coverEtappejpgMarianne Vos. Fanatieke veelvraat. Sympathiek en innemend. En wielericoon tegen wil en dank. Een gesprek over het voetstuk van Eddy, de verongelijktheid van Jeannie en haar eigen eigenwijzigheid. En over dankbaarheid. Dat vooral.

Aan de rand van een dorp woont ze tegenwoordig, met een adembenemend uitzicht over de velden erachter – ‘van de week liep onze poes daar zo mooi doorheen te struinen, prachtig!’ Vader Vos wijst naar een dorpje in de verte; daar woonden ze tot voor een paar maanden terug. En daar, wijst hij, terwijl zijn arm een stukje naar links beweegt, daar zien ze de Pagode van de Efteling als die omhoog komt. Jazeker, het is hier mooi wonen. En het is hier lekker rustig, zegt Marianne Vos als we een paar uur later naar haar prijzenschuurtje rijden. Ze houdt van de rust, Marianne. Ze is weliswaar geboren in een stad – ‘in het ziekenhuis van Den Bosch, de burgemeester is er nog steeds trots op’ – maar opgegroeid op het Brabantse platteland, waar ze op haar zesde begon met fietsen. Het afgelopen decennium won ze bijna alles wat er te winnen viel, op de weg, in het veld en op de baan. Hoe ze dat deed? ‘Liefhebberij. En bewijsdrang.’ Eigenwijs is ze: als de wereld zegt dat het niet kan, is zij niet overtuigd. Dat ga ik eerst maar eens proberen, denkt ze dan. Tien keer op haar bek en de elfde keer laat ze het zien: dat het dus wél kan. Iets heel goed kunnen, dat is wat ze wil. En anders? ‘Dan doe ik het liever niet. Of oefen ik net zo lang tot ik het kan. In mijn eentje, want ik vind dat leerproces verschrikkelijk. En als iemand dat ziet, is het helemaal erg.’ Maar goed, als het dan lukt… machtig! In de cross al die verschillende ondergronden tot in de finesses beheersen. Of op de weg: de tactieken tot in detail uitpluizen. Weinig mooiers dan dat. En de baan – ach, dat was eigenlijk ter ondersteuning van de weg. Bleek ze aanleg te hebben en nou ja, dan is ze dus niet te houden. Als ze daarop terugkijkt, hoe snel dat ging… ‘Een maand of zeven na mijn eerste baantraining werd ik Olympisch kampioene. Eigenlijk heb ik daar indertijd niet voldoende bij stilgestaan, hoe bijzonder dat was.’

 

‘Cannibale’

De vrouwelijke Eddy Merckx wordt ze inmiddels genoemd, in Italië noemen bijna alle wielerkenners haar ‘Cannibale’. Een vreemde gewaarwording vindt ze dat, ze is eigenlijk iets te nuchter voor zulke superlatieven. Tegelijkertijd ziet ze het wel als een mooie erkenning van de vrouwenkoers. In haar eigen land zijn ze wat minder van de heldenverering. Ze lacht: ‘In Nederland mag het niet zo, hè: anders zijn, opvallen, je eigen weg zoeken. Dat hoort niet. Bij ons word je afgeschoten als het een keer wat minder gaat. In het buitenland haalt men de schouders erover op, vinden ze dat mindere momenten er gewoon bij horen.’

Nee, Eddy heeft ze nooit uitgebreid gesproken en ja, het zou misschien best leuk zijn eens met hem te praten. Informeel dan, geen geënsceneerd gedoe. Ze heeft alleen geen idee hoe ze zou moeten beginnen… Ja, met “goedendag meneer Merckx, hoe gaat het met u?”, maar dan…? Er zijn renners zat met wie ze het gesprek heel gemakkelijk aangaat, maar Eddy… ‘Ik ben vooral benieuwd naar de man achter het beeld dat we allemaal van hem hebben en dat hij zelf ook in stand houdt; zwaktes toont hij niet. Daardoor blijft hij de grote Eddy Merckx, maar is zijn menselijke kant niet zo zichtbaar. Hij staat op een voetstuk.’

Sommige mensen zetten haar ook op zo’n voetstuk, komen dan vol oh’s en ah’s op haar af, volledig van de kaart omdat ze háár ontmoeten. Ze kan er niet zoveel mee, ze is toch gewoon Marianne? Gelukkig vergeten die mensen na een paar minuten met haar kletsen dan wel weer dat ze zo nerveus waren – kletsen ze gewoon over fietsen, niets meer, niets minder. Haar ogen glimmen: ‘Dat vind ik echt het allerleukste!’

 

Mannen. En vrouwen

De wielersport bij de mannen ontleent een deel van zijn populariteit aan de heroïek van vroeger, aan verhalen over mannen als Eddy, maar bij de vrouwen liggen die heroïsche verhalen over besneeuwde bergtoppen en heldhaftige afdalingen al jaren stof te verzamelen. Jammer vindt ze dat. Het is fantastisch dat ze nu La Course hebben, maar wie weet nog dat de vrouwen in de jaren tachtig en negentig ook over de kasseitjes van de Champs Elysees denderden, in hun eigen Tour de France nota bene! Sommige oud-rensters komt ze nog wel eens tegen. Oud-rensters die nog met Elsy hebben gereden bij de Grand Prix Elsy Jacobs, Keetie van Oosten-Hage bij het jaarlijkse wielergala. Waar ze het dan over hebben? Tja, over toen en nu toch wel. Dat die meiden vroeger op de fiets naar de koers kwamen, ook als die in bijvoorbeeld België werd verreden – zulke dingen. Maar goed, ook nu zijn er nog wielerploegen die met de trein of in met z’n achten in een klein busje naar de koers komen. Ze vindt het jammer dat die verschillen nog zo groot zijn: ‘Iedereen moet kunnen fietsen, maar in koers is het verschil tussen de professionele ploegen en de ploegen uit de onderste regionen echt enorm. Met de komst van de Worldtour voor vrouwen zal dat veranderen en ik denk dat dat goed is voor de aantrekkelijkheid van de koers. Je kunt beter een kleiner peloton goed aan elkaar gewaagde meiden hebben, rensters die professionaliteit uitstralen. Dan schotel je de fan tenminste echte topsport voor.’

Trouwens, nu ze het toch over de vrouwenwielersport heeft… wanneer houdt dat letterlijke vergelijken met de mannen eens op? Dat gebeurt bij tennis toch ook niet? Of bij zwemmen, of atletiek? Dafne Schippers die langzamer loopt dan Usain Bolt – daar heeft niemand het over. Marianne schiet naar voren, haar ogen fel: ‘Ik zat gisteren naar de cross te kijken, zei de commentator dat de afdaling bij de vrouwen toch wel wat minder hard gaat. Dan denk ik: waarom zeg je dat? Die meiden rijden net zo goed op de max!’ Hetzelfde met die eeuwige nadruk op uiterlijkheden. Vroeger zag de buitenwereld de wielervrouwen als kenaus, manwijven, ze is allang blij dat die tijd voorbij is: het vrouwenpeloton is tegenwoordig een kleurrijk geheel van opgemaakte meiden die met wapperende staarten en gelakte nagels over het asfalt suizen. Prima, wat haar betreft. Wat haar dan wel weer irriteert, is dat het daar altijd weer over moet gaan; bij mannen is dat uiterlijk toch ook geen onderwerp van discussie? Maar bij vrouwensport: altijd! En het woord vrouwensport gebruikt ze bewust, ja. Kijk maar naar zwemmen, atletiek, tennis, voetbal – zodra het om vrouwen gaat, komt dat uiterlijk om de hoek kijken.

 

Eigenwijzigheid

Nee, fan van Armstrong was ze niet, Ullrich, dat was haar held; de underdog. Armstrong liet te weinig emotie zien, was te veel een machine. En over helden en heldinnen gesproken… Jeannie Longo, met haar zou ze wel eens willen praten. Een intrigerende vrouw, iemand die misschien ook niet alles goed heeft gedaan, zich al jaren afzondert en denkt dat iedereen tegen haar is. Terwijl: kijk naar haar carrière! En die drive, ongelooflijk. Die vrouw rijdt nog vrijwel wekelijks de Alpe d’Huez op, in een tijdrit tegen zichzelf. Waarom? Dat zou ze Longo dus willen vragen: waarom wil je op je 56ste nog dat gevecht met jezelf aan, terwijl je weet dat het minder is? Marianne zucht. ‘Dat lijkt me zo confronterend! Ik zou dat juist uit de weg willen gaan, ja. Waarom jezelf nog steeds zoveel pijn doen? Dat intrigeert me. Plus dat Longo veel heeft meegemaakt in de sport. We weten niet wat zij wel en niet heeft gedaan en dat maakt haar ongrijpbaar, net als Merckx. Maar haar ongrijpbaarheid zit ‘m in haar afzondering, terwijl die van Eddy ‘m in dat voetstuk zit.’

Het verhaal van Longo is ook het verhaal van een niet aflatende verongelijktheid. Ondanks die carrière dus. Pijnlijk vindt Marianne dat, die vrouw is misschien nooit goed begrepen. ‘We zijn allemaal op zoek naar erkenning, naar waardering. Maar wat als je die niet krijgt, keer op keer? Dat word je misschien wat minder realistisch. Er zijn meer van zulke verhalen, over bonden en ploegen die niet begrijpen wat de renster bedoelt. Het heeft misschien te maken met het verschil tussen mannen en vrouwen. Een man denkt: schijt aan jou! Een vrouw wil af en toe een aai over haar bol en als ze die niet krijgt gaat ze zich afzetten, waardoor het allemaal nog erger wordt. En zo’n man begrijpt daar niks van!’ Dat eigenzinnigheid ook een rol speelt, ja, dat weet ze wel zeker. Op dat niveau begrijpt ze Longo ook wel: ze is zelf net zo goed eigenwijs. Toch krijgt zij altijd steun van de bond en de ploegen, misschien wel omdat ze begrijpt dat die uiteindelijk steeds het beste met haar voorhebben. Tegelijk… Ze is even stil, denkt na. Begint aan een zin, maar breekt die halverwege af. Weer even stil… Dan: ‘Ik heb echt moeten leren dat delen meer begrip oplevert. Toch wel, ja. Ik ging m’n eigen weg zonder daar anderen bij te betrekken en als je dat doet, ontstaat onbegrip. Ik ben iemand die iets gaat doen en de kop in het zand steekt – als het fout gaat dan zie ik dat dan wel weer en als het goed gaat, nou, dan gaat het goed. Dat zit wel in mijn karakter. Meer openheid werkt beter, heb ik ontdekt.’ De behoefte om de dingen voor zichzelf te houden heeft misschien ook wel te maken met haar hang naar harmonie; conflicten gaat ze liever uit de weg. Als topsporter heb je altijd met anderen te maken, weet ze inmiddels: je werkt samen aan een doel, je doet samen investeringen. ‘Ik moet die mensen er dus bij betrekken, anders werkt het niet. Wat enorm helpt, is dat ik me makkelijk in anderen verplaats. In die zin krijgt onbegrip bij mij weinig kans.’

 

Koers en religie

Ze is gelovig opgevoed en dat geloof is nog steeds een leidraad, zowel in het dagelijks leven als in de sport. Natuurlijk weet ze ook wel dat je als topsporter egoïstisch moet zijn, wat dat betreft is ze zelf net zo min bereid tot al te veel compromissen. Maar je tegenstander háten? Ze schudt resoluut het hoofd. Zegt dat ze altijd naar harmonie zoekt, waar dan ook. ‘Binnen de ploeg, maar ook in het peloton. We doen het toch samen?’ Ze valt weer even stil, lijkt haar woorden te wegen. Dan: ‘Naastenliefde, daar heeft het alles mee te maken. Als je vijand honger heeft, geef hem brood. Zo werkt het.’ De aloude verhalen over wielrensters die elkaar de koppen inslaan; ze kent ze, jazeker. Maar ze kan zich er werkelijk geen voorstelling van maken en naar haar idee is het nu ook niet meer zo. En ze weet best dat ze zelf echt geen leuke renster is om tegen te koersen – er moet namelijk wel gewonnen worden, linksom of rechtsom – maar ze houdt het altijd sportief. De tegenstander hoeft echt de berm niet in. ‘Sterker nog: als iemand dorst heeft en door haar bidonnen heen is terwijl ik er nog twee heb, sta ik er rustig eentje af. Maar op de streep wil ik haar er wel op leggen, dat wel!’ Waarom die haat en nijd er tegenwoordig niet meer is – ze weet het niet. Het zou zo maar kunnen dat iedereen er gewoon helemaal klaar mee was, met dat gezeur. Rivaliteit is prima, nodig zelfs, want zonder rivaliteit geen mooie zeges. Maar na afloop van de koers drink je wel samen een glas.

Haar geloof helpt haar de dingen te relativeren, ook als ze veel wint. Bedachtzaam: ‘Al dat goud, al die medailles in de kast, dat is fantastisch. Maar de maandag erna is het gewoon weer maandag. Dat was zo toen ik alles won, dat is zo nu ik even aan de kant sta.’ Niet dat er in dit jaar niets is veranderd, dat wil ze zeker niet zeggen. Bijna een leven lang zocht én vond ze bevestiging in haar sport, dus toen dat wegviel… Ze wist dus wel dat dat fietsen niet het enige in het leven was, maar nu ondervond ze het aan den lijve, kon ze echt niet meer vluchten in de sport. Ze is andere dingen gaan doen, werd de Marianne die even niet fietst, maar wel naar de koers komt of haar ploeggenotes advies geeft, de Marianne die commentaar geeft op tv, de Marianne die een clinic geeft, of een lezing. En het mooie is: de mensen waarderen haar daar ook weer in. Waardering voor de mens Marianne, in plaats van voor de wielrenster Marianne – een nieuwe ervaring. Ze is erdoor gegroeid, dat durft ze best te zeggen. Ze lacht er vrolijk bij, maar geeft meteen toe dat deze periode zeker in aanvang gewoon zwaar was, leeg voelde. Terwijl, als ze erover nadenkt: wielrennen en als eerste over de streep willen – dat is pas leeg! Maar ja, die overwinning, die roes; mooier dan dat is het leven nog niet geweest. Dus ja, toch dat lege gevoel, vooral de eerste paar maanden. Nog steeds vindt ze koersen het mooiste wat er is. Ook dat heeft ze dit jaar geleerd: juist nu ze even niet kan koersen, voelt ze dat koersen is wat ze het liefste doet. En dat het een keer ophoudt, dat realiseert ze zich heus wel. En hoewel ze nog niets heeft gevonden dat haar zoveel voldoening geeft als de fiets, zal ze zich zonder die high van de koers ook wel redden; in vergelijking met wat het geloof voor haar betekent, is koers maar bijzaak. Een heel mooie bijzaak, maar toch: bijzaak. Overigens wel een bijzaak waar ze absoluut nog niet klaar mee is, dat wil ze graag even benadrukken.

Ook als het om haar geloof gaat, volgt ze haar eigen weg. Naar de kerk gaat ze niet; er zijn zoveel stromingen en er is er niet een waarbij ze zich volledig thuis voelt. Niet naar een kerk gaan heeft een nadeel, vindt ze: ‘De wereld gaat snel en voor je het weet hol je maar door, zonder een moment van bezinning. Zeker als het goed gaat… Als je niet oppast, ga je dat als vanzelfsprekend zien, vergeet je stil te staan bij hoe bijzonder het is.’ Ze last die bezinningsmomenten bewust in. Om dankbaarheid te tonen. Om te voelen dat het allemaal echt zo normaal niet is. Dankbaar zijn voor de mooie dingen is wat haar betreft minstens zo belangrijk als om hulp vragen in de mindere tijden. Zonder die dankbaarheid, vindt ze, leef je altijd maar in de toekomst zonder te beseffen hoe mooi het nu is. Nu, op dit moment.

in december 2015 gepubliceerd in Etappe – Magazine over historische fietshelden: www.wielermuseum.be/publicaties/etappe/

‘Ik heb moeten leren dat delen meer begrip oplevert’
Getagd op:            

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *