IMG_1105Een sprieterig meisje van negen was ik toen ik voor het eerst van de Cauberg hoorde. Het was 1979, mijn wielerliefde was nog pril en in Valkenburg streden de renners om de wereldtitel. Vanaf onze donkerbruine corduroy bank zagen mijn vader en ik hoe de geblokte Jan Raas van zijn ploegmaats duwtjes kreeg om boven te komen. “Een echte klootzak hoor, die Cauberg”, gniffelde mijn vader. Later begreep ik dat Raas krachten wilde sparen, maar als negenjarige was ik vooral onder de indruk: dat zo’n kerel die berg niet zonder hulp op kon. Dat mijn vader het een klootzak van een berg vond, zei trouwens ook wel wat. In de jaren daarna sloeg mijn geheugen talloze beelden van de Cauberg op, allemaal even heroïsch. De blikkerende tanden van Michael Boogerd. Boogerds postbode, op z’n degelijke damesfiets. De geaderde kuiten van Lance Armstrong. De demarrages van Philippe Gilbert. Touretappes. De Vuelta. Wereldkampioenschappen. De Amstel Gold Race. De Cauberg, dat is onze eigen Alpe d’Huez, inclusief het bier en het schreeuwende publiek, maar exclusief de haarspeldbochten waar geen einde aan lijkt te komen. Ruim dertig jaar na mijn eerste kennismaking met de Cauberg ben ik een fietser die graag wielrenner wil zijn. Het materiaal voldoet al: de Wilier met Campagnolo-groepen, het roze shirt met bijpassende broek van Castelli, de witte lakschoentjes van Sidi, zelfs mijn helm en bril komen uit Italië. Maar mijn zweet valt slechts op vlakke polderwegen en mijn fiets heeft nog nooit een berg van dichtbij gezien. Tot vandaag. Vandaag word ik wielrenner. Op de Cauberg.

Toen ik vanmorgen opstond was de wereld grijs, maar nu schijnt de zon. Ik zit al bijna twee uur op mijn fiets, volgens de wegwijzer is het nog vijftien kilometer tot Valkenburg. Nog een half uurtje. Ik voel een kriebel in mijn onderbuik en neem een paar slokken water. Het wordt steeds drukker op de weg en ik voel een lichte misselijkheid opkomen. Auto’s razen voorbij. Een rotonde. Even later een stoplicht. Ik kijk om me heen. Te veel knipperende lichtreclames, te veel verwaarloosde huizen en te veel verkeer door te nauwe straatjes. Het licht springt op groen en ik rijd weer verder, langs geparkeerde auto’s en zoemende terrassen. Vanuit een zijweg duikt een man de weg op. Ook een fietser, grijs haar, behaarde benen en vetrolletjes boven de rand van zijn fietsbroek. De weg buigt naar rechts, aan een lantaarnpaal zie ik twee bordjes hangen. Het bovenste is helblauw, met witte letters: Cauberg. Het onderste wit, met zwarte letters: Cauberg 12%. Mijn ogen volgen de weg omhoog, mijn hart legt hetzelfde traject af. Ik slik een paar keer. In mijn benen voel ik de weerstand toenemen, maar nog niet genoeg om te schakelen. Voor mij rijdt de grijze renner. Een zware truck dendert langs, een smerige blauwzwarte dieseldamp achter zich aan slepend. Als hij voorbij is, geeft de zuiging me een kleine zwieper. Even dreigt mijn voorwiel in het gootje tussen asfalt en trottoir te belanden, maar ik weet nog net op tijd terug te sturen. Mijn hart gaat als een razende tekeer en jaagt benauwde tintelingen door mijn lijf. Ik trek de rits van mijn shirt een stukje naar beneden. Mijn adem wordt zwaar, gejaagd. De kont van de grijze wielrenner deint voor me uit. Alles aan hem beweegt. Hij staat op zijn pedalen, zijn brede rug zwoegt tegen zijn fiets in. Links, rechts, links, rechts. Lijkt het nu zo, of kom ik dichterbij? Ik zet aan. Ga ook op mijn pedalen staan. En verlies mijn cadans. Ik ga weer zitten, kijk snel om me heen. Niemand. Gelukkig. Als ik weer voor me kijk, zie ik de grijze renner nog altijd dichterbij komen. Opnieuw zet ik aan en net voordat de weg naar links zwenkt, haal ik hem in. Ik knik even en ga dan voor hem rijden. In gedachten zet ik een vinkje: man ingehaald. Dat hij misschien wel twintig jaar ouder is dan ik en een bierbuik met zich meetorst, doet er niet toe. Inmiddels stuurt iedere ademhaling felle steken naar mijn longen. Ik wil schakelen. Achter me hoor ik het zachte rateltje van een ketting die op het volgende kransje valt. Ik wacht er nog even mee. Focus. De eerste namen doemen op, in grote witte blokletters. Even later rijden mijn dunne bandjes over de K van Gesink. Twee trappen verder de E van Philippe, gevolgd door het uitroepteken achter Andy’s naam. Hier reden ze vorige week, over dezelfde blokletters. Mijn hoofd registreert het. Ik wil blij zijn, euforisch zelfs. Hier rijd ik, op hetzelfde asfalt! Maar mijn lijf werkt niet meer mee.

Ik duw de pedalen naar beneden, trek ze weer omhoog. Behalve mijn stuur en het asfalt onder me zie ik helemaal niets meer. Een jongen komt langszij, haalt me in alsof ik stilsta. Geschoren benen. Heel even lijkt het alsof ik aan kan klampen, maar na een paar seconden moet ik hem al laten gaan. Ik schakel terug. Mijn benen doen pijn, mijn ademhaling raspt en piept. Ik wil opnieuw terugschakelen, maar de derailleur reageert niet meer. Mijn cadans is verdwenen, ik begin te slingeren. Ik knijp mijn ogen dicht. Zwarte vlekken. Ik kan niet meer. Ik kan echt niet meer. Mijn longen staan in brand. Alles trilt. Mijn vingers bewegen zich naar de remmen, sluiten zich eromheen. Willen knijpen. De pijn stoppen. Maar dan denk ik aan die grijze renner achter me. Aan Michael Boogerd en zijn postbode. En aan mijn vader, die zei dat de Cauberg een klootzak van een berg was. Ik laat de remmen los, leg mijn handen op het stuur. Duw! Rechterbeen. Duw! Linkerbeen. Mijn vader juicht. Mijn lijf schreeuwt. Onder mijn wielen verschijnt een brede schaduw. Het viaduct. Ik zet nog eens aan en kan weer ademhalen. De grijze renner rijdt me voorbij, maar het kan me niet schelen. Voor me doemt het bushokje op. Ik houd mijn benen stil en luister naar de fluistertikjes van de naaf. Ik ben wielrenner! Op de top van de Cauberg. Als ik op mijn tellertje kijk, realiseer ik me dat het niet zoveel voorstelde. Nog geen kilometer. Een paar minuten. Twaalf procent max. Eigenlijk best te doen.

verschenen in Soigneur, zomer 2012

Renner op de Cauberg | Soigneur
Getagd op:    

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *