IMG_1101Het zag er allemaal heel leuk uit hoor, maar ik geloofde er helemaal niets van. Een droom in duigen, maar hij zei doodleuk – en nog meerdere keren ook – dat er niets aan de hand was, dit was toch een prima resultaat? Sterker nog, als je Andy’s blijmoedige grijns bekeek, had je zelfs kunnen geloven dat het laatste rondje over de Champs Elysees meteen ook het startsein van een gezellig avondje stappen was. Misschien was dat ook echt zo trouwens. De mannen van Leopard, het nachtleven van Parijs te lijf met stoppelige benen en een even stoppelige kin, de teamsjaaltjes fladderend om de nek. In de teambus vast lekker indrinken. De muziek op tien, de heupen voorzichtig laten wennen aan iets anders dan fietsen, in de ogen de weerspiegeling van ritmische lichteffecten – jazeker, de bus van de gebroeders Schleck is voorzien van lichten die in een gemiddelde nachtclub niet zouden misstaan. En toen, toen iedereen prettig aangeschoten was, kreeg de chauffeur een teken van Andy: rijden maar, op naar de hotste club van de stad. Tweede en derde, ha, als dat geen feestje waard is!

Misschien ging het echt zo. Of zag het tafereel er toch zo uit? Aan alle plichtplegingen voldaan, de huldiging overleefd, de busdeuren die bijna geluidloos dicht gleden en de teleurstelling aan het oog van de wereld onttrokken. Net daarvoor, op het trapje van de bus, vertelden ze de bengelende microfoons nog een keer over hun grote geluk. Zo fantastisch, samen op dat podium. Ja, papa is ook heel trots op ons. Ja, natuurlijk had ik dat geel ook mooi gevonden, maar we hebben ons best gedaan, meer zat er niet in. Maar hé, het voelt niet als verliezen hoor, echt niet. De bruine ogen van Andy keken nog een keer op z’n allertrouwhartigst de wereld in: nee, écht niet. Zijn smalle bekkie grijnsde. Niet dat dat zoveel betekent trouwens: wanneer je de laatste kilometers van de etappe naar de top van de Galibier bekijkt, zie je dat Andy ook grijnst als hij op breken staat.

Andy lijkt nog altijd op een dartel veulen dat per ongeluk in een peloton echte mannen terecht is gekomen. Maar vergis je niet. De hele winter heeft hij zich erop voorbereid, dit werd zijn Tour, van niemand anders. Hij liet er zelfs al een documentaire van maken: Andy’s Tour. Samen met zijn broer bouwde hij een team om zich heen dat ervoor moest zorgen dat de zege hem niet kon ontgaan. Aan werkelijk alles was gedacht: de schoentjes, de fietsen, de sjaaltjes, de website, de discolichten in de bus. En ja, vooruit dan maar: hij zorgde er ook voor dat hij een goed pak renners om zich heen verzamelde. En hij trainde hard. Als een Eskimo zat hij er soms bij, jagend langs de Luxemburgse sneeuwhopen. Ook neersabelende regendruppels konden niet voorkomen dat Andy zijn anorectische lichaam rond zijn fiets slingerde en de kilometers wegtrapte. Om zijn droom te verwezenlijken, had hij een paar doelen gesteld: beter worden in afdalen en tijdrijden, want daar viel nog wel wat te winnen. Hij zei het echt!

Andy trainde op de afzink van een paar grote bergetappes. Sterker nog: hij trainde erop in de regen. Het viel met bakken uit de hemel en hij glibberde langs plassen en vervaarlijk meanderende asfaltscheuren. Niet te snel, het ging erom dat hij wist hoe de bochten liepen. Zijn benen sloegen het op, zijn hoofd maakte er filmpjes van voor straks, in juli. Verkennen doe je niet voor niets, tenslotte. Of hij bang was? Nee, angst kost te veel energie. Wouter Weylandt leefde nog.

Andy deed nog meer. Ingesnoerd in een strak pak, met bijpassende helm, dook hij de windtunnel in. Ach, dat vederlichte lijfje tegen de loeiende windturbine. Er werd wat aan zijn fiets gesleuteld en daarna mocht hij opnieuw gaan oefenen, op de wielerbaan. De rug moest wat meer gebogen, het hoofd omlaag. Het wattage moest dan weer omhoog, maar – de Tour win je tenslotte niet zomaar – het lichaamsgewicht moest juist omlaag. Seconde voor seconde werd gewonnen.

Andy trainde zich suf, werkelijk waar. Weliswaar was het dartele veulen nooit ver weg – ‘c’est la vie, c’est la vie’ grijnsde hij naar zijn ploeggenoten nadat hij zich had verslapen voor de verkenning van Luik-Bastenaken-Luik – maar hij nam zijn Tourdroom wel degelijk serieus. En precies daarom geloofde ik hem niet toen hij zei dat het een fantastisch resultaat was, tweede in Parijs. Hij verloor de Tour op een afdaling en een tijdrit. Als je verliest op de onderdelen waarop je nu juist heel hard hebt getraind, dan ga je niet zeggen dat het fantastisch is. En dan ga je al helemaal niet zo blijmoedig staan grijnzen alsof je zodadelijk nog even lekker gaat stappen met je vrienden. Nee, dan ga je vloeken en tieren. Dan spuwen je ogen vuur, ook al zijn ze nog zo schattig reebruin. Dan sloop je de discolichten uit de bus als het echt niet anders kan. En geef je trouwens ook die klotefiets van je nog even een rotschop. Je scheldt je broer verrot omdat hij je liet zitten toen het er echt toe deed. Je scheurt al die idiote ploegsjaaltjes aan gort. En daarna ga je je eens goed afvragen waarom je die verdomde tijdrit niet goed verkend hebt. En waarom je je na 9 mei niet in nog veel meer afdalingen hebt gestort, om het verdriet een uitweg te gunnen en de angst voor eens en voor altijd te bezweren.

Dat doe je, als je je droom tenminste echt serieus neemt.

verschenen op Het is Koers, augustus 2011

Serieus dromen | Het is Koers
Getagd op:        

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *