IMG_1827Schuif op een zomerse zondagmiddag aan bij een groep wielrenners die de ochtendrit wegspoelt met een goed glas bier en binnen de kortste keren vliegen je de meest heroïsche Alpen- en Pyreneeënbeklimmingen om de oren. Een beetje wielrenner draait de hand niet om voor wat klimmen en dalen, zo lijkt het. Maar is dat echt zo? Tijd voor een rondje fietsen met Michael Boogerd en een praatje met sportpsycholoog Edith Rozendaal.

‘Heb ik dat echt gezegd, joh? Dan was ik dronken zeker!’ De lach van Michael Boogerd rolt over tafel als ik hem zijn woorden uit een oud interview met HP/De Tijd voorleg. Wat nou afzien en pijn lijden, zei hij daar, klimmen is een feest! Toch, als hij er even over nadenkt, weet hij wel wat hij toen bedoelde. ‘Het ging over die etappe naar La Plagne. Die reed ik in een trance, zo lekker. Het deed pijn, maar ik kon ermee omgaan. En ik hoorde alles, heel raar. Zelfs het tssss van een blikje Heineken, in de handen van een toeschouwer. Zijn auto stond half in de greppel, dat weet ik ook nog.’ Opnieuw die lach. ‘Maar zo’n trance overkomt je niet vaak. Het gebeurde me vaker dat ik me vlak voor een klim diepongelukkig voelde. Ja, ook als ik goede benen had. Angst voor de klim, hè. Niet dat die angst me ervan weerhield goed omhoog te rijden, op de een of andere manier schoof ik het toch opzij.’

Hyperfocus
Zelf heb ik nog nooit onderaan zo’n col gestaan. Wel stond ik twee jaar geleden letterlijk aan de grond genageld toen ik vanuit Gulpen de Gulperberg wilde beklimmen. Ik schrok zo van de muur die me daar aangrijnsde, dat ik pardoes afstapte. Ook nu voel ik de nervositeit, als ik naar Zuid-Limburg rijd: zo’n maag die net niet helemaal lekker aanvoelt terwijl de knagende twijfel door de auto galmt: “Kan jij dat wel? Heb je die percentages gezien? Twee jaar geleden ging het ook niet zo lekker, hè…” Klimmen en dalen met Michael Boogerd; waar ben ik aan begonnen?
‘Dat is een bekende angst bij duursporters,’ vertelt sportpsychologe Edith Rozendaal me een dag later. ‘De angst voor de pijn, de angst het niet aan te kunnen.’ Rozendaal begeleidt veel (top)sporters die tegen mentale barrières aanlopen of hun mentale weerbaarheid willen vergroten. Ze vertelt dat de pijn zelf niet eens het probleem is, het gaat om je eigen reactie. ‘Je kent die gedachten vast wel: voel ik al iets, wat voel ik nu, wat als dit erger wordt, kan ik nog mee? Met zo’n hyperfocus kun je letterlijk een leeg en slap gevoel oproepen, ja. En de angst voor de angst – denken dat je zo niet mag denken – versterkt dat nog eens.’

Lef versus respect
Als Boogerd en ik na een kop koffie en een flink stuk vlaai op de fiets stappen, gaat het in eerste instantie prima. We starten bovenop de Cauberg, dus behalve mijn stuur rechthouden is er weinig aan de hand. Na zo’n twintig minuten volgt het eerste klimmetje. Hoewel ik vermoed dat Boogerds hartslag de 100 niet eens haalt, zit de mijne na een paar honderd meter al aardig in het rood. Maar hé, ik kom wel boven! Boogerd kijkt goedkeurend naar mijn niet-gebruikte triple. ‘Dat is namelijk de grootste fout die veel fietsers maken. Meteen aan het begin van de klim geven ze beide shifters een enorme zwieper, alles op het kleinste blad. En maar trappen, in dat luchtledige. Terwijl je de klim best mag voelen.’ Boogerds advies? ‘Staan en zitten afwisselen, waarbij je twee tandjes bijschakelt als je gaat staan en er weer twee terugschakelt als je gaat zitten.’
Ook de volgende paar heuveltjes gaan goed, en de meters naar beneden zijn overzichtelijk genoeg. Na de vierde of vijfde klim waarschuwt Boogerd: de afdaling kent een lastige bocht, dus uitkijken. Ik knik. Boogerd is nooit echt bang geweest in een afdaling, vertelde hij vanmorgen bij de koffie. ‘Als de afdaling echt link was, pakte ik het wiel van een goede daler.’ De gierende zenuwen die ik voel, kent hij echter niet. ‘Voor dalen heb je lef nodig, dat klopt. Maar je moet ook respect hebben voor de afdaling. De weg is altijd de baas!’ Mijn respect voor de afdaling is echter veel te groot. Op het moment dat mijn teller boven de 45 kilometer komt, verkramp ik. Mijn levendige fantasie ziet een verkreukelde fiets, weggeschraapte huid, een gebarsten helm en een plasje bloed dat langzaam groter wordt.

