mijn vader.

Joop, zegt Smeets. Joop?

En dan valt de kopgroep stil. Alsof niemand durft. Een man van achtendertig verlamt de benen van een stel twintigers.

Mijn vader zet drie stappen en staat dan met zijn neus bovenop de beeldbuis. Ik volg.

We kijken toe terwijl Joop op de pedalen gaat staan en achterom kijkt. Achter hem wordt ook gekeken, maar de benen laten het nog steeds afweten.

‘Godverdomme, rijen Joop!’, schreeuwt mijn vader. Ik kijk opzij en zie hoe mijn vaders ogen de renner in het oranje shirt naar de streep stuwen.

Smeets’ stem slaat over: ‘Als dit waar mocht zijn! Ooh, ooh. Nummer honderddrie, zou het een gouden nummer zijn?’

Achter Joop breekt Criquelion de ban.

Te laat.

Mijn vader slaat me op mijn schouder. ‘Zie je dat wel, Manus?’, zegt hij. ‘Zie je dat?’

’38 JAAR EN HIJ HEEFT HEM!’ Smeets schreeuwt ook.

Mijn vader staat inmiddels met zijn neus tegen de bolle beeldbuis geplakt. Ik sta ernaast. Even kijkt hij opzij. ‘Godverdomme, zie je dat?’

Ik zie het.

Lemond wordt tweede, Argentin derde.

‘Hier moeten we even bij gaan zitten,’ klinkt het vanuit de televisie. Mijn vader en ik gaan zitten. We zien herhaling op herhaling van Joop. Zijn armen die de lucht in gaan. Het gezwabber van zijn fiets als hij de streep passeert. Het gespartel van de twintigers die het afleggen tegen een man van achtendertig. Mart Smeets komt superlatieven tekort en zijn woorden vullen onze Maarssenbroekse huiskamer. Mijn vader en ik applaudisseren in stilte.

Even later zien we Joop terug op het podium. Terwijl hij wat ongeduldig om zich heen kijkt, slaat een van de officials de laatste vouwen uit de regenboogtrui. Een andere official houdt hem de opening voor zodat Joop zijn hoofd erdoor kan steken. Zijn armen komen door de mouwopeningen tevoorschijn waarna de official het tricot naar beneden trekt en het ritsje sluit. Joop plukt wat aan het truitje.

‘Goh,’ zegt mijn vader.

Joop stapt het podium op en even daarna volgen ook Lemond rechts en Argentin links van hem. Ze worden gefeliciteerd en krijgen ieder een bos bloemen in de handen geduwd.
En ineens schalt daar het Wilhelmus. Mijn vader en ik gaan weer staan, dicht bij de televisie. Even grijnst Joop zijn typische Joop-grijns: een beetje besmuikt, nog net niet verontschuldigend. Daarna is zijn gezicht weer serieus, er valt weinig aan af te lezen. Halverwege het volkslied kijk ik opzij, naar mijn vader.

En dan zie ik wat een held vermag.

Mijn vader heeft tranen in zijn ogen, zijn driftig knipperende oogleden weten het nog net binnen de perken te houden.

Tranen in de ogen van mijn vader. Om zíjn held.

Die nu mijn held is.

Omdat míjn allergrootste held er niet meer is. Mijn stoere vader, die mij heeft geleerd wat een echte held vermag.

HetIsKoers.nl; 29 november 2011

 

De fietser en haar toerusting | Het is Koers

IMG_1101Hij schreef het echt, de fietser en ZIJN toerusting. Alsof wij niet meetellen. Ja, in een reactie kwam nog een schamel naschrift, zoiets als: ‘Ik schreef m/v’, met daarbij nog een opmerking over lichaamsbeharing. Alsof wij vrouwen niet weten dat onze benen te allen tijde glad geschoren, geëpileerd, gewaxt, geharst dan wel gelaserd dienen te zijn. Het lijkt me duidelijk, het is tijd voor De fietser en HAAR uitrusting. Want ja, daar moeten we Frank van Dam gelijk in geven: de fietser kan nog zo’n prachtig ros onder de billen hebben en daarbij de meest kekke setjes aantrekken, zolang het lijf niet meewerkt, blijft het behelpen.

Nog even ter verduidelijking: mijn vingers blijken bijzonder veel moeite te hebben met het tikken van het woord fietsster. Ik neem ze dat niet kwalijk. Fietsster is typisch zo’n woord dat qua lulligheid weinig onderdoet voor het koppel dat iedere zondagmiddag op identieke Gazelles stapt en met ferme tred over ’s Heren wegen peddelt, de eveneens identieke Human Nature-windjacks nonchalant klapperend in de wind. De fietser is het dus, en HAAR uitrusting. Dat gerei waarmee wij cols, polders, kasseien, modder en verzengende hitte bedwingen. Omdat wij dat dus eigenlijk heel goed kunnen. Al zijn we daar zelf niet altijd even zeker van.

De benen
Ach, daar begint de ellende al. Wij en onze benen. Nooit goed. Te kort, te dik, te stakerig of te flubberig, de knieën te dicht bij of juist te ver uit elkaar, de huid meestal te wit en het oppervlak te vaak ontsierd door te veel cellulitis (voor de heren: cellulitis is een moeilijk woord voor putjes en kuiltjes in billen en dijen). Hier fnuikt zich bovendien het feit dat de meeste koersbroekontwerpers en -fabrikanten aan onze soort moeten wennen en niet op de hoogte zijn van onze gevoeligheden. Want Marianne Vos en Marijn de Vries mogen dan superstrakke, supergespierde en superslanke onderdanen hebben, de meesten van ons kennen die luxe niet. Dus wat doen die vermaledijde strakke elastieken onderaan de pijpjes van de broek? Of denken deze broekverkopers dat wij rollade zo lekker vinden dat we er zelfs op de fiets liefst iedere seconde aan denken? Natuurlijk zeggen de heren dan dat we gewoon wat harder moeten trainen, maar hé, wij hebben dus wel meer te doen, niet? Of maken jullie het toilet en de badkamer in het vervolg zelf schoon? Nee, het is hoog tijd dat die broekverkopers wat meer rekening met ons houden, zodat wij ons net even iets prettiger voelen op ons blinkende ros. En heren verkopers, vergeet niet dat deze minimale aanpassing grote gevolgen kan hebben: wanneer uw broekjes onze benen niet langer zo schaamteloos afknellen, zal het aantal afnemers van uw waar alleen maar toenemen. Dus hup! Aan de slag!
Over gladde benen hoef ik eigenlijk niets te zeggen, de gladde benen moeten voor ons net zo vanzelfsprekend zijn als de gelakte teennagels in de zomer. De witte benen vergen echter nog wel wat aandacht. De zonnebank is geen goed idee want ziekmakend op de lange duur. Een mogelijke oplossing is de zelfbruinende crème, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik daar, ondanks mijn oogverblindend witte melkflessen, geen ervaring mee heb. Ik zet zelf gewoon een zonnebril op; worden de benen direct bruiner van. Maar goed, de schrijver van De fiets en ZIJN uitrusting heeft natuurlijk gelijk als hij zegt dat de benen gewoon bruin moeten zijn. Met scherp randje. Hoe wij dat in bikinitijd op dienen te lossen, weet ik eigenlijk ook niet.

De billen
Je voelt ze als je inhaalt of wordt ingehaald. De keurende blikken waarvan jouw wederhelft immer beweert dat zijn vrienden die vanachter hun wielerbrillen ook altijd werpen. Maar hij niet. Nooit. Ach, dat schat. Gun hem dit leugentje dames, het gaat nu even om ons en onze billen. Wanneer wij ons met brutale blikken geconfronteerd weten, gaan de radartjes direct aan het werk: m’n kont is te dik, te breed, te lomp of te rond. Maar weet dan dat wij met diezelfde kont dus wel flink door weten te trappen. En weet ook dat de meeste heren de handen toch liefst over een ietwat gevulde en zachte bilpartij laten glijden. Dat wil echter niet zeggen dat wij de boel maar moeten laten gaan, hè! Te veel kont doet het zadel geheel en al uit het zicht verdwijnen en dat is bepaald geen aanbeveling voor onze edele fietssport. Houd jezelf dus in toom en zorg ervoor dat het zadel te allen tijde zichtbaar blijft – ook in de winter!

De romp
Kijk, hier hebben wij te maken met een verschil tussen man en vrouw. Want ja, als we hier geen afdoende maatregelen nemen, trekt de zwaartekracht ons hier net iets krachtiger naar beneden. Nee, op de fiets spring je niet, maar wie heeft je ooit wijsgemaakt dat een sport-bh alleen is bedoeld voor springerige vormen van sportbeoefening? De sport-bh is een essentieel onderdeel van onze fietsuitrusting, laat dat duidelijk zijn. Hoewel de heren het zullen waarderen als wij onze cup D over het stuur draperen, geeft zo’n vertoning in werkelijkheid geen pas. Wij nemen onze sport serieus: de dames die hun boezem niet met een Hemaatje wensen plat te drukken, kunnen zich beter in sexy singletje naar de sportschool reppen.
Dat gezegd hebbende dient er ook nog enige aandacht te zijn voor dat wat zich onder onze boezem bevindt. De buik, inderdaad. Ook weer zo’n lichaamsdeel dat het eigenlijk nooit goed doet, want altijd te dik, te veel rollen, te flubberig en na een, twee of drie zwangerschappen veel te slap. Hier rest slechts één bindend advies: de buikspieroefening. Want al eens goed gekeken naar de veel te volle fietser wiens bovenbenen bij elke trapbeweging in contact komen met de buik? Precies! Iedere ochtend vijf minuutjes buikspieren dus.

De armen
Eindelijk een lichaamsdeel waar we vaak wel aardig tevreden over zijn. Nou ja, de kipfiletjes zijn vervelend, maar over het algemeen minder dramatisch dan buik, billen, borsten en buik. Het spreekt voor zich dat wij ons slechts dan met korte mouwtjes vertonen wanneer onze armen enige teint hebben opgedaan. Maak het echter niet te bont: onze schouders blijven van onszelf; het kekke wielerhemdje zou zelfs Madonna del Ghisallo gillend haar kerkje uitjagen. Eenieder die zichzelf als fietser serieus neemt, houdt zich nu eenmaal verre van blote schouders op de racefiets.
Verder mogen tatoeages voor de heren dan verboden zijn, voor ons geldt dat verbod niet. Dat wil echter niet zeggen dat wij hier niet enige regels in acht dienen te nemen. De tatoeage neemt nooit of te nimmer de vorm van een mouw aan en ook de diepzwarte tribals zijn uit den boze. Een tatoeage is subtiel en bevindt zich in de ideale situatie aan de binnenzijde van de pols. Wat je verder aan plakplaatjes onder je wielerkleding verbergt, is overigens geheel en al je eigen zaak.

Het hoofd
Over het hoofd valt veel zeggen. Heel veel. Wij beginnen echter eenvoudig, bij het oor. Oorbellen zijn in orde, maar houd het een beetje binnen de perken: vijf per oor betekent dat je in ieder oor minimaal drie gaatjes te veel hebt laten schieten. Leeglaten dus. Laat je lange slingers thuis wanneer je op de fiets stapt: oorknopjes of kleine ringetjes volstaan.
Dan het haar. De dames met lang haar binden dat vanzelfsprekend samen in een staart of vlecht, welke aan de achterzijde onder de helm vandaan mag komen. De dames die het kapsel wat korter dragen, dienen er in ieder geval voor te zorgen dat de oren vrij zijn, simpelweg omdat dat netter staat.
Door naar het gezicht. Wel make-up, geen make-up? Wat denk je zelf? Wel natuurlijk, hoewel we daarbij niet op dezelfde manier te werk hoeven te gaan als Leontien van Moorsel. Wat zwarte mascara volstaat, waarbij je natuurlijk rekening houdt met het zweetgedrag van je lichaam. De waterproofmascara is niet voor niets uitgevonden, dames! De lippen voorzie je van een lipgloss, een subtiele lipstick of een conditioner, als er maar een beschermingsfactor in zit. Voor wat betreft blush, poeder, foundation en andere artificiële kleuroppeppers: nee, nee en nog eens nee. Als je vindt dat je veel te bleekjes van het ene knooppuntbord naar het volgende fietst, trap je eenvoudigweg niet hard genoeg. Laat dat een motivatie zijn.
Tot slot de binnenkant van het hoofd. In ons hoofd schuilt het grootste verschil met onze mannelijke evenknie. Ons hoofd is namelijk in staat vele dingen tegelijk te doen. Seks en het samenstellen van het boodschappenlijstje gaan bij ons prima samen, zo is het nu eenmaal. Deze praktische eigenschap werkt echter ook wel eens tegen ons. Ons hoofd is namelijk nogal streng. De moetens vliegen ons te pas en te onpas om de oren: de was, de boodschappen, de kinderen, de vrienden en vriendinnen, de ouders, de schoonouders, de bedden verschonen, de koelkast uitsoppen, de baas, de partner… En oh ja, de fiets. Terwijl die fiets ons zoveel goeds te bieden heeft! Ontspanning. Kracht. Een gezond lijf. Conditie. Een leeg hoofd. Gezelligheid. Nieuwe horizonten. Maar vooral de ervaring dat we meer kunnen dan ons hoofd vaak schijnt te denken. Uiteindelijk is de fiets vele malen belangrijker dan ons hoofd: in de fiets schuilt onze kracht. En het is aan onze benen, billen, romp en armen om die kracht ten volle te benutten. Zodat we onszelf kunnen bewijzen dat we veel meer kunnen dan ons hoofd denkt.

PS: dat dit artikel zo her en der persoonlijke frustraties van de schrijver dezes verwoordt, zal de lezer niet zijn ontgaan. Schrijver kan slechts hopen dat de lezer haar dit niet kwalijk zal nemen.

Het is Koers; 21 januari 2014

‘Zorg ervoor dat je het goed hebt’ | Events

IMG_1189“I like the dream of the future better, than the history of the past”, staat er op zijn visitekaartje. Zelf had hij ook een toekomstdroom: het wandelen van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela. In een maand, dat wel; Pieter Bas Boertje houdt nogal van doelstellingen. Heeft hij iets van die ongebreidelde doelgerichtheid achter zich kunnen laten, op één van Spanjes kronkelige bergweggetjes?

Pieter Bas grinnikt, een beetje verlegen met de vraag. Maar inderdaad, doelen stellen vindt hij belangrijk, net als het behalen van die doelen. Zo belangrijk zelfs dat hij er soms zijn fysieke grenzen voor overschrijdt. Te doelgericht, ja, ook tijdens zijn wandeltocht naar Santiago. ‘Onderweg kreeg ik een vervelende blaar die ging ontsteken. Dan ga je anders lopen, met als gevolg dat je overal pijn krijgt en eigenlijk even rust zou moeten nemen. Maar dat kon niet: ik moest het in die maand halen, want ik moest op tijd terug zijn voor het bruiloftsfeest van mijn ouders.’ Hij worstelde ermee, zat zichzelf in de weg. Tot een andere wandelaar hem vroeg waarom dat eigenlijk zó belangrijk was, die aankomst in Santiago de Compostela. Hij kon de tocht toch ook op een ander moment afmaken? Of een stukje per bus afleggen? ‘Pas toen realiseerde ik me dat het inderdaad helemaal niet zo belangrijk was. Dat ik niet faalde als ik niet zou volbrengen wat ik me had voorgenomen. Dat was een enorme opluchting, ja.’ Overigens haalde hij het uiteindelijk wel. Maar hij ervoer de aankomst in Santiago als een enorme anticlimax. ‘Toen voelde ik dat het dus écht om de reis ernaartoe gaat. Niet om dat einddoel.’ Het is nogal een besef, voor iemand die doelen stellen bijna tot kunst heeft verheven.

Loslaten
Dat hij die wandeltocht zou gaan doen en in totaal vier maanden niet op de zaak zou zijn, dat had hij een paar jaar geleden reeds besloten. Hij had zelfs allang bedacht dat die periode in mei 2013 zou aanvangen. Dat was een mooi ijkpunt; er lagen dan vijfentwintig jaren van keihard werken achter hem. ‘Het gekke is dat het loslaten van mijn werk me veel makkelijker afging dan ik van tevoren had verwacht.’ Een aantal dagen voor zijn vertrek trakteerden de medewerkers en oud-medewerkers van Dechesne & Boertje hem op een klein event, cadeautjes voor onderweg en een boekje. Foto’s en herinneringen staan erin, en veel persoonlijke verhalen over jaren van intensieve samenwerking. Het raakte hem diep, vertelt hij, terwijl hij het boekje laat zien. ‘Ja, dat al die mensen zo over mij denken. Dat verraste me.’
Overigens verging het zijn collega’s prima, in die maanden dat Pieter Bas er niet was. Het werk ging gewoon door, de evenementen verliepen goed. Wel is er een andere sfeer ontstaan. ‘Volwassener. De mensen zelf voelen dat niet zo, maar ik wel.’ Zijn eigen rol is ook veranderd. Steeds vaker bemerkt hij dat het hem makkelijker afgaat de zaken met iets meer afstand te bekijken, zonder dat dat ten koste gaat van zijn betrokkenheid. Ook besteedt hij meer tijd aan het begeleiden van zijn medewerkers. ‘Nou ja, ik probeer ze te helpen in hun carrière en hun persoonlijke ontwikkeling. Maar maak dat niet groter dan het is, hoor.’

Kippenvel
Vier maanden geen deadlines, geen opdrachtgevers, geen brainstormsessies, geen werkoverleg – hij had ernaartoe geleefd. Maar toen hij op zijn laatste werkdag de deur achter zich dichttrok, in de auto stapte en wegreed, werd hij toch nog overvallen door dat overweldigende gevoel van vrijheid. ‘Ik had kippenvel, letterlijk van mijn tenen tot mijn kruin. Dat pure gevoel van vrijheid was zo intens.’ Eng was het echter ook; hij had geen idee hoe hij het in zijn eentje zou redden. ‘Ik was nog nooit alleen geweest. Toen ik jong was, ging ik vanuit mijn ouderlijk huis naar Nyenrode. Toen in dienst, daarna deelde ik een huis met een vriend en weer later woonde ik samen met Nancy, mijn vrouw. Dus nee, nooit alleen.’ Sommige mensen botsen tijdens zo’n grote stap buiten hun comfortzone weinig zachtzinnig tegen hun eigen grenzen en overtuigingen op. Niet Pieter Bas. ‘Ik genoot! Natuurlijk miste ik mijn gezin, maar ik leerde ook dat ik het met mezelf ontzettend leuk kan hebben.’ Het is een besef dat past bij iemand die in balans is, een mens wiens basis klopt. Toch? Hij valt stil. Slikt, kijkt even weg. Het raakt me nog steeds, zegt hij dan voorzichtig. ‘Vaak hoor je dat mensen zich tijdens zo’n reis realiseren dat ze hun leven helemaal om willen gooien. Maar ik voelde juist dat ik tot nu toe de juiste keuzes heb gemaakt. Mijn vrouw, mijn leven, mijn werk – het klopt gewoon.’ Hoe anders was dat voor die 82-jarige vrouw die hij onderweg ontmoette. Haar echtgenoot had nooit alleen thuis willen zijn, en pas nu hij er niet meer was, voelde zij de ruimte om te doen wat ze al haar leven lang had gewild. Haar verhaal maakte indruk, vertelt hij. ‘Je moet er dus voor zorgen dat je het goed hebt. Niet blijven hangen in situaties die je ongelukkig maken of je beperken in wat je werkelijk wilt. Al die verloren tijd, zo zonde!’

Rust
De lange en soms pittige wandelingen hebben hem veel gegeven. ‘Ik ben gegroeid, meer in balans. En ik zie de dingen scherper.’ Sinds Santiago maakt hij iedere zondag een lange wandeling. In stilte. ‘Omdat het me zo ontzettend veel oplevert, ja. Privé én zakelijk.’
Toch nog even over dat doelgerichte; is hij nog zo? Pieter Bas knikt. Maar er is ook veel veranderd, vindt hij. Nee zeggen gaat hem makkelijker af en het hyperige dat hem soms in de greep had, is verdwenen. ‘Ik ben rustiger geworden, zegt mijn vrouw. En dat klopt, dat voel ik zelf ook. Vroeger vond ik het heel moeilijk om te genieten van dat wat nu is. Was er een doel behaald, was ik in mijn hoofd alweer bij het volgende doel. Nu geniet ik veel meer, zowel thuis als in mijn werk. Dat geeft rust.’

verschenen in Events, november 2013

‘Van onrecht ga ik uit mijn plaat’ | Events

IMG_1190Hij is opgegroeid in een ondernemersfamilie. Niet bang voor het nemen van beslissingen. Merkt dat de scherpe randjes iets minder scherp worden en is daar blij om. En hij vindt het belangrijk altijd eerlijk te zijn – ook naar de klant. Een nadere kennismaking met de man achter de TeKa Groep – overkoepelend bedrijf van de labels Kasteelfeesten.nl, Treinfeesten.nl en Congresarrangementen.nl.

De ontvangstruimte van het kantoor van de TeKa Groep wordt gedomineerd door een meterslange houten tafel met strakke witte designstoelen. Langs de wand een eveneens meterslang dressoir. Daarboven vijf regels tekst: “Koester je klant – Ga voor kwaliteit – Wees flexibel en klantgericht – Lever een hoog serviceniveau – Let goed op de kosten”. De tekst zegt alles over de manier waarop Timo Kruft, oprichter en directeur van de TeKa Groep, wil werken. Zijn eigen rol binnen het bedrijf? Hij lacht, moet er even over nadenken. ‘Inspirator, ja. Maar ook degene die leiding geeft en de visie vaststelt en uitdraagt.’ Een gesprek over ondernemen.

Eerlijk
Eerlijk zaken doen, Kruft vindt het essentieel. ‘Niet alleen in het contact met onze leveranciers, maar ook met onze klanten. Ik vind het belangrijk dat een evenement goed is, dat de gasten na afloop met een goed gevoel naar huis gaan. Gastvrijheid, lekker eten; dat moet allemaal in orde zijn.’ Maar eerlijkheid gaat verder dan dat. Wanneer de klant een evenement in een trein organiseert en de treinstellen vol wil gooien met entertainment, zullen Kruft en zijn medewerkers eerlijk zeggen dat dat het evenement niet ten goede komt. ‘Je moet die trein zijn werk laten doen. Als je dat volstouwt met allerlei toeters en bellen, wordt het veel te benauwd. Dat moet je dus niet doen en dat zeggen we dan ook.’ Niet dat de klant die eerlijkheid altijd meteen op prijs stelt; er komt soms best wat overredingskracht bij kijken. Maar, zegt Kruft, zolang je open en eerlijk met elkaar communiceert, kom je daar wel uit. Eerlijkheid duurt nu eenmaal het langst, inderdaad.

Degelijk
Dat Timo Kruft ondernemer zou worden, was al vroeg duidelijk. Op zijn zestiende stond hij met een suikerspinmachine op het schoolplein en daarna is het eigenlijk nooit meer opgehouden. Hij komt uit een echte ondernemersfamilie, een familie ook die hem leerde dat je hard moet werken, zuinig moet zijn en te allen tijde waar moet maken wat je zegt. ‘Zomaar makkelijk geld verdienen, nee, dat werkt niet. Ondernemen moet je zorgvuldig doen, zowel naar buiten toe als wanneer het om je eigen medewerkers gaat.’ Hij denkt dan ook dat de ondernemers die deze crisis overleven, de ondernemers zijn er op dezelfde manier tegenaan kijken. Daar hoort trouwens ook bij dat je je bedrijf niet moet volhangen met leningen, vindt Kruft. Je moet wat vet op de botten hebben, zodat er iets is om op terug te vallen. ‘Degelijk ondernemen, zo zou je dat waarschijnlijk wel kunnen noemen, ja.’

Vergevensgezind
Het gaat de TeKa Groep voor de wind. Een half jaar geleden werd het bedrijf eigenaar van een van de meest fotogenieke locaties van het land: Stadhuis Gouda. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het alleen maar rozengeur en maneschijn is; ook Kruft voelt de gevolgen van de crisis. Hij heeft een aantal mensen moeten ontslaan en ja, hij heeft ook wel eens te maken met klanten die niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen. ‘Dat is natuurlijk niet leuk, nee. Maar ik ben niet wars van het nemen van moeilijke beslissingen, daar lig ik niet meteen wakker van. Uiteindelijk stel ik dit bedrijf toch voorop. Waar ik wel wakker van kan liggen, is wanneer een geschil uitmondt in een oneerlijk moddergevecht. Ik kan niet tegen onfatsoenlijk handelen en kan me echt teleurgesteld voelen in mensen.’ Een binnenvetter is hij echter niet, daarvoor wordt hij te makkelijk boos, zegt hij zelf. ‘Van onrecht ga ik uit mijn plaat. Ja, inclusief de rode vlekken in m’n hals. Gelukkig ben ik het ook zo weer kwijt; ik ben niet haatdragend en vergeef snel.’ Toch probeert hij tegenwoordig wat genuanceerder te zijn en realiseert hij zich dat het soms best wat minder kan. ‘Ik weet dat ik in mijn felheid soms op tenen trap. Vroeger kwam ik daar niet eens meer op terug, maar ik heb inmiddels geleerd dat wel te doen. Weet je, soms is die felheid nodig, het heeft me ook gebracht waar ik nu sta.’ Hij lacht. ‘Misschien ben ik daarom wel zo vergevingsgezind. Omdat ik het zelf ook wel eens nodig heb.’

Locaties als beleving op zich
De TeKa Groep heeft vijftig medewerkers in dienst die samen acht historische locaties, cateringpoot De Preuverie en de evenementenorganisatie voor hun rekening nemen. Hoewel de TeKa Groep alle facetten rondom een evenement aanbiedt, betekent dat niet dat de klant ook alles via TeKa moet regelen. Er wordt veel samengewerkt met evenementenbureaus die de TeKa Groep vaak inschakelen vanwege de historische locaties die het bedrijf heeft. ‘Het zijn stuk voor stuk locaties met een monumentale status,’ vertelt Kruft. ‘Je hebt maar weinig opsmuk nodig om daar een prachtig evenement neer te zetten. De beleving zit ‘m in de locaties zelf, precies.’ Dat het afhuren van die locaties ook nog eens heel betaalbaar is, dat wil Kruft toch ook nog wel even kwijt. ‘Voor duizend euro huur je een hele dag een kasteel! En met alles erin, hè. Dat is toch niet duur?’

Gepubliceerd in Events; november 2013

Dynepo in je onderbroek – over Rasmussens boek Gele koorts | Het is Koers

IMG_1101‘Het was de zoveelste rotstreek,’ schrijft Michael Rasmussen tegen het einde van zijn boek Gele koorts. Hij heeft het over de periode na zijn schorsing, de maanden waarin hij probeert weer een profcontract te bemachtigen. Dat lukt niet. De woorden vormen een rechtstreekse verbinding met de zesjarige Michael die zich op de basisschool kapot ergert aan het feit dat er samen met de meisjes moet worden gegymd – dat kan hij niet serieus nemen. Maar omdat hij het hardst loopt en het vervelendst en meest vasthoudend is, zet de gymleraar hem steeds samen met het dikste meisje van de klas. Michael is er woedend over en laat dat merken ook.
Datzelfde gebeurt als het schoolkamp voor de deur staat. De jonge Michael weigert; zijn fiets kan niet mee. De klassenleraar stuurt vader en moeder Rasmussen een brief: hobby’s en sporten zijn leuk, maar kameraadschap is ook belangrijk. ‘Het ging zoals het moest gaan,’ schrijft Michael dan, ‘mijn leraar legde zich erbij neer en liet mij thuisblijven zodat ik kon fietsen.’
Zo maar twee anekdotes over de mens Michael Rasmussen, die er blijkbaar al op jonge leeftijd alles aan doet zijn zin te krijgen. Drammerig, eigengereid en manipulatief; die karaktertrekken knopen alle gebeurtenissen in het boek moeiteloos aan elkaar. Rasmussen ziet dat zelf ook, maar spijt lijkt hij er niet van te hebben. Sterker nog, de zweem van trots is nooit ver weg. Zo krijgt hij zijn Mexicaanse schoonmoeder zover dat haar arts een valse verklaring over bloedarmoede en osteoporose voor haar opstelt, zodat ze preparaten voor Michael mee kan nemen als ze naar Italië reist. Handig toch? En knap, als je een paar pagina’s eerder nog leest dat schoonmama in eerste instantie fel tegen de relatie tussen haar dochter en die dunne Deen gekant was. ‘Later is ze alsnog van me gaan houden,’ schrijft hij.
Dat geldt niet voor de kennis van echtgenote Cariza, aan wie hij vraagt een schoenendoos voor hem mee te nemen uit Amerika. In die doos zit een voorraad synthetische hemoglobine, maar dat weet de kennis niet. Omdat hij het echter niet vertrouwt, opent hij de doos. Gevolg: de hemoglobine verdwijnt door het toilet en Michael krijgt een woedende kennis aan de telefoon – woede waar hij maar weinig begrip voor opbrengt. Nu zegt hij dat hij zich indertijd vooral dom en onnadenkend gedroeg. Het woord spijt staat er niet tussen.
Gele koorts leest als een karakterstudie, meer nog dan de boeken van Tyler Hamilton en David Millar. Niet dat het een prettig karakter is; het begrip voor de mens Michael Rasmussen wordt er niet groter op. In de pers is het boek al weggezet als ongeloofwaardig, vooral nadat Rasmussen zich in een interview het een en ander liet ontvallen dat hij de volgende dag alweer in moest slikken. Maar lees dit boek eens naast het eerder dit jaar verschenen Bloedbroeders van Steven Derix en Dolf de Groot. Zelfs als Rasmussens verhaal over de dynepo in de onderbroek van de chauffeur niet waar is, blijft er meer dan genoeg materiaal over om je af te vragen hoe het mogelijk is dat sommige mensen uit de begeleidingsstaf van de wielerploeg hun handen nog altijd wassen in onschuld.

Wanneer je even door je oogwimpers naar de dopingverhalen in de wielersport kijkt, zijn er eigenlijk maar drie grote verhalen. Het eerste is dat van de betrapte zondaar die spijt betuigt, boete wil doen en de sport van een dopingvrij elan wil voorzien. Het tweede verhaal is dat van de niet-betrapte: nooit een positieve plas ingeleverd, maar toch bekend en aan de dopingschandpaal genageld als gevolg van onderzoek en verklaringen van collega’s. Het derde – en waarschijnlijk grootste – verhaal suddert net onder de oppervlakte: nooit betrapt, nooit tot een bekentenis gedwongen en vermoedelijk iedere dag hopend op de dag dat we het weer gewoon over de koers gaan hebben. Michael Rasmussens boek is een duidelijke exponent van het tweede verhaal, het verhaal waar ook Michael Boogerd en Lance Armstrong zich in zullen herkennen. De heren hebben meer gemeen: spijt van hun dopinggebruik hebben ze eigenlijk niet – doping hoorde er nu eenmaal bij, het was een fact of life. Er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken dat juist dat gebrek aan spijt dat deze renners tentoonspreiden ervoor zorgt dat ze niet langer welkom zijn in de sport. Hierop voortbordurend zou je dus kunnen beweren dat mensen als David Millar of Thomas Dekker dat toch wat slimmer hebben aangepakt.

Gele koorts – Michael Rasmussen en Klaus Wivel
Uitgeverij De Geus

Het is Koers.nl; 12 november 2013

Bekentenissen | Het is Koers

IMG_1101Michael Rasmussen heeft het gedaan. De klootzak! Verrader! Djeez, het is maar goed dat we hem niet serieus hoeven te nemen, wat een idioot. Hij is alleen maar uit op wraak, dat weten we toch allemaal? En trouwens, toen hij nog fietste, spoorde hij ook al niet, met z’n grammetjesfetisj. Neuh, die gast is hartstikke gek en zijn verklaringen kunnen zo de prullenbak in. Weg ermee!
Tja.
Ik geloof hem dus wel.
Ja, echt waar. Niet omdat ik fan ben van de man ben, nee. Ik houd van renners met een rafelrandje, maar de rafelrandjes van Rasmussen waren me altijd al iets te kartelig. Ik geloof hem vanwege Michael Boogerd. Michael Boogerd die vorige week bij Filemon vertelde dat hij geen spijt heeft van zijn dopinggebruik. En dat hij liever niet had bekend. En die zijn woorden zo ongemeen voorzichtig koos toen Filemon hem vroeg wat hij zou doen als zijn zoon op een dag met het dopingdilemma bij hem op de stoep zou staan. Het antwoord had natuurlijk heel eenvoudig moeten zijn. Michael zou zijn zoon een preek geven, hem vertellen over eerlijkheid en hoe die toch altijd het langst duurt en daarna zou hij hem met een bidon bietensap en een tik op zijn kont het asfalt op sturen. Maar Michael zei iets anders. Michael zei dat hij dat lastig vond. En dat hij het een beetje hypocriet zou vinden als hij zijn zoon op het hart zou drukken niet hetzelfde te doen als hij. Ja, dat het niet goed was dat hij dat nu zo zei, dat wist hij ook wel. Maar ja, wel eerlijk. Boogerds woorden lichten een tipje op van de groezelige sluier waarachter heel veel andere renners zich nog altijd proberen te verschuilen. Terwijl ieder weldenkend mens toch wel weet dat de wereld geen zwart-wit paradijs is, en de wereld van de topsport al helemaal niet. En toch willen we heiligen en helden die we kunnen vereren en snoodaards die we kunnen vervloeken. We willen keurig afgetekende hokjes, overzichtelijk naast elkaar. Grijstinten zijn te ingewikkeld en te groezelig, die hebben te veel mitsen en maren in het kielzog. We willen aardige renners die niet hebben gebruikt en we willen klootzakken die het wel deden. Dat Michael Rasmussen nu namen noemt die wat ons betreft in de goede hokjes horen, is geen reden hem niet te geloven. De – aardige! – renner die niet eens weet wat hij zou doen als het om zijn zoon ging, maakt dat wel duidelijk.

Naschrift: De waarheidscommissie waar Lance Armstrong zo naar zegt te verlangen, is met de verhalen van Michael Rasmussen hopelijk weer iets dichterbij gekomen. Waarschijnlijk is Lance zelf al tijden aan het oefenen op een waardig loopje naar de getuigenbank en een op bijbel, moeder en kinderen uitgesproken eed. ‘I solemnly swear…’, en daarna zo’n blik die de rechtszaal doorklieft – ik verheug me er enorm op. 

Het is Koers.nl; 5 november 2013

De gesmoorde hartstochten van Mien van Bree | De Muur

IMG_1108Kwee werd ze genoemd, in het dorp waar ze werd geboren, opgroeide en – met een onderbreking van een paar jaar – haar leven lang woonde. Kwee. Een ouderwets woord met verschillende betekenissen. Hermafrodiet is er een van. Tweeslachtig ook, en manwijf. En inderdaad, ze was groot, stevig gebouwd, met handen als kolenschoppen. Een – zo zei iemand die vroeger bij haar in de straat woonde – tamelijk seksloze vrouw eigenlijk. Dorpsgenoot Piet Moeskops zag echter iets anders in haar. Talent.

De vrouw in kwestie, Mien van Bree, joeg in haar jonge jaren regelmatig achter bussen aan. Plat voorovergebogen op haar fiets racete ze door de straten van Loosduinen, om daarna af te buigen en de benen in de duinen nog wat extra af te harden. Piet Moeskops, vijfvoudig wereldkampioen op de sprint en in de nadagen van zijn carrière, besluit op een goede dag eens een paar ritjes met dat meisje uit de Trompstraat te maken. Na een paar van die tochtjes is hij overtuigd: Mien heeft talent. Sterker nog, als die meid op een racefiets zou gaan zitten, zouden er heel wat jonge renners zijn die nog moeite zouden moeten doen haar te kloppen. Als hij dat tegen Mien zegt, begint zich in haar binnenste iets te roeren. Niet dat ze daar meteen woorden aan kan geven, aan dat gevoel. Ja, zo’n twintig jaar later, toen haar fiets allang een vaste plek naast haar opklapbed had, toen vermoedde ze wel wat haar als jonge meid had bezield. Eerzucht, dacht ze. Pure eerzucht. Een emotie die ze dan echter alweer een paar jaar op andere manieren weet te smoren. Net zoals ze dat met die andere gevoelens ook doet.

De zoektocht naar Mien van Bree begint heel banaal, op Google. Via de website van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en die van het Centraal Bureau voor Genealogie komt Mien iets dichterbij, maar het beeld blijft wazig. Tot een archivaris zich ermee bemoeit en een advertentie uit 1983 vindt. ‘Heden is geheel onverwachts van ons heengegaan onze zuster, schoonzuster, tante en nicht WILHELMINA ELIZABETH VAN BREE op de leeftijd van 68 jaar. Uit aller naam: A.W. van Bree.’
Geen man.
Geen kinderen.
En op het vermelde adres woont nu een andere familie.

Miens nicht mevrouw Barendse blijkt een paar jaar geleden naar een serviceflatje te zijn verhuisd. Ze is de tachtig gepasseerd, maar nog altijd bij de tijd. Haar tante paste vroeger vaak op haar, vertelt ze trots. Legio herinneringen heeft ze daaraan: haar tante nam haar vaak mee naar het strand en naar de stad en bij tante Mien thuis mocht ze zelfs met water spelen. ‘Het was een lieve vrouw hoor, tante Mien.’ Over het fietsen weet ze echter weinig. Toen was ze net te jong, zegt ze, en later werd er niet meer over gesproken. Wel heeft ze nog wat foto’s, uit het huis van tante Mien. Het zijn familiekiekjes. Een racefiets is nergens te bekennen.

In oktober 1934 schrijft Mien van Bree zelf een kort artikel voor het sensatieblad Het Leven Geïllustreerd. Een halve pagina, aan weerszijden twee foto’s: op de linkerfoto staat een keurige jongedame die zich op een even keurig borduurwerkje concentreert, op de foto rechts poseert diezelfde jongedame in een shirt met korte mouwen, een korte koersbroek en tot op de enkels afgestroopte kousen. Haar handen rusten op een racefiets. Mien vertelt dat ze ‘Wielerkampioene van Holland’ is geworden. Een officieuze titel, voegt ze er direct aan toe: ‘… omdat bij ons in Holland het dameswielrennen hoegenaamd geen burgerrecht heeft.’ Daarom rijdt Mien in België waar ze tijdens het laatste wereldkampioenschap derde werd; reden voor de wedstrijdjury haar tot kampioene van Holland uit te roepen. Ze schrijft dat ze veelvuldig op de rollen traint en van dorpsgenoot Piet Moeskops adviezen krijgt. Naar de wedstrijden in België gaat ze op de fiets: als ze om zes uur vertrekt, is ze rond een uur of twaalf in Brussel. Haar grootste rivale is haar Belgische vriendin, Mej. De Bruyn… Haar eerzucht heeft zich vertaald naar grote ambities: Mien wil het wereldkampioenschap op de weg en op de korte baan op haar naam zetten. ‘En ik ben er van overtuigd dat ik daardoor een steentje zal bijdragen in de propaganda voor de dameswielersport in ons land. […] het zal op den duur wel zoover komen, dat wij in rennerskostuum op onze rennersfiets niet meer uitgelachen worden, zooals thans nog zoo dikwijls geschiedt. Daar stoor ik mij echter niet aan en ik ga rustig mijn gang met de beoefening van de wielersport, waaraan ik met hart en ziel mij geheel geef.’
Mien is negentien jaar.

Vijf reacties komen er, op het artikel in de Loosduinse huis-aan-huiskrant. Drie mensen komen niet veel verder dan ‘het was een struise vrouw’, maar de andere twee zijn veelbelovender: buurmeisjes van vroeger.
Het eerste buurmeisje doet dubbelgevouwen over haar rollator de deur open en steekt een klein en rimpelig handje uit. Aan de telefoon had ze al verteld dat ze jarenlang tegenover het gezin Van Bree woonde. De oorlog was voorbij en Mien woonde alweer een paar jaar thuis. ‘Ja, die moest voor haar moeder zorgen. Dat mens lag altijd op bed. Zielig hoor.’ De oude dame zucht. Als het gesprek even later op het schilderij komt, veert ze echter op.
‘Dat was wat,’ knikt ze. ‘Ik denk dat ik tien was, ja, dat moet haast wel. In de zomer ging ik altijd naar mijn tante in Brussel. Op een dag zit ik daar de gazet te lezen en wat zien ik? Een foto van Mien! In de gazet in Brussel! Ik begreep er niks van. Ik heb die gazet mee naar huis genomen aan Mien gegeven. Och, ze vond het zo leuk, ze kon er niet over uit. Ze heeft er een schilderij van laten maken hè, dat is dus dat schilderij wat ze vasthoudt op die krantenfoto. Ze had die trui aan, met die strepen erop. Een kampioenstrui, jazeker.’ De bewuste foto stond in 1976 in de plaatselijke krant en was gemaakt ter gelegenheid van het enige publieke optreden dat Mien in haar woonplaats ooit ten deel viel: het in gang schieten van de Loosduinse Wielerronde van dat jaar. De foto laat een inmiddels gepensioneerde Mien zien, met in haar handen het schilderij van een jonge Mien. In de gestreepte kampioenstrui. Het buurmeisje had er indertijd geen idee van dat Mien zo goed had gefietst. Eigenlijk wel logisch ook, vindt ze nu: ‘Daar werd toen niet over gepraat, dat deugde niet. Daarom woonde ze eerst natuurlijk in België.’ Volgens haar was Mien thuis niet gelukkig. ‘Een vrouw hoort niet alleen te zijn, hè. Maar Mien is nooit aan de man gekomen.’ Veel later, als het gesprek eigenlijk al ten einde is, blijkt dat er nog iets meer aan de hand was. Miens vroegere buurmeisje is bijna onverstaanbaar als ze fluistert dat de mensen in het dorp Mien niet accepteerden. ‘Ze zeiden dat ze een kwee was. Erg hoor, dat mens was gewoon hartstikke lief.’ Het andere buurmeisje gebruikt de woorden ‘doodgoed wijf’ om Mien te beschrijven – en totaal seksloos, voegt ze er ook nog aan toe. ‘En daar werd natuurlijk over geluld, je weet hoe dat gaat in kleine dorpjes. Afschuwelijk, dat arme mens!’ Mevrouw Barendse wil er weinig over kwijt, herhaalt alleen dat haar tante vóór alles ontzettend lief was. ‘Ze cijferde zichzelf helemaal weg, altijd.’
Behalve dan in de periode dat ze het lef had tegen haar tijd in te leven.

Toen Mien een gekromd stuur op haar fiets zette en achter de bussen aan begon te jagen, was dat niet iets wat jongedames normaal gesproken deden. Eigenlijk ben ik te vroeg geboren, zegt ze er jaren later zelf een keer over. Want ja, in haar tijd behoorden jongedames te werken, een vriendelijke jongeman tegen het lijf te lopen, zich te verloven, te trouwen en moeder te worden, waarna een bestaan als huisvrouw volgde. Maar niet voor Mien. Mien wilde fietsen, ondanks dat de sportende vrouw in de jaren voor de oorlog onderwerp van felle discussies was. Jongedames mochten best een beetje sporten, zolang dat maar niet ten koste ging van hun natuurlijke gratie. Zwemmen was akkoord, turnen benadrukte de vrouwelijke sierlijkheid ook meer dan voldoende en atletiek was nog net toegestaan. Een te fanatieke aanpak diende echter te worden vermeden: de risico’s voor charme en gezondheid – en in het bijzonder de “specifiek-vrouwelijke organen” – waren te groot. Dat de racefiets uit den boze was, moge duidelijk zijn. De enkele vrouw die zich op een racefiets waagde, werd uitgelachen en nagewezen. Overigens waren het niet alleen de mannen die ervan overtuigd waren dat van die sportende vrouwtjes weinig terecht kon komen. Het Nederlandse sportblad Sport in Beeld publiceerde met enige regelmaat bijdrages van een dame die zich inzette voor vrouwensport. De reacties die zij op haar artikelen ontving, logen er niet om. Zo schreef een zeer bezorgde moeder dat de vrouw naar haar aard in huis hoort: de enige taak die zij heeft te vervullen, is die van echtgenote en moeder. Al die aandacht voor gezondheid is maar malligheid, vond ze. ‘Vindt gij het een smakelijk gezicht om meisjes en getrouwde vrouwen te zien fietsen met bloote benen, leelijk verbrand en met muggebeten?’

Mien is zestien als ze samen met een paar vriendinnen de eerste Nederlandse dameswielerclub opricht. Het is 19 november 1931. Van de wielerclub is slechts een foto bewaard gebleven: “Wielrennen, Dames, Oprichting Dames rennersclub te Den Haag, de dames met geheel links Mien van Bree onderweg tijdens hun eerste wedstrijd, 19 november 1931”, aldus het fotobijschrift. Het is koud: op Miens donkerblonde haar prijkt een gebreide muts en haar handen zijn in dikke handschoenen gestoken. Verder een donkere trui op een iets lichtere plusfour. Effen kousen. En wielerschoentjes in toeclips.
Wielerschoentjes!
Toeclips!
Naast haar nog vier meiden, twee van hen net als Mien in een diepe zit, met de handen in de beugels. De andere twee zitten op een fiets met een recht stuur. Vier broeken, één rok. Halflang haar, alle vier. In de verte staat een groepje mannen te kijken, sommige heren buigen zich zelfs naar voren om een glimp van de dames op te vangen.
VIOS, zo noemen ze hun wielerclub. Vooruitgang Is Ons Streven. En vooruit wilden ze, zo vertelde mede-oprichtster Leni Bulté in 1986 in een interview met WielerRevue. Ze zorgen voor uniforme kleding, met op de achterzijde van de bruingele shirts de letters VIOS. Erbij een mooie bruine plusfour, een echte koersbroek is dan nog net iets te vooruitstrevend. Leni doet ook uit de doeken hoe ze ertoe kwamen in België te koersen. ‘Bij ons thuis lazen we de Gazet van Antwerpen en daar stond in dat er daar dameswedstrijden werden georganiseerd.’ Ze vinden iemand die hen wil contracteren en voilà, daar gaan de meiden van VIOS, op de fiets naar Antwerpen. Koers willen ze, en koers krijgen ze, tot aan de wereldkampioenschappen toe. ‘Er kwam ontzettend veel volk op af. Het was zo serieus dat de tramrails die over het wedstrijdparcours liep, met gips was dicht gesmeerd.’ Ruim vijftig jaar na dato verbaasde Leni zich er nog over.

Het verschil met Nederland was inderdaad groot: afgezien van een ludiek vrouwenwedstrijdje tijdens de jaarlijkse Scheveningse Veldrit was dameskoers absoluut verboden. Maar ook in België hadden de voorstanders van de dameskoers het pleit niet zonder slag of stoot gewonnen. Nadat een eerdere vrouwenkoers uiterst succesvol was verlopen, probeerde het Antwerpse gemeentebestuur in 1927 een vrouwenkoers te verbieden. Met dat verbod waren de rapen gaar. De sportpers bemoeide zich ermee, net als tal van voor- en tegenstanders; de zaak ontaardde in een ware polemiek. Van de weeromstuit wilde zo ongeveer iedere gemeente een dameskoers organiseren, aandacht leek tenslotte al gegarandeerd. En aandacht kwam er, met duizenden en duizenden toeschouwers die allemaal wilden zien waar ‘die sportvrouwtjes’ toe in staat waren. In eerste instantie waren het vooral wedstrijden op de weg, maar het duurde niet lang voor de vrouwenkoers ook voor een opleving van nagenoeg ter ziele gegane wielerbanen zorgde. Toen daarna ook de Antwerpse sportpromotor Jos De Stobbeleire zich voor de dameskoers besloot in te zetten, kregen de wedstrijden nog meer cachet. Maar ook in België waren er journalisten die de wedstrijden afkeurden. Zo trok een journalist van de Geïllustreerde Sportwereld fel van leer tegen het WK van 1934, hetzelfde WK waarover Mien in Het Leven Geïllustreerd vertelt. Volgens de krant was het een schandelijke vertoning geweest, die puur om geldgewin ging: van de 50.000 frank aan prijzen werd maar amper 7.500 uitgekeerd. Ook wond de schrijver zich op over het geknoei met de nationaliteiten van de rensters: de kampioene van Luxemburg was in werkelijkheid gewoon een meisje uit Anderlecht! Overigens had hij daar wel een punt: het aantal deelneemsters uit landen als Frankrijk, Italië, Duitsland, Luxemburg en Groot-Brittannië was relatief klein, terwijl de organisatie wist dat een internationaal deelnemersveld altijd meer publiek trok. Aldus werd bijvoorbeeld Miens clubgenote Leni Bulté eens gepromoveerd tot kampioene van Duitsland; een land waarover haar zoon later vertelt dat zijn moeder er zelfs nog nooit geweest was. Wat de journalist van de Geïllustreerde Sportwereld hierbij vergat te vermelden, was dat de weinige buitenlandse meiden die aan de start verschenen, wel de sterkste wielrensters van hun land waren. Dat feit had zijn mening waarschijnlijk niet doen kantelen; hij vond het simpelweg een ergerlijk en ‘menschonteerend’ schouwspel. En bovendien: zulke prestaties ‘berokkenen oneindig veel schade aan de gezondheid dier schepsels’. Helaas voor deze journalist heeft de vrouwenkoers dan – zeven jaar na de poging van het Antwerpse gemeentebestuur een vrouwenkoers te verbieden – al vaste grond onder de voeten gekregen: tijdens het WK van 1934 staan er duizenden – volgens Sportwereld zelfs tienduizend – toeschouwers langs het parcours.
Mien zelf eindigt tijdens het WK van 1934 als derde, schrijft ze een paar weken later in haar verhaal in Het Leven Geïllustreerd. In Sport in Beeld van 25 september van dat jaar verschijnt een kort bericht over de Loosduinse wielrenster Mien van Bree die te Brussel derde werd bij een internationale wielerwedstrijd voor dames, “waaraan de ietwat hoogdravende titel van wereldkampioenschap verbonden was. Mej. Van Bree kan als kampioene van Nederland beschouwd worden.” En in de kolommen van het Algemeen Handelsblad staat in november van dat jaar een artikel over de opening van de Zesdaagse op de R.A.I.-baan te Amsterdam. Daar moesten de renners voor even plaats maken voor de ereronde van “Mej. Mien van Bree, een Nederlandse wielrenster, […]. Volgens den luidspreker was zij derde aangekomen in het wereldkampioenschap voor vrouwen […]” Dat Mien hier een ererondje mocht rijden, was trouwens uniek en zou – ondanks haar latere successen – nog maar één keer voorkomen.
Maar goed. Derde. Mooi resultaat.

In het Vlaamse weekblad Sportwereld van 17 september 1934 is de top-vijftien van het WK terug te vinden. “Eerste werd onze landgenote Elvire Debruyn, tweede Debock en derde Peelman.” Derde. Peelman. Niet Van Bree. Die werd volgens Sportwereld achtste.
Ook in Nederland verschijnt een verhaal waarin Mien als achtste wordt vermeld. B.v.D., ofwel oud-renner, sportjournalist en medeoprichter van de Nederlandse Wieler Unie jhr. G. Bosch van Drakestein, woont de WK-wedstrijd bij; een kolossaal succes vindt hij het. In Sport-Echo, het ledenblad van de Wielerunie, schrijft hij erover. ‘Vijftigduizend francs aan prijzengeld, veertig deelneemsters uit onder andere België, Nederland, Frankrijk, Engeland en Italië en meer dan honderdduizend mensen langs het parcours. Winster en wereldkampioene werd Elvire Debruyne met een tijd van 2 u. 41 m. 56 s. voor de 90K.M., dat is 33 K.M. 330 M. gemiddeld per uur, een gangetje dus dat respect inboezemt,’ vindt B.v.D., om daarna het lijstje af te maken: tweede mej. De Bock, 3e Peelman, 4e Samijn, …, 8e Van Bree. Achtste.
Is Mien niet tevreden over die achtste plaats? Een combinatie van eerzucht en jeugdige overmoed, met in haar achterhoofd het vermoeden dat de Nederlandse pers haar woorden niet zal controleren, omdat de vrouwenwielersport toch geen bestaansrecht heeft? Of heeft ze die betere uitslag nodig om haar ouders over te halen in te stemmen met het drieste plan waarmee ze dan waarschijnlijk al een tijdje rondloopt?
Want Mien realiseert zich inmiddels wel dat de sport waar ze zich met hart en ziel aan geeft, in Nederland geen toekomst heeft. Ja, er zijn wel wat mensen die haar prestaties op waarde schatten. Zo krijgt ze zelfs een gratis racefiets van Magneet. ‘Een herenmodel, want een damesmodel was voor de wedstrijden veel te slap,’ vertelt ze later. Waarom fietsfabrikant Magneet haar een – zeker voor die tijd niet goedkope – racefiets geeft, ligt vermoedelijk in het feit dat de fabrikant in deze jaren flink aan de weg timmert om de naamsbekendheid te vergroten. Magneet ziet in de wielersport een uitstekend middel om dat te bereiken en zou niet veel later, als eerste Nederlandse fietsfabrikant, een eigen, professionele wielerploeg van de grond tillen.
Trouwens, ook Bosch van Drakestein zelf weet Miens prestaties op waarde te schatten, maar net als Mien beseft hij dat Nederland er nog niet klaar voor is: ‘Bij ons in Holland zou zooiets niet kunnen. Wij hebben immers een wegwedstrijdverbod. Maar al ware er een particulier terrein te vinden, dan nóg zou het hier niet gaan. Wij Hollanders zijn voor zooiets immers veel te deftig! Véél te dàftig zàg!’
Mien legt zich er niet bij neer. Ze heeft een droom en die wil ze waarmaken ook. Ze besluit Loosduinen te verlaten. Alleen. Bij die stap speelt vermoedelijk nog iets mee, maar daar hadden Miens ouders toen geen idee van, denkt mevrouw Barendse. ‘Misschien hebben ze het vermoed. Maar weten? Nee, de schande zou te groot zijn geweest.’
Mien verhuist naar België. Helaas weet de familie niet waar ze in die jaren precies heeft gewoond. Wel weet haar nicht dat Mien een café had. Of in een café werkte. De naam? Geen idee.
‘Er werd nooit over gepraat hè,’ zegt ze opnieuw.
Alsof dat deel van Miens leven onzichtbaar moest blijven.

Uiteindelijk blijkt de familie toch nog wat foto’s te hebben. Foto’s uit België. Mien op een fiets op een wielerbaan. Mien met een bos bloemen, ook op een wielerbaan. In pullover en plusfour en met de fiets aan de hand, poserend voor een café. Gezellige kiekjes zijn het, van die kiekjes die ze misschien wel eens in een envelop stopte en naar Loosduinen stuurde, zodat ze daar wisten dat het goed met haar ging. Het zijn echter geen foto’s die Mien dichterbij brengen. Dat doen de laatste paar foto’s uit de serie wel. Op een van die foto’s staat ze onder een boom. Naast haar een vrouw. Ze hebben de armen schuchter om elkaars middel geslagen. Ze lachen, Mien wat ingetogener dan de vrouw naast haar. Op een andere foto dragen ze allebei hetzelfde shirt, met een klein wybertjesvormig logo op de rechterborst: Alex. De meest veelzeggende foto lijkt in een pasfotohokje te zijn gemaakt. Dicht tegen elkaar aan. De degelijke donkere jassen en de witte kraagjes daaronder contrasteren fel met de blik die ze uitwisselen. Het is de blik die Fausto Coppi en Giulia Occhini elkaar in 1953 toewerpen als zij hem na het behalen van de wereldtitel de bloemen overhandigt. De blik waarin alles gebeurt, terwijl de wereld wegvalt.
Heeft Mien ook deze foto’s in een envelopje gestopt en naar huis gestuurd? Of heeft ze die blik haar leven lang voor zichzelf gehouden? Gekoesterd, als een kostbaar kleinood, slechts gedeeld met de kanaries die ze jaren later in haar keukentje kweekte?
Ook dat weet Miens nicht niet.
Ze weet echter wel wie die vrolijk lachende vrouw naast Mien is. Na de oorlog, toen Mien alweer een paar jaar in Loosduinen woonde, kwam ze wel eens op bezoek. Gewoon als vriendin hoor, voegt ze daar gehaast aan toe.

Maria Gaudens, zo heet ze. Wielrenster. En hoofdrolspeelster in een artikel in het Soerabaijasch Handelsblad, de krant die in augustus 1933 bedenkt dat het ‘kampioenschap van Europa door vrouwelijke wielrenners’ misschien een leuk verhaal voor de vrouwenrubriek kan opleveren. Zodoende reist de journaliste van dienst op zondag 27 augustus 1933 naar Waterloo – niet wetende dat dat uurtje trammen het begin is van een uniek artikel. Als ze in de loop van de ochtend aankomt in het kleine dorp, ziet ze hoe de deelneemsters aan de wedstrijd zich, zittend aan tafels op straat, voorbereiden. Een van die rensters nodigt de journaliste uit aan te schuiven, aan haar tafel is toch nog een stoeltje vrij. Aldus maakt de journaliste kennis met Maria Gaudens, ‘een rossig blonde twintigjarige (natuurlijk met gepermanente haren, er is hier geen vrouw die zónder loopt) een stevige meid met een paar krachtige beenen, een sympathiek gezicht, heldere, blauwe oogen, wat sproeten op de rozig verbrande huid. Met de ellebogen op tafel zat ze op haar gemak met de vingers een bleekvleezig gebraden kippetje te beplukken.’ De journaliste besluit Maria de rest van de dag te volgen. Maria blijkt zich gedegen voor te bereiden op de koers. Haar broer komt zo om haar benen te masseren, vertelt ze de journaliste, maar eerst moet ze zich nog omkleden. Als ze even later terugkomt, heeft ze haar gekleurde trui en haar bruine plusfour ingeruild voor een blauw truitje en een korte, zwarte broek. Op haar rug prijkt een groot vierkant stuk stof. Nummer tweeëntwintig is ze vandaag. Na de massage vult ze de voorop haar shirt genaaide zak met druiven, een fles drinken verdwijnt in een zijzak. Tot slot breekt ze twee rauwe eieren stuk en giet ze achter elkaar naar binnen. Dan is het tijd. Koers!
Bijna zestig deelneemsters staan aan de start van dit EK en ze hebben vijfenzeventig kilometer voor de boeg, verdeeld in veertien rondjes om het dorp. Langs de gehele route staat het publiek, dicht opeengepakt. De rensters maken er een harde koers van; in de eerste paar rondes ziet Maria nog kans haar familie in het voorbijgaan toe te knikken, maar al in de vijfde ronde is het volle bak. De gezichten worden roder, de gepermanente kapsels zakken per ronde verder in en de grimassen worden steeds krampachtiger. Dertig kilometer per uur, schreeuwt de speaker. Ook het publiek schreeuwt, Vlaamse en Franse uitroepen galmen door de straat. ‘Elvire, Elvire, c’est Elvire!’ Elvire De Bruyn – de grote ster van het peloton – wint, afgetekend.
Na afloop vindt de journaliste haar hoofdpersoon terug in het café, met haar familie in een kringetje om haar heen.
‘Se is weir gefalle,’ zegt moeder Gaudens.
Maria trekt een grimas terwijl ze nog wat aangekoekt zand van haar benen probeert te vegen. Ze is al bij de dokter geweest, vertelt ze. ‘Me tande stonde heilemaol scheif en die het de dokter weer recht geslaoge. En d’ne bult op het vourhoufd heit ie met een leige bierflesch weer gladgerold.’
Zich verbazend over de aanpak van de dorpsdokter geeft de journaliste Maria nog een glas bier en besluit dan terug te gaan naar Brussel. Daar zal ze later die week haar verhaal over de dameskoers op papier zetten, een verhaal waarmee ze de lezers van het Soerabaijasch Handelsblad een uniek inkijkje in het leven van een wielrenster geeft. Tachtig jaar later kleuren haar woorden ook het leven van Mien van Bree weer wat verder in.

De zoektocht naar Miens woonplaats in België heeft nog niets opgeleverd. Een tijd lang lijkt het antwoord binnen handbereik te zijn, vanwege de foto waarop ze met haar fiets aan de hand voor een café poseert. De wegwijzer op de foto wijst naar Erembodegem, inzoomen maakt zelfs de naam van het café zichtbaar: Het Houten Hand. Een café dat nog altijd bestaat. Aan de buitenkant verraden slechts de auto’s op de parkeerplaats de sprong in de tijd. Ook binnen is er weinig veranderd, vertelt de eigenaar van het etablissement. Houten lambrisering, uitgesleten houten planken op de vloer, houten hekjes die de grote ruimte in gezellige hoekjes opdelen en achterin de zaak een strak gelakte bar met glanzende bierpompen. Heeft Mien op deze zelfde planken rondgelopen, rennend van de ene bestelling naar de andere? Een wit schortje voor, misschien zelfs een gesteven kapje op haar hoofd? Best mogelijk: Erembodegem ligt in het toenmalige centrum van de vrouwenkoers en volgens het register van notaris De Vuyst, die café Het Houten Hand in 1940 per openbare verkoping aanbiedt, beschikt het pand over ‘vier groote slaapkamers en ruime zolders’; ruimte genoeg voor een inwonende serveerster. Helaas heeft de huidige eigenaar nog nooit van Mien van Bree gehoord. En nee, de foto heeft hij ook nog nooit gezien.
Miens nicht maakt resoluut een einde aan het beeld van Mien met een dienblad vol bier in Het Houten Hand. Ze schudt nee terwijl ze met haar vinger op de foto tikt. ‘Het café heette Holland. Of zoiets. Holland kwam in ieder geval in de naam voor. Ja, dat weet ik zeker, hoor. Ik heb er nog een foto van gehad, het was zo’n café met een terras ervoor.’
Holland? Ze knikt. Holland, ja. En trouwens, de naam Aalst heeft ze ook wel vaker gehoord. Waarom ze zich dat eerder niet eerder herinnerde, weet ze niet.
De cafénaam Holland in Aalst leidt echter tot niets. Ja, er waren wel een paar cafés met Holland in de naam, ook in Aalst. Maar van Mien van Bree geen spoor.

In de stilte achter de zware getraliede deuren van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel komt Mien toch weer wat dichterbij. Op 4 augustus 1934 bericht Het Laatste Nieuws over het kampioenschap van België dat de volgende dag in Leuven wordt verreden. Op de lijst der deelneemsters prijkt Miens naam, direct na die van Elvire De Bruyn. In de krant van 5 augustus wordt de uitslag vermeld: Elvire wint, op de vijftiende plaats staat ene Vanbrie – de journalist had waarschijnlijk haast. Het verslag van het “Championnat du Monde” te Schaarbeek verhaalt over Elvire De Bruyn die op onbetwistbare wijze wereldkampioene wordt; men schat de massa op honderdduizend mensen. Mien staat in de uitslag als achtste vermeld. In juli 1935, op het kampioenschap van Antwerpen, wordt Mien derde. Maria Gaudens wint de koers. Ook in andere uitslagen komt Mien voor: tijdens een koers van vijfenzeventig kilometer in Lessen wordt ze zevende, tijdens het kampioenschap van België in 1935 wordt ze vijfde, tijdens een wegrit in Moustier tweede. Ook andere kranten maken melding van Mien. De Schelde vraagt zich op 29 juli 1934 af wat Elvire De Bruyn en haar Belgische collega’s gaan doen tegen de kampioene Van Bree die zich ook heeft ingeschreven voor het baankampioenschap van Antwerpen. En op 5 september van datzelfde jaar besteedt Sportwereld aandacht aan Mien: “Alphonse Schada [hier wordt waarschijnlijk ‘Strada’ bedoeld, MT] heeft haar uiterste best gedaan, leverde puik werk, maar toch dient de Hollandsche Mien voor alle het meest geloofd!” De koers, het Europees kampioenschap voor dames, trok een publiek van duizenden, ondanks dat de regen halfkoers bij beken neerviel. “We moeten lang terugdenken om nog zulke reuzenstrijd te herinneren. Wat emotie!” vindt de journalist. Elvire De Bruyn wint de sprint. Mien wordt vijfde.
Uitgebreide wedstrijdverslagen zijn er echter niet en naarmate de gloriejaren van Mien naderen, worden ook de uitslagen schaarser. Wel is er een serie verhalen over Elvire De Bruyn: “Hoe ik van vrouw man werd”. In april 1937 laat dagblad De Dag Willy – voorheen Elvire – aan het woord over zijn nieuwe leven en de wanhoop, schaamte en verwarring waaronder hij tot zijn geslachtswisseling gebukt ging. Hij wil het opnieuw gaan maken, vertelt hij, als wielrenner, in plaats van als wielrenster. Maar terwijl het mannenpeloton er een renner met een verhaal bij heeft, verliest het vrouwenpeloton met Elvire een populaire publiekstrekker. Daar komt bij dat de Belgische Wielrijders Bond BWB zich al in 1935 begint af te zetten tegen de vrouwenkoersen. De bond verbiedt velodrooms koersen voor vrouwen in te richten, op straffe van schorsing. Veel velodrooms leggen het verbod naast zich neer; de vrouwenkoersen zorgen voor volle tribunes, een zegen voor de vele velodrooms die het hoofd maar ternauwernood boven water weten te houden. Het lijkt er echter op dat dit verbod, in combinatie met het verdwijnen van de absolute ster van de vrouwenkoers, ervoor heeft gezorgd dat de aandacht van het Belgische sportjournaille na 1937 verflauwt.

De geslachtsverandering van Elvire biedt Mien nieuwe kansen. In 1937 wordt ze Europees kampioene, maar haar grootste ambitie – de wereldtitel – weet ze niet te verwezenlijken. Ze wordt tweede. Op zondag 16 oktober 1938 probeert ze het opnieuw. Dat WK vindt plaats in La Louvière, zo’n vijftig kilometer onder Brussel. Het weer is redelijk goed: zo’n dertien graden, weinig zon, droog. Net als altijd controleert Mien haar fiets zelf en houdt ze de Magneet angstvallig bij zich, beducht voor de supporters van haar concurrentes die haar fiets al eens eerder onklaar maakten. Ze is geconcentreerd en weet dat ze alert moet koersen; winnen lukt alleen als ze zowel het peloton als de pech voorblijft; het zou niet voor het eerst zijn dat het halve peloton lek reed op uitgestrooide kopspijkertjes.
Een paar uur later staat Mien van Bree op het hoogste treetje van het podium, de overwinningspalm tegen de borst gedrukt. Misschien heeft ze zelfs een medaille om haar hals. Het Zaans Volksblad plaatst later die week een klein berichtje: de Loosduinse Mien van Bree is in La Louvière wereldkampioene wielrennen geworden. Ook de rubriek ‘Eigenwijze overwegingen’ van Sport in Beeld gaat kort in op Miens wereldtitel: ‘Alle respect voor Mien van Bree, maar ik moet toch eerlijk bekennen dat ik daar niet van houd. Niet alle sporten kunnen tenslotte door vrouwen beoefend worden en het wegrennen is daar een van.’ Voor de propaganda van de dameswielersport is een Nederlandse wereldtitel niet genoeg.
In 1954 reist Bosch van Drakestein af naar Loosduinen, voor een interview met oud-wielrenster Mien van Bree. Hij schrijft dat Mien haar wereldtitel van 1938 in het daarop volgende jaar weet te prolongeren en dat ze in 1939 ook weer Europees kampioene wordt. Het wonderlijke is echter dat Mien haar eerste wereldtitel volgens hem in Roucourt behaalde, terwijl de twee korte artikelen die vlak na die overwinning verschenen, La Louvière vermeldden. Ook de derde plaats op het WK van 1934 komt in het verhaal weer voorbij – ondanks dat Bosch van Drakestein zelf in 1934 nog schreef dat Mien achtste was geworden. Van de overwinningen die Mien in 1939 behaalde is tot nu toe in de archieven niets te vinden.

Als het Duitse leger in mei 1940 Nederland en België onder de voet loopt, blijft Mien in België wonen. Een jaar later gaat ze echter alsnog terug naar Loosduinen. Haar moeder lijdt al jaren aan reuma en de ziekte heeft haar gestel zo aangetast dat ze niet langer voor haar man en nog thuiswonende zoon Aad kan zorgen. Per brief vraagt ze haar enige dochter naar huis te komen. Mien zegt haar leven in België vaarwel, neemt haar fiets mee en zet deze naast haar opklapbed, in de kleinste slaapkamer van de bovenwoning aan de Tramstraat waar haar ouders dan wonen. Vanaf dat moment lijkt ze af te rekenen met de hartstochten die haar eerder richting het zuiden joegen; ze verstikt ze in een onvermoeibare zorg voor haar moeder en het huishouden. Haar nicht herinnert zich dat haar tante tijdens de oorlog nog wel eens op de fiets sprong en naar België reed. ‘Ging ze sigaretten halen voor haar broers. Nou ja, ze kende de weg natuurlijk.’
In 1944 wordt Miens oudste broer Jan – de vader van mevrouw Barendse – tijdens een razzia opgepakt. Hij wordt afgevoerd naar Drenthe, verdwijnt naar Duitsland en wordt in Hamburg tewerkgesteld. Tijdens een van de vele geallieerde bommenregens die de stad in maart 1945 teisteren, komt Jan om; hij was te ziek om een schuilkelder op te zoeken. De familie weet lange tijd van niets en na de oorlog gaan Miens vader en Jans vrouw iedere dag naar het Rode Kruis, op zoek naar een teken van leven. Maanden later staat er een kleine groep jongens voor de deur. Ze hebben samen met Jan in Hamburg gezeten.
En zo hebben Miens ouders opnieuw een kind te betreuren. In 1919 hadden ze Miens zus Nelly al moeten laten gaan – het meisje stierf op dertienjarige leeftijd in een inrichting in Oegstgeest. Maar met haar dood konden ze nog iets van vrede hebben; Nelly leed aan het syndroom van Down en haar ouders wisten al vroeg dat ze niet oud zou worden. Jans dood is een ander verhaal: hij had nog een heel leven voor zich. Miens moeder komt de klap niet meer te boven. In maart 1952 overlijdt ze, waarna Mien bij haar vader blijft wonen. Wel gaat ze weer werken, eerst als verpakster op de veiling, later als verpleeghulp in Rosenburgh, een psychiatrische kliniek op nog geen tien minuten fietsen van de Tramstraat. Zeven jaar na Miens moeder sterft ook Miens vader. Miens broers besluiten dat ze in de bovenwoning mag blijven wonen, als dank voor haar jarenlange zorg voor hun ouders. Mien geeft haar fiets een plekje in de achterkamer en boven de bank hangt ze het schilderij dat ze aan haar buurmeisje te danken heeft. Maar praten over haar fietscarrière, dat doet ze niet. Als iemand ernaar vraagt, verandert ze zo snel mogelijk van onderwerp. Alsof ze zich schaamde, zeggen haar vroegere buurmeisjes. Mevrouw Barendse vraagt zich dat af; haar tante praatte er gewoon niet over. Punt. Wel herinnert ze zich de affaire rondom Foekje Dillema, daar wond Mien zich enorm over op, vertelt ze. Foekje – concurrente van Fanny Blankers-Koen, die samen met haar echtgenoot een niet al te frisse rol in deze episode speelde – moest in 1950 een geslachtstest ondergaan, waarna ze gedwongen werd zich terug te trekken uit de Nederlandse ploeg. De Nederlandse Atletiek Unie schorste Foekje voor het leven, waarna de atlete zich gekwetst en beschaamd terugtrok uit het openbare leven. ‘Tante Mien vond het zo verschrikkelijk voor die vrouw. Ze heeft haar zelfs nog een brief geschreven.’ Of dat dan was omdat Mien in Foekjes verhaal iets van zichzelf herkende, dat weet mevrouw Barendse niet. Foekje heeft Miens brief in ieder geval nooit beantwoord. ‘Anders had tante Mien dat heus wel verteld, toch?’

Het contact met haar wielervriendinnen uit België is dan allang verwaterd. In de eerste jaren na de oorlog krijgt ze nog wel eens bezoek; volgens mevrouw Barendse kwam Maria Gaudens meerdere malen naar Loosduinen. Ook Willy De Bruyn bracht wel eens een bezoek aan Mien, herinnert ze zich als ze een foto van Willy ziet. ‘Met zijn vrouw, die herken ik ook nog wel.’ Dat Willy tot 1937 als Elvire door het leven ging, daar hadden de mensen volgens haar geen idee van. ‘Het was gewoon een aardige man. Miens vader nam hem altijd even mee, gingen ze tuinen. Zo noemden we dat hè, als we de tuin gingen bekijken.’
In Loosduinen heeft Mien niet veel contact met de mensen om haar heen. Naast haar werk als verpleeghulp doet ze de was voor een aantal winkeliers uit de straat, maar het zijn contacten die zich beperken tot het werk wat ze voor hen doet.
Ergens aan het begin van de jaren zeventig gaat Mien samenwonen met de twaalf jaar oudere Annie, een zus van Miens bovenbuurvrouw. Mien is dan al jaren vaste klant van Zandvliet, de slijter aan het einde van de straat – jenever blijkt een goed medicijn om herinneringen weg te spoelen en gefrustreerde gevoelens aan het zicht te onttrekken. Of Mien ook tijdens haar jaren met Annie ommetjes naar Zandvliet maakt, is niet bekend, maar de relatie loopt halverwege de jaren zeventig wel spaak. Als Mien, na een korte vakantie bij vroegere buren op de Veluwe, thuis de deur opendraait, staat ze oog in oog met een echoënde stilte. Annie is weg en heeft het hele huis leeggehaald. De klap komt hard aan. Zo hard zelfs dat Mien moet worden opgenomen in de psychiatrische instelling waar ze zelf jaren heeft gewerkt. Volgens mevrouw Barendse was haar tante in die eerste weken totaal niet aanspreekbaar. ‘Tot ze me op een dag vroeg of ik haar kon vertellen hoe ze daar terechtgekomen was. Arme ziel, ze wist het echt niet.’ Uiteindelijk overwint Mien haar zware inzinking. Ze keert terug naar haar bovenwoninkje aan de Tramstraat, waar ze kanaries gaat kweken. Ook haalt ze vissen in huis, en een kat. Maar helemaal de oude wordt ze niet meer. Ze laat zich door haar schoonzus Marie, een fanatiek aanhangster van de Jehova’s Getuigen, overhalen zich bij deze geloofsgemeenschap aan te sluiten. Al te fanatiek wordt ze niet; de vergetelheid die de jeneverfles biedt, blijkt haar beter te passen. De liefde voor de koers blijft. In 1976 vertelt ze in een interview met de plaatselijke krant – het interview dat plaatsvindt omdat ze de plaatselijke ronde in gang mag schieten – dat ze hypernerveus van spanning wordt van de Tour de France. ‘Ik zit dan volop mee te trappen en gil het uit, zo van: Nou wegsprinten en pak die cours toch!’ Eddy Merckx en Joop Zoetemelk zijn haar favorieten.
In de zomer van 1983 vraagt Mien haar nicht of die haar wil helpen met het regelen van haar uitvaart – je weet immers maar nooit. ‘Alsof ze toen iets voelde.’ Een paar weken later gaat bij Miens broer Aad de telefoon. Het is Miens buurvrouw: ze heeft Mien al een paar dagen niet gezien. Aads vrouw Jannie gaat ernaartoe en vindt de oud-wereldkampioene. Mien is dan al overleden, gestikt in haar eigen braaksel. Ze is achtenzestig jaar geworden. Als enige tijd later het huis leeg moet worden gehaald, is mevrouw Barendse er ook bij. ‘Toen maakte de huisbaas nog een opmerking over de hoeveelheid lege flessen. Daar was ik wel boos om. Dat verdiende tante Mien echt niet.’

In 1959 gaf de Nederlandse Wielerbond de eerste officiële wielerlicenties aan vrouwen uit, eenentwintig jaar na Miens eerste wereldtitel. Het officiële Nederlandse kampioenschap voor vrouwen stond in 1965 voor het eerst op de agenda.

Geraadpleegde bronnen:
Nederland
Algemeen Handelsblad; De Randwijk; Het Leven Geïllustreerd; Het Vaderland; Soerabaijasch Dagblad; Sport in Beeld / De Revue der Sporten; Sport-Echo; Sportief; WielerRevue; Zaans Volksblad
België
De Dag; De Schelde; De Sportweek; De Volksstem; Geïllustreerde Sportwereld; Het Laatste Nieuws; LiNiAal (tijdschrift van Culturele Vereniging Nieuwerkerken); Sportrevue; Wereldrevue

Het verwoeste leven van Foekje Dillema, door Max Dohle; uitg. De Arbeiderspers, 2008
In het wiel van de Flandriens, door Roger Quaghebeur, uitg. De Klaproos, 2011
Sportgeschiedenis.nl
Stuyfssportverhalen.wordpress.com

Het schrijven van dit verhaal werd mede mogelijk gemaakt door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Met dank aan de familie van Mien van Bree en alle mensen die hun herinneringen aan Mien met mij wilden delen. Ook dank aan Fredy De Schryver, Dries De Zaeytijd, Pascal Delheye, Jos Verschueren, Jurryt van de Vooren, André Stuyfersant, Paul van der Meulen, Sander Peters, Eric Hennekam, Marijn de Vries, Maarten Boers, Henk van Schaijik, Bap van Breenen en iedereen van Het Is Koers.

verschenen in De Muur, september 2013

Op 12 maart 2014 interviewde Radio 1 mij over Mien van Bree.

‘Trots is het verkeerde woord’ | Events

IMG_1147Toen hij zo’n dertig jaar geleden het bedrijf van zijn vader overnam, was een faillissement bijna onafwendbaar. Toch hield hij het bedrijf overeind. Sterker nog: tegenwoordig is de Libéma Groep een van de grootste leisure-organisaties van het land en heeft zo ongeveer iedere Nederlander er wel een keer geld uitgegeven. De plannen die directeur Dirk Lips dertig jaar geleden aan het papier toevertrouwde, vormen nog altijd zijn belangrijkste leidraad.

Dirk Lips, de directeur en grootaandeelhouder van Libéma komt keurig op tijd aangereden. Hij doet dat in een inmiddels niet meer zo piepjonge en Spartaans uitziende Landrover en weerspreekt daarmee meteen al het cliché dat een plekje in de Quote 500 garant staat voor een auto ter waarde van een gemiddeld rijtjeshuis. Verfrissend. Wanneer hij even later wordt gecomplimenteerd met het prachtig verbouwde Congrescentrum 1931 – voorheen de veemarkthallen van ’s-Hertogenbosch – glimlacht hij op een manier die verraadt dat complimenten ontvangen niet zijn sterkste kant is. Opnieuw verfrissend.

Libéma is met ruim twintig bedrijven een van de grootste leisurebedrijven van Nederland, met namen als het Safari- en Vakantiepark Beekse Bergen, het onlangs aangekochte Aviodrome en evenementen- en congreslocaties als de IJsselhallen en de Brabanthallen. Het bedrijf telt negenhonderd medewerkers, maakt een omzet van tachtig miljoen euro en ontvangt jaarlijks meer dan 5,1 miljoen gasten. Geen geringe cijfers dus. Toch vormen die mooie cijfers niet eens Lips’ grootste succes, zal hij in de loop van het gesprek vertellen. Dirk Lips blijkt zo zijn eigen kijk op zijn rol in het succes van Libéma te hebben.

Duidelijk plan
Dertig jaar geleden nam Dirk Lips Autotron over van zijn vader. Het bedrijf was op sterven na dood, maar Lips junior had er goed over nagedacht. Hij was dertig jaar, had al de nodige ervaring opgedaan in het bedrijfsleven en de studies bedrijfskunde en economie completeerden zijn bagage. Autotron paste naadloos bij zijn ambities, vertelt hij. ‘Het was altijd al mijn bedoeling een keer voor mezelf te beginnen. Toen deze mogelijkheid zich voordeed, heb ik een plan gemaakt dat ik eigenlijk tot aan de dag van vandaag tot op de letter heb uitgevoerd. Ik had een hele duidelijke visie, ja.’ Daar hoef je dus echt geen vijftig voor te zijn, wil hij maar zeggen: ‘Eerder andersom: als je dat op je dertigste niet kan, gaat het je op je vijftigste ook niet lukken.’

Lange termijn
Al vanaf het begin was het Lips’ bedoeling er zo’n groot bedrijf van te maken. Hij vond en vindt ondernemen een activiteit voor de lange termijn; snel je slag slaan past niet bij zijn karakter. ‘Daarom stelde ik een aantal randvoorwaarden op. De leisuremarkt was een goede en stabiele markt met meer dan voldoende groeipotentie. Daarnaast koos ik bewust voor de binnenlandse markt. Bij mijn vader, die een scheepsbouwbedrijf had, had ik gezien hoe besluiten op duizenden kilometers afstand het bedrijfsresultaat beïnvloedden, en dat wilde ik niet. De binnenlandse markt is stabieler en overzichtelijker, dat zie je nu ook weer. Verder wilde ik dat het bedrijf multifunctioneel werd; vandaar de verdeling in dagrecreatie, verblijfsrecreatie en beurzen en evenementen. Hierdoor spreid je de risico’s en ben je minder gevoelig voor de seizoensinvloeden.’ Nu de crisis huishoudt, blijkt opnieuw hoe verstandig deze keuzes waren; Libéma heeft relatief weinig last van de malaise, vertelt Lips. ‘We zijn nog steeds gezond. Onze strategische keuzes en de randvoorwaarden zorgen ervoor dat we crisisbestendig zijn.’

‘Het is topsport’
Het waren overigens niet alleen de harde zakelijke uitgangspunten waar Dirk Lips in zijn plan rekening mee hield. ‘Nee, dan had ik het niet gered. Als je onderneemt, moet je wel een bepaalde passie hebben. Als je je werk niet leuk vindt, straal je niet en dan werkt het niet, daar ben ik van overtuigd.’ Hij laat een korte stilte vallen, neemt een slokje thee en vervolgt dan: ‘Alles wat ze over ondernemen zeggen, is waar: je moet organisatietalent hebben, je moet mensen en middelen samen kunnen brengen, verstand van geld hebben en doelen kunnen stellen en bij kunnen sturen. En je moet heel hard willen werken, maar dat kan alleen als je een innerlijke drive hebt.’ Hij lacht: ‘Vergis u niet: het is topsport!’ Die passie komt later nog een keer ter sprake, als Lips over zijn kinderen praat: ‘Ik vind het belangrijk dat ze doen wat ze gelukkig maakt. Als je iets leuk vindt, word je er goed in, dan groeit het. Dat is wat passie doet.’

Discipline
Dirk Lips blijkt een gedisciplineerd mens te zijn, zowel zakelijk als privé. Hij rookt niet, hij drinkt niet, hij slaapt weinig – ‘maar ik zorg wel voor voldoende rustmomenten’ – en hij sport veel. Discipline en jezelf beperkingen opleggen zijn wat hem betreft onlosmakelijk verbonden met ondernemen. ‘Kijk naar Libéma: we hebben weinig geld van de bank en we hebben de afgelopen jaren uit eigen middelen geïnvesteerd. Als je bepaalde zaken in geld of mankracht niet aankan, moet je ze ook gewoon niet doen. Als ondernemer moet je weten wanneer je gas kunt geven, maar je moet ook weten waar de rem zit en daarop trappen als dat nodig is. En daar moet je consequent in zijn, anders werkt het nog niet.’ Maar hoe doet hij dat zelf dan? Dirk Lips lacht: ‘Het is een kwestie van pure discipline. Als je zegt dat je iets niet doet, moet je gewoon niet zeuren en het ook niet doen. Niet twijfelen. Nee is nee. Punt!’ Als hem wordt gevraagd of er dan helemaal geen verleidingen zijn, hoeft hij nog geen seconde na te denken: ‘Nee! En weet u hoe dat komt? Ik put veel kracht uit níet toegeven; die kracht is vele malen groter dan de vreugde van het wel bezwijken. Als je de kracht hebt om nee te zeggen, voel je misschien teleurstelling omdat je iets niet meemaakt. Maar je realiseert je tegelijkertijd dat je het eigenlijk helemaal niet nodig hebt.’ Dan, stellig: ‘Ik wil niet afhankelijk zijn. Niet van drank, niet van geld, niet van status. Ik wil vrij zijn. Daarom valt die discipline mij ook helemaal niet zwaar.’

Grootste uitdaging
Libéma is een succesvol bedrijf geworden, maar het woord ‘trots’ zal Dirk Lips niet snel over de lippen rollen. Toen hij dertig jaar geleden begon, was zijn grootste onzekerheid of het hem zou lukken een organisatie neer te zetten die ook zonder zijn leiding verder kan. Dat was de grootste uitdaging, vindt hij. ‘Als je van een soort eenmanszaak naar een bedrijf met meer dan negenhonderd medewerkers gaat, moet je door verschillende fases heen. Iedere nieuwe fase betekende dat ik het oude los moest laten en dat kostte me soms best moeite.’ Uiteindelijk staat er nu een organisatie met verschillende dochterbedrijven en een stafafdeling die al deze bedrijven bedient. Een bewuste keuze, vertelt Lips. ‘Doordat we een professionele stafafdeling hebben, kunnen de dochterbedrijven zich helemaal richten op hun gasten en medewerkers. De day-by-day-kwaliteit voor gasten en medewerkers moet goed zijn, daar moet de focus op liggen. Zonder een goede stafafdeling zou de directeur van een dochterbedrijf zich ook nog eens bezig moeten houden met maandrapportages, ICT-zaken en twintig andere dingen. Dan ga je dingen half doen en daar bereik je niets mee.’ Door de organisatie op deze manier in te richten, heeft Lips nu bereikt waar hij dertig jaar geleden zo onzeker over was. ‘Als ik stop, kan Libéma verder.’ Hij glimlacht voorzichtig: ‘Ja, daar ben ik dan wel trots op. Dat me dat is gelukt.’

Achilleshiel
Hij stipte het al even aan: de moeite die hij had om dingen los te laten toen Libéma steeds groter werd. Op de vraag wat er zo moeilijk was aan loslaten, blijft het even stil. Hij schuift wat papieren heen en weer en steekt dan van wal: ‘Eigenlijk vind ik het nog steeds het leukst om gewoon voor onze gasten te zorgen. Het is heel eenvoudig: onze gast verwacht dat het park schoon is en dat de olifanten er staan. Maar of hij ook echt een leuke dag heeft gehad, hangt van ons af. De gast is niet gek, die voelt heus wel of wij gemeend hartelijk zijn of een toneelstukje opvoeren. De omgang met gasten is het mooiste van ons vak, maar het is tegelijkertijd onze achilleshiel.’ Lips geeft dan ook grif toe dat hij het directe contact met de gasten soms mist: ‘Ja, dat is een nadeel van groot worden inderdaad. Juist vanwege die gasten heb ik voor dit vak gekozen. Ik vind mijn huidige werk ook leuk hoor, begrijp me niet verkeerd. Maar ik als hiermee ophoud, mogen ze me best weer achter de receptie of achter de bar zetten. Gewoon gezellig met de gasten bezig zijn.’
Het belang van die gastgerichtheid staat wat hem betreft dan ook haaks op de huidige trend om mensen puur op competenties te beoordelen. ‘Bij de werving en selectie moet je mensen eigenlijk een hartslagmeter omdoen om te kijken of hun hart op de goede plek zit. Dat is het eigenlijk, hè. Als je die gastgerichtheid in je genen hebt, komt de rest vanzelf. Ons vak is niet zo moeilijk, dat kun je allemaal leren. En als je het niet weet, kom je het maar vragen. Wij hebben hier iemand werken, die doet bij wijze van spreken alles fout, maar beschikt wel over de Brabantse warmte en hartelijkheid. Daardoor komt het altijd goed.’

Bescheiden
In een eerder interview vertelde Lips al eens dat hij niet van geld houdt, maar van ondernemen. Voor hem is het niet meer dan logisch: ‘Als je gaat ondernemen om heel veel geld te verdienen, gaat je dat waarschijnlijk niet lukken. Plezier is een veel sterkere succesfactor dan geld.’ Het grootste plezier is de uitdaging, vindt hij. ‘Zoals eerder dit jaar, toen we Aviodrome overnamen; daar geniet ik van.’ Het plan voor Aviodrome werkte Lips in slechts drie dagen uit. ‘Visie, marktpositionering, productontwikkeling, investeringen, exploitatieopzet, planning. Alles, ja. Het geeft een kick als tijdens besprekingen en later tijdens de uitvoering blijkt dat zo’n plan klopt. Daar krijg ik een blij gevoel van.’ Als het woord ‘trots’ opnieuw valt, schudt hij echter meteen het hoofd. ‘Nee, nee, trots is het verkeerde woord. Ik vind mezelf niet geweldig omdat ik dit kan.’ Veeleer ziet Lips zichzelf als de persoon die de zaak slechts tijdelijk beheert. ‘Die bescheidenheid, die nederigheid vind ik belangrijk. Ik ben me ervan bewust dat ik hier tijdelijk ben, en dat ik de dingen die ik hier doe, zowel zakelijk als privé, tijdelijk mág doen. Ik ben heel blij dat ik het mag. Het is niet van mij, ik ben slechts een schakel. Veel meer moet je ook niet willen. Als je dat besef hebt, ben je ook niet gevoelig voor geld of status. Natuurlijk, het is hartstikke leuk dat je ervan kunt profiteren. Maar vaak is het idee dat het kán nog leuker dan het daadwerkelijk doen. Als je het zo ziet, is geld of status of egotripperij niet het hoogste goed. Vanuit die bescheidenheid beleef ik er ook veel genoegen aan om dingen voor onze gasten te doen. Ik ben er voor de gast, van binnenuit. En de gast is er niet voor mij, snapt u? Als je dat besef van binnenuit voelt, voel je je nooit te groot of te klein en is gastvrijheid vanzelfsprekend.’ Even is het stil. Daarna legt hij beide handen voor zich op tafel. ‘Ja, dat is wie ik ben.’

verschenen in Events, winter 2012