IMG_1131Het is een nogal rommelig en weggefrommeld hoekje van Utrecht: de wijk Pijlsweerd, tussen de Vecht en de Oudenoord. De vervallen loodsen doen in helemaal niets denken aan een statige buitenplaats met weelderig groen. Toch kwam tsaar Peter de Grote zich hier ooit verlustigen aan de mooiste lusthof van Nederland. Binnenkort breekt er een nieuwe levensfase aan voor dit gebied.

De Amsterdamse zijdehandelaar Jacob van Mollem was bepaald niet dom. Toen hij in Utrecht de boomgaarden en moestuinen tussen de Daalsedijk en de Vecht bekeek, zag hij mogelijkheden: veel ruimte en – door het verval tussen de Vecht, de Westerstroom en de stadsgrachten – waterkracht. Werkelijk een uitstekende locatie voor een zijdefabriek, zo dacht Jacob. In 1681 werd de fabriek geopend: negen twijnmolens met in totaal waarschijnlijk zo’n tienduizend haspels die voor het afwinden van de cocons zorgden. Het geproduceerde zijdedraad ging weer naar de Amsterdamse weverijen. Een prima handel, bleek al snel.

Statussymbool
Jacob van Mollem had het naar zijn zin in Utrecht en al snel na de oprichting van zijn zijdefabriek liet hij op hetzelfde terrein een mooie buitenplaats met uitzicht op de Vecht bouwen. In Jacobs tijd was zo’n buitenplaats een beetje hetzelfde als de villa op Ibiza anno 2011; een jaloersmakend statussymbool voor de hardwerkende en succesvolle zakenman. Dat er in de Gouden Eeuw veel succesvolle handelaren waren, zie je als je een stukje langs de Vecht rijdt; de ene 17e-eeuwse buitenplaats is nog mooier dan de andere. Jacobs handel floreerde en toen zoon David de zaak overnam, was dat nog altijd zo. David voegde een geheel nieuwe dimensie toe aan de buitenplaats. Hij bouwde de omringende tuin uit tot een van de grootste en rijkste lusthoven van Nederland. In totaal werd er zestig jaar gewerkt aan een fantastische oase vol prieeltjes, loofgangen, vijvers, geurende bloemen, lanen en een doolhof. David verfraaide het geheel met talloze tuinvazen en beelden van grote beeldhouwers. Zijdebalen werd internationaal geroemd en zelfs de Russische tsaar Peter de Grote wist de weg naar Zijdebalen te vinden: in 1767 bracht deze hervormingsgezinde tsaar een bezoek aan de fabriek en buitenplaats.

Tuinders en bakkers
Helaas, aan alle mooie dingen komt een eind en dat gold ook voor het succes van de familie Van Mollem: in 1816 sloot de fabriek haar deuren. De sluiting betekende ook meteen het einde van de lusthof; David van Mollem wilde het verval voor zijn en had in zijn testament bepaald dat de buitenplaats en de tuinen moesten worden gesloopt als de familie Van Mollem er niet langer de scepter zwaaide. Er volgde een herverkaveling en het gebied begon aan een nieuw bestaan als tuindersgebied. Het witte pand aan de Zijdebalenstraat 2 herinnert daar nog aan: deze oude tuinmanswoning is tegenwoordig een gemeentelijk monument.
De industriële revolutie sloeg Utrecht niet over en het leven van de buitenplaats van de familie Van Mollem ging in de 19e eeuw weer een nieuwe fase in. Houtzagerij Jongeneel bouwde zijn zagerij aan de Zeedijk, andere bedrijven volgden al snel. Omdat de arbeiders ook een dak boven hun hoofd wilden, ontstond er een kleinschalige arbeiderswijk in hetzelfde gebied. In de loop van de 20ste eeuw verdwenen de kleine arbeiderswoningen weer omdat Jongeneel steeds meer ruimte nodig had voor de houthandel. Ook de Utrechtse bakkerijen kregen toen in de gaten dat het oude Zijdebalen-terrein een uitstekende vestigingsplaats was: de Korenschoof vestigde zich aan de Kaatstraat en toen bakkerij Lubro aan de Utrechtse Abel Tasmanstraat uit zijn jasje groeide, bouwde het bedrijf een grote fabriek aan de Hogenoord. De Lubro-fabriek werd een beeldbepalend gebouw dat tegenwoordig als industrieel erfgoed wordt aangemerkt.

Nieuw leven voor oude allure
Met al die bedrijfspanden werd het gebied er bepaald niet fraaier op. Een dichte verzameling van loodsen, blinde muren en nauwe straatjes, kleine woningen, nauwelijks groen en nog minder licht; meer was het niet toen de gemeente Utrecht besloot het terrein een nieuw leven te gunnen. De Lubro-fabriek stond al sinds 2004 leeg en Jongeneel was nog wel actief maar bereid het terrein aan de gemeente te verkopen. De ambtelijke raderen malen echter niet zo snel als de watermolens van de familie Van Mollem: in de zomer van 2007 werd de eerste structuurvisie bepaald, ruim drie jaar later keurde de gemeenteraad het bestemmingsplan goed. De nieuwe woonwijk Zijdebalen – bijna vijfhonderd etagewoningen, lofts en penthouses – moet de oude allure van het gebied herstellen. Er komen drie dwarsgrachten en de Westerstroom keert terug, net als het zicht op de Vecht. Er is helaas geen ruimte voor een nieuw lusthof, maar het vele groen en de binnentuinen zijn wel een bescheiden knipoog naar wat eens de mooiste lusthof van Nederland was. Ook op andere manieren knipoogt de nieuwe wijk naar het roemrijke verleden: een deel van de Lubro-fabriek blijft staan en biedt straks waarschijnlijk ruimte aan een grand café en vergaderlocatie. Ook de oude tuinmanswoning aan de Zijdebalenstraat 2 blijft intact. Het lijkt erop dat het rommelige hoekje van nu zich straks niet meer laat wegfrommelen en dat is een ontwikkeling waaraan Jacob en David hun zegen waarschijnlijk wel zouden hebben gegeven.

verschenen in LUIDER, september 2011

De vele levens van een Utrechtse buitenplaats | LUIDER
Getagd op:    

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *