Als Tilly de hoek om komt en de straat inrijdt, ruikt ze het. De weeïge geur van verzoening die via de afzuigkap naar buiten wordt geblazen. Ze dacht dat er nog wel een week overheen zou gaan. Maar, niet dus. Zelf heeft ze heel de middag in de bibliotheek gezeten, knipselmappen om haar heen, pen en schrift binnen handbereik. Het werkstuk moet volgende week af en vanmiddag realiseerde ze zich dat ze geen idee heeft hoe ze dat voor elkaar moet krijgen. Terwijl ze met haar voorwiel de stoep opknalt, grijpt ze met haar linkerhand naar het zijvak van de rugzak die aan haar stuur bungelt. Ze trekt haar sleutels eruit, zet haar fiets tegen het hek en op slot en haakt de fietssleutel vast aan de sleutelbos.

‘Hallo?’ roept ze, terwijl ze met haar kont de voordeur dichtduwt. Alleen Pimmetje antwoordt – zacht miauwen dwarrelt de trap af. Ze hangt haar jas aan de kapstok en loopt door naar de kamer. Het is koud. En haar moeder heeft opgeruimd. De vensterbanken zijn leeg, buiten op het plaatsje staan de kamerplanten na te druipen. Binnen ligt en staat alles recht. Op de eettafel de krant van die ochtend, uitgelijnd langs het houtfineerpatroon. Ze laat haar vingers erlangs glijden, geeft de krant een tikje. Een klein tikje maar. In de keuken vult ze de ketel en zet hem op het fornuis. Naast het sudderplaatje waarop een grote zwarte pan staat. Ze hoeft niet te kijken om te weten wat erin zit. Aan haar neus mankeert niets.

Koorddansen is het, en ze is er goed in. Slechts zelden onderneemt ze iets waardoor de wiebelige blokkentoren nog wat verder wordt ondermijnd. Tenminste, dat is dan het doel. Het lukt niet altijd. Zoals die keer met de fiets – haar fietssleutel die ze kwijt was, haar vader die haar op moest halen, haar fiets in de kofferbak van de rode Corsa, zijzelf achterstevoren op de achterbank – en houd godverdomme die fiets goed vast! Ze had gehoopt op een alerte politieagent. Thuis was ze meteen naar boven gerend en in haar slaapkamer had ze de fietssleutel uit haar etui gehaald en onderin haar sieradendoosje gelegd. Haar vader had vloekend het fietsslot opengeknipt: hoe stom kon ze zijn, en ook: had ze eigenlijk wel hersens? Ze moest zelf een nieuw slot kopen, en waag het niet thuis te komen met niet zo’n kloterig goedkoop prul. Daar kwam weer ruzie van, nog voor het eten, toen haar moeder vroeg wat er aan de hand was. Daarna werd het opnieuw stil, vier dagen lang, tot opa en oma voor het zondagse bezoek op de stoep stonden.

Ze droomt er soms van. Dat alles met een harde klap tot een einde komt. Wat zou moeten volgen, dat weet ze niet: de droom is tot nu toe nog niet voorbij die klap en de rokende puinhopen gekomen. Ze luistert naar het tikken van de klok terwijl ze twee boterhammen bebotert, er twee speculaasjes op legt en beide broodjes tegen elkaar drukt. Ze gaat aan de tafel zitten, trekt het laatje open om een placemat te pakken – kruimels, etensresten, Tilly, weet je wel hoe vies…! – en duwt hem dan met een klap weer dicht. Ze eet gehaast en de speculaas maakt herrie in haar hoofd. De telefoon gaat. Even later houdt het rinkelen op. Terwijl ze net het laatste hoekje brood wegslikt, gaat de telefoon opnieuw. Ze kijkt op de klok. Bijna zes uur. Ze staat op, zet haar bordje en beker in de gootsteen en vraagt zich even af of het de bedoeling is dat ze het vuur onder het sudderplaatje uitdraait. Waarschijnlijk wel.

Hutspot