‘Wat wíl je?’
De sportpsycholoog komt het vaak tegen in haar praktijk. Op zich is die angst niet erg, zegt Rozendaal. ‘Het heeft een beschermende functie. Ik zie wel eens toerfietsers die zich als een baksteen naar beneden gooien. Deze mensen wens ik juist iets meer angst toe, omdat ze zichzelf en anderen met zo’n roekeloze afdaling in gevaar brengen. Maar als angst alles overneemt, gaat het ook niet goed. Al je gedachten gaan naar wat zou kunnen gebeuren, dus je focus ligt verkeerd. Als je goed afdaalt, concentreer je je op de weg: je voelt hoe die loopt, je anticipeert op de bocht, je let op het wegdek. Inderdaad, alles wat je op vlak terrein automatisch doet.’
Klinkt logisch. Maar hoe doe ik dit in de praktijk? ‘Het beeld omdraaien is een manier die veel mensen helpt,’ antwoordt Rozendaal. ‘Als je bang bent om te vallen, zie je die val in gedachten al gebeuren. Het gevaar is dat je lichaam dat beeld volgt. Maar je kunt het omdraaien. Dus: wat wíl je dat er gebeurt?’ Ik wil niet vallen, dat lijkt me logisch. Helaas, niet het juiste antwoord. ‘Het gaat om je afdaling, hoe wil je díe doen? Hoe wil je je tijdens de afdaling voelen, hoe ziet dat eruit?’ Ik wil graag soepel afdalen, en rustig.
Precies, zegt Rozendaal. ‘Dat visualiseer je: jij op je fiets, soepel en rustig afdalend. Dat beeld haal je tevoorschijn als je bang bent.’ Zelf doet ze het vaak als ze schaatst. ‘Oh jee, als ik maar niet in zo’n scheur trap, denk ik dan. Wanneer ik dat vervang door het beeld van een Edith die een stabiele bocht rijdt, rijd ik ook een stabiele bocht. En dan zie ik die scheur niet eens meer.’ En, voegt ze toe, als beelden je niet zoveel zeggen, maar woorden des te meer, bedenk dan een versterkende zin voor jezelf. ‘”Ik rijd soepel naar beneden” kan al voldoende zijn.’

Tandje over
Ondanks mijn angst overleef ik de afdaling en in het erop volgende vlakke stuk kom ik langzaam weer bij mijn positieven. Tot Boogerd eens grijnzend opzij kijkt en zegt dat we er bijna zijn. Waar, vraag ik nog. Maar ik had het kunnen weten. Het favoriete kuitenbijtertje van Boogerd en scherprechter in menig Amstel Gold Race. De Eyserbosweg. Mijn hart dreigt me te verlaten, maar ik weet hem bij me te houden, al moet ik daar wel even flink voor slikken. De vorige keer dat ik hier omhoog wilde, stond ik halverwege met mijn beide voeten aan de grond. En nu moet ik weer? Met Boogerd? Maar wat als ik het niet red? ‘Hier mag je op je triple,’ zegt de winnaar van de Amstel Gold Race 1999 tegen me. ‘Maar houd wel een tandje over.’ Ik schakel terug. Het eerste stuk gaat best goed en terwijl ik nog altijd een tandje over heb, passeer ik mijn afstappunt van twee jaar geleden.
Maar dan.
‘Terugschakelen,’ zegt Boogerd. Ik doe wat hij zegt, maar het ronddraaien van de pedalen wordt steeds moeilijker. Het slingeren begint, en mijn gedachten gaan mee: Oh, zie je wel, ik kan dit niet, ik ben niet sterk genoeg, wat een watje ben ik! Naast me zegt Boogerd dat ik niet mag afstappen. Maar ik krijg de pedalen niet meer rond. En uitklikken lukt ook niet meer. Als in een slow-motion zie ik de greppel op me af komen. Gevallen.

Helikopterview
Mindfulness had je kunnen helpen, zegt de sportpsycholoog. Mindfulness – in het Nederlands aandachttraining – leert je te kijken naar je gedachten en emoties, zonder daarin te verdrinken en zonder te oordelen of te reageren. Terecht zegt Rozendaal dat de pijn toch wel komt in zo’n klim. ‘Je angst maakt die pijn echter veel groter. Mindfulness leert je die gedachten anders te bekijken. Je krijgt als het ware een helikopterview: “Oh, daar is die gedachte weer, die ken ik”. Je weet dat die gedachte ook weer voorbij gaat, waardoor de lading minder groot is.’ Het grote voordeel van mindfulness is volgens Rozendaal dat je gedachten en gevoelens niet langer met je op de loop gaan. Dus als ik op die Eyserbosweg mijn ‘ik-kan-dit-niet; ik-ben-niet-sterk-genoeg; ik-ga-af’-gedachten op deze manier had kunnen bekijken, had ik ook die laatste vijftien meter fietsend afgelegd, vraag ik. ‘Waarschijnlijk wel, ja. Dan had je je ondermijnende gedachten als oude bekenden kunnen zien, waarna je je focus weer had kunnen richten op wat je aan het doen was.’ Ik denk terug aan Boogerds woorden tijdens de koffie met vlaai. Uiteindelijk rijdt niemand mákkelijk omhoog, zelfs niet met goede benen. Toch een troost. En hé: ik heb Boogerds voeten aan de grond gekregen, vlak voor de top van zijn favoriete Zuid-Limburgse klim.

Meer over mindfulness en sporten lees je in het boek SportMindfulness van Edith Rozendaal (ISBN 9789461934499).

 

Dit artikel verscheen in Fiets – juni 2014 

Kriebels van de klim |Fiets
Getagd op:            

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *