IMG_1108Kwee werd ze genoemd, in het dorp waar ze werd geboren, opgroeide en – met een onderbreking van een paar jaar – haar leven lang woonde. Kwee. Een ouderwets woord met verschillende betekenissen. Hermafrodiet is er een van. Tweeslachtig ook, en manwijf. En inderdaad, ze was groot, stevig gebouwd, met handen als kolenschoppen. Een – zo zei iemand die vroeger bij haar in de straat woonde – tamelijk seksloze vrouw eigenlijk. Dorpsgenoot Piet Moeskops zag echter iets anders in haar. Talent.

De vrouw in kwestie, Mien van Bree, joeg in haar jonge jaren regelmatig achter bussen aan. Plat voorovergebogen op haar fiets racete ze door de straten van Loosduinen, om daarna af te buigen en de benen in de duinen nog wat extra af te harden. Piet Moeskops, vijfvoudig wereldkampioen op de sprint en in de nadagen van zijn carrière, besluit op een goede dag eens een paar ritjes met dat meisje uit de Trompstraat te maken. Na een paar van die tochtjes is hij overtuigd: Mien heeft talent. Sterker nog, als die meid op een racefiets zou gaan zitten, zouden er heel wat jonge renners zijn die nog moeite zouden moeten doen haar te kloppen. Als hij dat tegen Mien zegt, begint zich in haar binnenste iets te roeren. Niet dat ze daar meteen woorden aan kan geven, aan dat gevoel. Ja, zo’n twintig jaar later, toen haar fiets allang een vaste plek naast haar opklapbed had, toen vermoedde ze wel wat haar als jonge meid had bezield. Eerzucht, dacht ze. Pure eerzucht. Een emotie die ze dan echter alweer een paar jaar op andere manieren weet te smoren. Net zoals ze dat met die andere gevoelens ook doet.

De zoektocht naar Mien van Bree begint heel banaal, op Google. Via de website van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en die van het Centraal Bureau voor Genealogie komt Mien iets dichterbij, maar het beeld blijft wazig. Tot een archivaris zich ermee bemoeit en een advertentie uit 1983 vindt. ‘Heden is geheel onverwachts van ons heengegaan onze zuster, schoonzuster, tante en nicht WILHELMINA ELIZABETH VAN BREE op de leeftijd van 68 jaar. Uit aller naam: A.W. van Bree.’
Geen man.
Geen kinderen.
En op het vermelde adres woont nu een andere familie.

Miens nicht mevrouw Barendse blijkt een paar jaar geleden naar een serviceflatje te zijn verhuisd. Ze is de tachtig gepasseerd, maar nog altijd bij de tijd. Haar tante paste vroeger vaak op haar, vertelt ze trots. Legio herinneringen heeft ze daaraan: haar tante nam haar vaak mee naar het strand en naar de stad en bij tante Mien thuis mocht ze zelfs met water spelen. ‘Het was een lieve vrouw hoor, tante Mien.’ Over het fietsen weet ze echter weinig. Toen was ze net te jong, zegt ze, en later werd er niet meer over gesproken. Wel heeft ze nog wat foto’s, uit het huis van tante Mien. Het zijn familiekiekjes. Een racefiets is nergens te bekennen.

In oktober 1934 schrijft Mien van Bree zelf een kort artikel voor het sensatieblad Het Leven Geïllustreerd. Een halve pagina, aan weerszijden twee foto’s: op de linkerfoto staat een keurige jongedame die zich op een even keurig borduurwerkje concentreert, op de foto rechts poseert diezelfde jongedame in een shirt met korte mouwen, een korte koersbroek en tot op de enkels afgestroopte kousen. Haar handen rusten op een racefiets. Mien vertelt dat ze ‘Wielerkampioene van Holland’ is geworden. Een officieuze titel, voegt ze er direct aan toe: ‘… omdat bij ons in Holland het dameswielrennen hoegenaamd geen burgerrecht heeft.’ Daarom rijdt Mien in België waar ze tijdens het laatste wereldkampioenschap derde werd; reden voor de wedstrijdjury haar tot kampioene van Holland uit te roepen. Ze schrijft dat ze veelvuldig op de rollen traint en van dorpsgenoot Piet Moeskops adviezen krijgt. Naar de wedstrijden in België gaat ze op de fiets: als ze om zes uur vertrekt, is ze rond een uur of twaalf in Brussel. Haar grootste rivale is haar Belgische vriendin, Mej. De Bruyn… Haar eerzucht heeft zich vertaald naar grote ambities: Mien wil het wereldkampioenschap op de weg en op de korte baan op haar naam zetten. ‘En ik ben er van overtuigd dat ik daardoor een steentje zal bijdragen in de propaganda voor de dameswielersport in ons land. […] het zal op den duur wel zoover komen, dat wij in rennerskostuum op onze rennersfiets niet meer uitgelachen worden, zooals thans nog zoo dikwijls geschiedt. Daar stoor ik mij echter niet aan en ik ga rustig mijn gang met de beoefening van de wielersport, waaraan ik met hart en ziel mij geheel geef.’
Mien is negentien jaar.

Vijf reacties komen er, op het artikel in de Loosduinse huis-aan-huiskrant. Drie mensen komen niet veel verder dan ‘het was een struise vrouw’, maar de andere twee zijn veelbelovender: buurmeisjes van vroeger.
Het eerste buurmeisje doet dubbelgevouwen over haar rollator de deur open en steekt een klein en rimpelig handje uit. Aan de telefoon had ze al verteld dat ze jarenlang tegenover het gezin Van Bree woonde. De oorlog was voorbij en Mien woonde alweer een paar jaar thuis. ‘Ja, die moest voor haar moeder zorgen. Dat mens lag altijd op bed. Zielig hoor.’ De oude dame zucht. Als het gesprek even later op het schilderij komt, veert ze echter op.
‘Dat was wat,’ knikt ze. ‘Ik denk dat ik tien was, ja, dat moet haast wel. In de zomer ging ik altijd naar mijn tante in Brussel. Op een dag zit ik daar de gazet te lezen en wat zien ik? Een foto van Mien! In de gazet in Brussel! Ik begreep er niks van. Ik heb die gazet mee naar huis genomen aan Mien gegeven. Och, ze vond het zo leuk, ze kon er niet over uit. Ze heeft er een schilderij van laten maken hè, dat is dus dat schilderij wat ze vasthoudt op die krantenfoto. Ze had die trui aan, met die strepen erop. Een kampioenstrui, jazeker.’ De bewuste foto stond in 1976 in de plaatselijke krant en was gemaakt ter gelegenheid van het enige publieke optreden dat Mien in haar woonplaats ooit ten deel viel: het in gang schieten van de Loosduinse Wielerronde van dat jaar. De foto laat een inmiddels gepensioneerde Mien zien, met in haar handen het schilderij van een jonge Mien. In de gestreepte kampioenstrui. Het buurmeisje had er indertijd geen idee van dat Mien zo goed had gefietst. Eigenlijk wel logisch ook, vindt ze nu: ‘Daar werd toen niet over gepraat, dat deugde niet. Daarom woonde ze eerst natuurlijk in België.’ Volgens haar was Mien thuis niet gelukkig. ‘Een vrouw hoort niet alleen te zijn, hè. Maar Mien is nooit aan de man gekomen.’ Veel later, als het gesprek eigenlijk al ten einde is, blijkt dat er nog iets meer aan de hand was. Miens vroegere buurmeisje is bijna onverstaanbaar als ze fluistert dat de mensen in het dorp Mien niet accepteerden. ‘Ze zeiden dat ze een kwee was. Erg hoor, dat mens was gewoon hartstikke lief.’ Het andere buurmeisje gebruikt de woorden ‘doodgoed wijf’ om Mien te beschrijven – en totaal seksloos, voegt ze er ook nog aan toe. ‘En daar werd natuurlijk over geluld, je weet hoe dat gaat in kleine dorpjes. Afschuwelijk, dat arme mens!’ Mevrouw Barendse wil er weinig over kwijt, herhaalt alleen dat haar tante vóór alles ontzettend lief was. ‘Ze cijferde zichzelf helemaal weg, altijd.’
Behalve dan in de periode dat ze het lef had tegen haar tijd in te leven.

Toen Mien een gekromd stuur op haar fiets zette en achter de bussen aan begon te jagen, was dat niet iets wat jongedames normaal gesproken deden. Eigenlijk ben ik te vroeg geboren, zegt ze er jaren later zelf een keer over. Want ja, in haar tijd behoorden jongedames te werken, een vriendelijke jongeman tegen het lijf te lopen, zich te verloven, te trouwen en moeder te worden, waarna een bestaan als huisvrouw volgde. Maar niet voor Mien. Mien wilde fietsen, ondanks dat de sportende vrouw in de jaren voor de oorlog onderwerp van felle discussies was. Jongedames mochten best een beetje sporten, zolang dat maar niet ten koste ging van hun natuurlijke gratie. Zwemmen was akkoord, turnen benadrukte de vrouwelijke sierlijkheid ook meer dan voldoende en atletiek was nog net toegestaan. Een te fanatieke aanpak diende echter te worden vermeden: de risico’s voor charme en gezondheid – en in het bijzonder de “specifiek-vrouwelijke organen” – waren te groot. Dat de racefiets uit den boze was, moge duidelijk zijn. De enkele vrouw die zich op een racefiets waagde, werd uitgelachen en nagewezen. Overigens waren het niet alleen de mannen die ervan overtuigd waren dat van die sportende vrouwtjes weinig terecht kon komen. Het Nederlandse sportblad Sport in Beeld publiceerde met enige regelmaat bijdrages van een dame die zich inzette voor vrouwensport. De reacties die zij op haar artikelen ontving, logen er niet om. Zo schreef een zeer bezorgde moeder dat de vrouw naar haar aard in huis hoort: de enige taak die zij heeft te vervullen, is die van echtgenote en moeder. Al die aandacht voor gezondheid is maar malligheid, vond ze. ‘Vindt gij het een smakelijk gezicht om meisjes en getrouwde vrouwen te zien fietsen met bloote benen, leelijk verbrand en met muggebeten?’

Mien is zestien als ze samen met een paar vriendinnen de eerste Nederlandse dameswielerclub opricht. Het is 19 november 1931. Van de wielerclub is slechts een foto bewaard gebleven: “Wielrennen, Dames, Oprichting Dames rennersclub te Den Haag, de dames met geheel links Mien van Bree onderweg tijdens hun eerste wedstrijd, 19 november 1931”, aldus het fotobijschrift. Het is koud: op Miens donkerblonde haar prijkt een gebreide muts en haar handen zijn in dikke handschoenen gestoken. Verder een donkere trui op een iets lichtere plusfour. Effen kousen. En wielerschoentjes in toeclips.
Wielerschoentjes!
Toeclips!
Naast haar nog vier meiden, twee van hen net als Mien in een diepe zit, met de handen in de beugels. De andere twee zitten op een fiets met een recht stuur. Vier broeken, één rok. Halflang haar, alle vier. In de verte staat een groepje mannen te kijken, sommige heren buigen zich zelfs naar voren om een glimp van de dames op te vangen.
VIOS, zo noemen ze hun wielerclub. Vooruitgang Is Ons Streven. En vooruit wilden ze, zo vertelde mede-oprichtster Leni Bulté in 1986 in een interview met WielerRevue. Ze zorgen voor uniforme kleding, met op de achterzijde van de bruingele shirts de letters VIOS. Erbij een mooie bruine plusfour, een echte koersbroek is dan nog net iets te vooruitstrevend. Leni doet ook uit de doeken hoe ze ertoe kwamen in België te koersen. ‘Bij ons thuis lazen we de Gazet van Antwerpen en daar stond in dat er daar dameswedstrijden werden georganiseerd.’ Ze vinden iemand die hen wil contracteren en voilà, daar gaan de meiden van VIOS, op de fiets naar Antwerpen. Koers willen ze, en koers krijgen ze, tot aan de wereldkampioenschappen toe. ‘Er kwam ontzettend veel volk op af. Het was zo serieus dat de tramrails die over het wedstrijdparcours liep, met gips was dicht gesmeerd.’ Ruim vijftig jaar na dato verbaasde Leni zich er nog over.

Het verschil met Nederland was inderdaad groot: afgezien van een ludiek vrouwenwedstrijdje tijdens de jaarlijkse Scheveningse Veldrit was dameskoers absoluut verboden. Maar ook in België hadden de voorstanders van de dameskoers het pleit niet zonder slag of stoot gewonnen. Nadat een eerdere vrouwenkoers uiterst succesvol was verlopen, probeerde het Antwerpse gemeentebestuur in 1927 een vrouwenkoers te verbieden. Met dat verbod waren de rapen gaar. De sportpers bemoeide zich ermee, net als tal van voor- en tegenstanders; de zaak ontaardde in een ware polemiek. Van de weeromstuit wilde zo ongeveer iedere gemeente een dameskoers organiseren, aandacht leek tenslotte al gegarandeerd. En aandacht kwam er, met duizenden en duizenden toeschouwers die allemaal wilden zien waar ‘die sportvrouwtjes’ toe in staat waren. In eerste instantie waren het vooral wedstrijden op de weg, maar het duurde niet lang voor de vrouwenkoers ook voor een opleving van nagenoeg ter ziele gegane wielerbanen zorgde. Toen daarna ook de Antwerpse sportpromotor Jos De Stobbeleire zich voor de dameskoers besloot in te zetten, kregen de wedstrijden nog meer cachet. Maar ook in België waren er journalisten die de wedstrijden afkeurden. Zo trok een journalist van de Geïllustreerde Sportwereld fel van leer tegen het WK van 1934, hetzelfde WK waarover Mien in Het Leven Geïllustreerd vertelt. Volgens de krant was het een schandelijke vertoning geweest, die puur om geldgewin ging: van de 50.000 frank aan prijzen werd maar amper 7.500 uitgekeerd. Ook wond de schrijver zich op over het geknoei met de nationaliteiten van de rensters: de kampioene van Luxemburg was in werkelijkheid gewoon een meisje uit Anderlecht! Overigens had hij daar wel een punt: het aantal deelneemsters uit landen als Frankrijk, Italië, Duitsland, Luxemburg en Groot-Brittannië was relatief klein, terwijl de organisatie wist dat een internationaal deelnemersveld altijd meer publiek trok. Aldus werd bijvoorbeeld Miens clubgenote Leni Bulté eens gepromoveerd tot kampioene van Duitsland; een land waarover haar zoon later vertelt dat zijn moeder er zelfs nog nooit geweest was. Wat de journalist van de Geïllustreerde Sportwereld hierbij vergat te vermelden, was dat de weinige buitenlandse meiden die aan de start verschenen, wel de sterkste wielrensters van hun land waren. Dat feit had zijn mening waarschijnlijk niet doen kantelen; hij vond het simpelweg een ergerlijk en ‘menschonteerend’ schouwspel. En bovendien: zulke prestaties ‘berokkenen oneindig veel schade aan de gezondheid dier schepsels’. Helaas voor deze journalist heeft de vrouwenkoers dan – zeven jaar na de poging van het Antwerpse gemeentebestuur een vrouwenkoers te verbieden – al vaste grond onder de voeten gekregen: tijdens het WK van 1934 staan er duizenden – volgens Sportwereld zelfs tienduizend – toeschouwers langs het parcours.
Mien zelf eindigt tijdens het WK van 1934 als derde, schrijft ze een paar weken later in haar verhaal in Het Leven Geïllustreerd. In Sport in Beeld van 25 september van dat jaar verschijnt een kort bericht over de Loosduinse wielrenster Mien van Bree die te Brussel derde werd bij een internationale wielerwedstrijd voor dames, “waaraan de ietwat hoogdravende titel van wereldkampioenschap verbonden was. Mej. Van Bree kan als kampioene van Nederland beschouwd worden.” En in de kolommen van het Algemeen Handelsblad staat in november van dat jaar een artikel over de opening van de Zesdaagse op de R.A.I.-baan te Amsterdam. Daar moesten de renners voor even plaats maken voor de ereronde van “Mej. Mien van Bree, een Nederlandse wielrenster, […]. Volgens den luidspreker was zij derde aangekomen in het wereldkampioenschap voor vrouwen […]” Dat Mien hier een ererondje mocht rijden, was trouwens uniek en zou – ondanks haar latere successen – nog maar één keer voorkomen.
Maar goed. Derde. Mooi resultaat.

In het Vlaamse weekblad Sportwereld van 17 september 1934 is de top-vijftien van het WK terug te vinden. “Eerste werd onze landgenote Elvire Debruyn, tweede Debock en derde Peelman.” Derde. Peelman. Niet Van Bree. Die werd volgens Sportwereld achtste.
Ook in Nederland verschijnt een verhaal waarin Mien als achtste wordt vermeld. B.v.D., ofwel oud-renner, sportjournalist en medeoprichter van de Nederlandse Wieler Unie jhr. G. Bosch van Drakestein, woont de WK-wedstrijd bij; een kolossaal succes vindt hij het. In Sport-Echo, het ledenblad van de Wielerunie, schrijft hij erover. ‘Vijftigduizend francs aan prijzengeld, veertig deelneemsters uit onder andere België, Nederland, Frankrijk, Engeland en Italië en meer dan honderdduizend mensen langs het parcours. Winster en wereldkampioene werd Elvire Debruyne met een tijd van 2 u. 41 m. 56 s. voor de 90K.M., dat is 33 K.M. 330 M. gemiddeld per uur, een gangetje dus dat respect inboezemt,’ vindt B.v.D., om daarna het lijstje af te maken: tweede mej. De Bock, 3e Peelman, 4e Samijn, …, 8e Van Bree. Achtste.
Is Mien niet tevreden over die achtste plaats? Een combinatie van eerzucht en jeugdige overmoed, met in haar achterhoofd het vermoeden dat de Nederlandse pers haar woorden niet zal controleren, omdat de vrouwenwielersport toch geen bestaansrecht heeft? Of heeft ze die betere uitslag nodig om haar ouders over te halen in te stemmen met het drieste plan waarmee ze dan waarschijnlijk al een tijdje rondloopt?
Want Mien realiseert zich inmiddels wel dat de sport waar ze zich met hart en ziel aan geeft, in Nederland geen toekomst heeft. Ja, er zijn wel wat mensen die haar prestaties op waarde schatten. Zo krijgt ze zelfs een gratis racefiets van Magneet. ‘Een herenmodel, want een damesmodel was voor de wedstrijden veel te slap,’ vertelt ze later. Waarom fietsfabrikant Magneet haar een – zeker voor die tijd niet goedkope – racefiets geeft, ligt vermoedelijk in het feit dat de fabrikant in deze jaren flink aan de weg timmert om de naamsbekendheid te vergroten. Magneet ziet in de wielersport een uitstekend middel om dat te bereiken en zou niet veel later, als eerste Nederlandse fietsfabrikant, een eigen, professionele wielerploeg van de grond tillen.
Trouwens, ook Bosch van Drakestein zelf weet Miens prestaties op waarde te schatten, maar net als Mien beseft hij dat Nederland er nog niet klaar voor is: ‘Bij ons in Holland zou zooiets niet kunnen. Wij hebben immers een wegwedstrijdverbod. Maar al ware er een particulier terrein te vinden, dan nóg zou het hier niet gaan. Wij Hollanders zijn voor zooiets immers veel te deftig! Véél te dàftig zàg!’
Mien legt zich er niet bij neer. Ze heeft een droom en die wil ze waarmaken ook. Ze besluit Loosduinen te verlaten. Alleen. Bij die stap speelt vermoedelijk nog iets mee, maar daar hadden Miens ouders toen geen idee van, denkt mevrouw Barendse. ‘Misschien hebben ze het vermoed. Maar weten? Nee, de schande zou te groot zijn geweest.’
Mien verhuist naar België. Helaas weet de familie niet waar ze in die jaren precies heeft gewoond. Wel weet haar nicht dat Mien een café had. Of in een café werkte. De naam? Geen idee.
‘Er werd nooit over gepraat hè,’ zegt ze opnieuw.
Alsof dat deel van Miens leven onzichtbaar moest blijven.

Uiteindelijk blijkt de familie toch nog wat foto’s te hebben. Foto’s uit België. Mien op een fiets op een wielerbaan. Mien met een bos bloemen, ook op een wielerbaan. In pullover en plusfour en met de fiets aan de hand, poserend voor een café. Gezellige kiekjes zijn het, van die kiekjes die ze misschien wel eens in een envelop stopte en naar Loosduinen stuurde, zodat ze daar wisten dat het goed met haar ging. Het zijn echter geen foto’s die Mien dichterbij brengen. Dat doen de laatste paar foto’s uit de serie wel. Op een van die foto’s staat ze onder een boom. Naast haar een vrouw. Ze hebben de armen schuchter om elkaars middel geslagen. Ze lachen, Mien wat ingetogener dan de vrouw naast haar. Op een andere foto dragen ze allebei hetzelfde shirt, met een klein wybertjesvormig logo op de rechterborst: Alex. De meest veelzeggende foto lijkt in een pasfotohokje te zijn gemaakt. Dicht tegen elkaar aan. De degelijke donkere jassen en de witte kraagjes daaronder contrasteren fel met de blik die ze uitwisselen. Het is de blik die Fausto Coppi en Giulia Occhini elkaar in 1953 toewerpen als zij hem na het behalen van de wereldtitel de bloemen overhandigt. De blik waarin alles gebeurt, terwijl de wereld wegvalt.
Heeft Mien ook deze foto’s in een envelopje gestopt en naar huis gestuurd? Of heeft ze die blik haar leven lang voor zichzelf gehouden? Gekoesterd, als een kostbaar kleinood, slechts gedeeld met de kanaries die ze jaren later in haar keukentje kweekte?
Ook dat weet Miens nicht niet.
Ze weet echter wel wie die vrolijk lachende vrouw naast Mien is. Na de oorlog, toen Mien alweer een paar jaar in Loosduinen woonde, kwam ze wel eens op bezoek. Gewoon als vriendin hoor, voegt ze daar gehaast aan toe.

Maria Gaudens, zo heet ze. Wielrenster. En hoofdrolspeelster in een artikel in het Soerabaijasch Handelsblad, de krant die in augustus 1933 bedenkt dat het ‘kampioenschap van Europa door vrouwelijke wielrenners’ misschien een leuk verhaal voor de vrouwenrubriek kan opleveren. Zodoende reist de journaliste van dienst op zondag 27 augustus 1933 naar Waterloo – niet wetende dat dat uurtje trammen het begin is van een uniek artikel. Als ze in de loop van de ochtend aankomt in het kleine dorp, ziet ze hoe de deelneemsters aan de wedstrijd zich, zittend aan tafels op straat, voorbereiden. Een van die rensters nodigt de journaliste uit aan te schuiven, aan haar tafel is toch nog een stoeltje vrij. Aldus maakt de journaliste kennis met Maria Gaudens, ‘een rossig blonde twintigjarige (natuurlijk met gepermanente haren, er is hier geen vrouw die zónder loopt) een stevige meid met een paar krachtige beenen, een sympathiek gezicht, heldere, blauwe oogen, wat sproeten op de rozig verbrande huid. Met de ellebogen op tafel zat ze op haar gemak met de vingers een bleekvleezig gebraden kippetje te beplukken.’ De journaliste besluit Maria de rest van de dag te volgen. Maria blijkt zich gedegen voor te bereiden op de koers. Haar broer komt zo om haar benen te masseren, vertelt ze de journaliste, maar eerst moet ze zich nog omkleden. Als ze even later terugkomt, heeft ze haar gekleurde trui en haar bruine plusfour ingeruild voor een blauw truitje en een korte, zwarte broek. Op haar rug prijkt een groot vierkant stuk stof. Nummer tweeëntwintig is ze vandaag. Na de massage vult ze de voorop haar shirt genaaide zak met druiven, een fles drinken verdwijnt in een zijzak. Tot slot breekt ze twee rauwe eieren stuk en giet ze achter elkaar naar binnen. Dan is het tijd. Koers!
Bijna zestig deelneemsters staan aan de start van dit EK en ze hebben vijfenzeventig kilometer voor de boeg, verdeeld in veertien rondjes om het dorp. Langs de gehele route staat het publiek, dicht opeengepakt. De rensters maken er een harde koers van; in de eerste paar rondes ziet Maria nog kans haar familie in het voorbijgaan toe te knikken, maar al in de vijfde ronde is het volle bak. De gezichten worden roder, de gepermanente kapsels zakken per ronde verder in en de grimassen worden steeds krampachtiger. Dertig kilometer per uur, schreeuwt de speaker. Ook het publiek schreeuwt, Vlaamse en Franse uitroepen galmen door de straat. ‘Elvire, Elvire, c’est Elvire!’ Elvire De Bruyn – de grote ster van het peloton – wint, afgetekend.
Na afloop vindt de journaliste haar hoofdpersoon terug in het café, met haar familie in een kringetje om haar heen.
‘Se is weir gefalle,’ zegt moeder Gaudens.
Maria trekt een grimas terwijl ze nog wat aangekoekt zand van haar benen probeert te vegen. Ze is al bij de dokter geweest, vertelt ze. ‘Me tande stonde heilemaol scheif en die het de dokter weer recht geslaoge. En d’ne bult op het vourhoufd heit ie met een leige bierflesch weer gladgerold.’
Zich verbazend over de aanpak van de dorpsdokter geeft de journaliste Maria nog een glas bier en besluit dan terug te gaan naar Brussel. Daar zal ze later die week haar verhaal over de dameskoers op papier zetten, een verhaal waarmee ze de lezers van het Soerabaijasch Handelsblad een uniek inkijkje in het leven van een wielrenster geeft. Tachtig jaar later kleuren haar woorden ook het leven van Mien van Bree weer wat verder in.

De zoektocht naar Miens woonplaats in België heeft nog niets opgeleverd. Een tijd lang lijkt het antwoord binnen handbereik te zijn, vanwege de foto waarop ze met haar fiets aan de hand voor een café poseert. De wegwijzer op de foto wijst naar Erembodegem, inzoomen maakt zelfs de naam van het café zichtbaar: Het Houten Hand. Een café dat nog altijd bestaat. Aan de buitenkant verraden slechts de auto’s op de parkeerplaats de sprong in de tijd. Ook binnen is er weinig veranderd, vertelt de eigenaar van het etablissement. Houten lambrisering, uitgesleten houten planken op de vloer, houten hekjes die de grote ruimte in gezellige hoekjes opdelen en achterin de zaak een strak gelakte bar met glanzende bierpompen. Heeft Mien op deze zelfde planken rondgelopen, rennend van de ene bestelling naar de andere? Een wit schortje voor, misschien zelfs een gesteven kapje op haar hoofd? Best mogelijk: Erembodegem ligt in het toenmalige centrum van de vrouwenkoers en volgens het register van notaris De Vuyst, die café Het Houten Hand in 1940 per openbare verkoping aanbiedt, beschikt het pand over ‘vier groote slaapkamers en ruime zolders’; ruimte genoeg voor een inwonende serveerster. Helaas heeft de huidige eigenaar nog nooit van Mien van Bree gehoord. En nee, de foto heeft hij ook nog nooit gezien.
Miens nicht maakt resoluut een einde aan het beeld van Mien met een dienblad vol bier in Het Houten Hand. Ze schudt nee terwijl ze met haar vinger op de foto tikt. ‘Het café heette Holland. Of zoiets. Holland kwam in ieder geval in de naam voor. Ja, dat weet ik zeker, hoor. Ik heb er nog een foto van gehad, het was zo’n café met een terras ervoor.’
Holland? Ze knikt. Holland, ja. En trouwens, de naam Aalst heeft ze ook wel vaker gehoord. Waarom ze zich dat eerder niet eerder herinnerde, weet ze niet.
De cafénaam Holland in Aalst leidt echter tot niets. Ja, er waren wel een paar cafés met Holland in de naam, ook in Aalst. Maar van Mien van Bree geen spoor.

In de stilte achter de zware getraliede deuren van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel komt Mien toch weer wat dichterbij. Op 4 augustus 1934 bericht Het Laatste Nieuws over het kampioenschap van België dat de volgende dag in Leuven wordt verreden. Op de lijst der deelneemsters prijkt Miens naam, direct na die van Elvire De Bruyn. In de krant van 5 augustus wordt de uitslag vermeld: Elvire wint, op de vijftiende plaats staat ene Vanbrie – de journalist had waarschijnlijk haast. Het verslag van het “Championnat du Monde” te Schaarbeek verhaalt over Elvire De Bruyn die op onbetwistbare wijze wereldkampioene wordt; men schat de massa op honderdduizend mensen. Mien staat in de uitslag als achtste vermeld. In juli 1935, op het kampioenschap van Antwerpen, wordt Mien derde. Maria Gaudens wint de koers. Ook in andere uitslagen komt Mien voor: tijdens een koers van vijfenzeventig kilometer in Lessen wordt ze zevende, tijdens het kampioenschap van België in 1935 wordt ze vijfde, tijdens een wegrit in Moustier tweede. Ook andere kranten maken melding van Mien. De Schelde vraagt zich op 29 juli 1934 af wat Elvire De Bruyn en haar Belgische collega’s gaan doen tegen de kampioene Van Bree die zich ook heeft ingeschreven voor het baankampioenschap van Antwerpen. En op 5 september van datzelfde jaar besteedt Sportwereld aandacht aan Mien: “Alphonse Schada [hier wordt waarschijnlijk ‘Strada’ bedoeld, MT] heeft haar uiterste best gedaan, leverde puik werk, maar toch dient de Hollandsche Mien voor alle het meest geloofd!” De koers, het Europees kampioenschap voor dames, trok een publiek van duizenden, ondanks dat de regen halfkoers bij beken neerviel. “We moeten lang terugdenken om nog zulke reuzenstrijd te herinneren. Wat emotie!” vindt de journalist. Elvire De Bruyn wint de sprint. Mien wordt vijfde.
Uitgebreide wedstrijdverslagen zijn er echter niet en naarmate de gloriejaren van Mien naderen, worden ook de uitslagen schaarser. Wel is er een serie verhalen over Elvire De Bruyn: “Hoe ik van vrouw man werd”. In april 1937 laat dagblad De Dag Willy – voorheen Elvire – aan het woord over zijn nieuwe leven en de wanhoop, schaamte en verwarring waaronder hij tot zijn geslachtswisseling gebukt ging. Hij wil het opnieuw gaan maken, vertelt hij, als wielrenner, in plaats van als wielrenster. Maar terwijl het mannenpeloton er een renner met een verhaal bij heeft, verliest het vrouwenpeloton met Elvire een populaire publiekstrekker. Daar komt bij dat de Belgische Wielrijders Bond BWB zich al in 1935 begint af te zetten tegen de vrouwenkoersen. De bond verbiedt velodrooms koersen voor vrouwen in te richten, op straffe van schorsing. Veel velodrooms leggen het verbod naast zich neer; de vrouwenkoersen zorgen voor volle tribunes, een zegen voor de vele velodrooms die het hoofd maar ternauwernood boven water weten te houden. Het lijkt er echter op dat dit verbod, in combinatie met het verdwijnen van de absolute ster van de vrouwenkoers, ervoor heeft gezorgd dat de aandacht van het Belgische sportjournaille na 1937 verflauwt.

De geslachtsverandering van Elvire biedt Mien nieuwe kansen. In 1937 wordt ze Europees kampioene, maar haar grootste ambitie – de wereldtitel – weet ze niet te verwezenlijken. Ze wordt tweede. Op zondag 16 oktober 1938 probeert ze het opnieuw. Dat WK vindt plaats in La Louvière, zo’n vijftig kilometer onder Brussel. Het weer is redelijk goed: zo’n dertien graden, weinig zon, droog. Net als altijd controleert Mien haar fiets zelf en houdt ze de Magneet angstvallig bij zich, beducht voor de supporters van haar concurrentes die haar fiets al eens eerder onklaar maakten. Ze is geconcentreerd en weet dat ze alert moet koersen; winnen lukt alleen als ze zowel het peloton als de pech voorblijft; het zou niet voor het eerst zijn dat het halve peloton lek reed op uitgestrooide kopspijkertjes.
Een paar uur later staat Mien van Bree op het hoogste treetje van het podium, de overwinningspalm tegen de borst gedrukt. Misschien heeft ze zelfs een medaille om haar hals. Het Zaans Volksblad plaatst later die week een klein berichtje: de Loosduinse Mien van Bree is in La Louvière wereldkampioene wielrennen geworden. Ook de rubriek ‘Eigenwijze overwegingen’ van Sport in Beeld gaat kort in op Miens wereldtitel: ‘Alle respect voor Mien van Bree, maar ik moet toch eerlijk bekennen dat ik daar niet van houd. Niet alle sporten kunnen tenslotte door vrouwen beoefend worden en het wegrennen is daar een van.’ Voor de propaganda van de dameswielersport is een Nederlandse wereldtitel niet genoeg.
In 1954 reist Bosch van Drakestein af naar Loosduinen, voor een interview met oud-wielrenster Mien van Bree. Hij schrijft dat Mien haar wereldtitel van 1938 in het daarop volgende jaar weet te prolongeren en dat ze in 1939 ook weer Europees kampioene wordt. Het wonderlijke is echter dat Mien haar eerste wereldtitel volgens hem in Roucourt behaalde, terwijl de twee korte artikelen die vlak na die overwinning verschenen, La Louvière vermeldden. Ook de derde plaats op het WK van 1934 komt in het verhaal weer voorbij – ondanks dat Bosch van Drakestein zelf in 1934 nog schreef dat Mien achtste was geworden. Van de overwinningen die Mien in 1939 behaalde is tot nu toe in de archieven niets te vinden.

Als het Duitse leger in mei 1940 Nederland en België onder de voet loopt, blijft Mien in België wonen. Een jaar later gaat ze echter alsnog terug naar Loosduinen. Haar moeder lijdt al jaren aan reuma en de ziekte heeft haar gestel zo aangetast dat ze niet langer voor haar man en nog thuiswonende zoon Aad kan zorgen. Per brief vraagt ze haar enige dochter naar huis te komen. Mien zegt haar leven in België vaarwel, neemt haar fiets mee en zet deze naast haar opklapbed, in de kleinste slaapkamer van de bovenwoning aan de Tramstraat waar haar ouders dan wonen. Vanaf dat moment lijkt ze af te rekenen met de hartstochten die haar eerder richting het zuiden joegen; ze verstikt ze in een onvermoeibare zorg voor haar moeder en het huishouden. Haar nicht herinnert zich dat haar tante tijdens de oorlog nog wel eens op de fiets sprong en naar België reed. ‘Ging ze sigaretten halen voor haar broers. Nou ja, ze kende de weg natuurlijk.’
In 1944 wordt Miens oudste broer Jan – de vader van mevrouw Barendse – tijdens een razzia opgepakt. Hij wordt afgevoerd naar Drenthe, verdwijnt naar Duitsland en wordt in Hamburg tewerkgesteld. Tijdens een van de vele geallieerde bommenregens die de stad in maart 1945 teisteren, komt Jan om; hij was te ziek om een schuilkelder op te zoeken. De familie weet lange tijd van niets en na de oorlog gaan Miens vader en Jans vrouw iedere dag naar het Rode Kruis, op zoek naar een teken van leven. Maanden later staat er een kleine groep jongens voor de deur. Ze hebben samen met Jan in Hamburg gezeten.
En zo hebben Miens ouders opnieuw een kind te betreuren. In 1919 hadden ze Miens zus Nelly al moeten laten gaan – het meisje stierf op dertienjarige leeftijd in een inrichting in Oegstgeest. Maar met haar dood konden ze nog iets van vrede hebben; Nelly leed aan het syndroom van Down en haar ouders wisten al vroeg dat ze niet oud zou worden. Jans dood is een ander verhaal: hij had nog een heel leven voor zich. Miens moeder komt de klap niet meer te boven. In maart 1952 overlijdt ze, waarna Mien bij haar vader blijft wonen. Wel gaat ze weer werken, eerst als verpakster op de veiling, later als verpleeghulp in Rosenburgh, een psychiatrische kliniek op nog geen tien minuten fietsen van de Tramstraat. Zeven jaar na Miens moeder sterft ook Miens vader. Miens broers besluiten dat ze in de bovenwoning mag blijven wonen, als dank voor haar jarenlange zorg voor hun ouders. Mien geeft haar fiets een plekje in de achterkamer en boven de bank hangt ze het schilderij dat ze aan haar buurmeisje te danken heeft. Maar praten over haar fietscarrière, dat doet ze niet. Als iemand ernaar vraagt, verandert ze zo snel mogelijk van onderwerp. Alsof ze zich schaamde, zeggen haar vroegere buurmeisjes. Mevrouw Barendse vraagt zich dat af; haar tante praatte er gewoon niet over. Punt. Wel herinnert ze zich de affaire rondom Foekje Dillema, daar wond Mien zich enorm over op, vertelt ze. Foekje – concurrente van Fanny Blankers-Koen, die samen met haar echtgenoot een niet al te frisse rol in deze episode speelde – moest in 1950 een geslachtstest ondergaan, waarna ze gedwongen werd zich terug te trekken uit de Nederlandse ploeg. De Nederlandse Atletiek Unie schorste Foekje voor het leven, waarna de atlete zich gekwetst en beschaamd terugtrok uit het openbare leven. ‘Tante Mien vond het zo verschrikkelijk voor die vrouw. Ze heeft haar zelfs nog een brief geschreven.’ Of dat dan was omdat Mien in Foekjes verhaal iets van zichzelf herkende, dat weet mevrouw Barendse niet. Foekje heeft Miens brief in ieder geval nooit beantwoord. ‘Anders had tante Mien dat heus wel verteld, toch?’

Het contact met haar wielervriendinnen uit België is dan allang verwaterd. In de eerste jaren na de oorlog krijgt ze nog wel eens bezoek; volgens mevrouw Barendse kwam Maria Gaudens meerdere malen naar Loosduinen. Ook Willy De Bruyn bracht wel eens een bezoek aan Mien, herinnert ze zich als ze een foto van Willy ziet. ‘Met zijn vrouw, die herken ik ook nog wel.’ Dat Willy tot 1937 als Elvire door het leven ging, daar hadden de mensen volgens haar geen idee van. ‘Het was gewoon een aardige man. Miens vader nam hem altijd even mee, gingen ze tuinen. Zo noemden we dat hè, als we de tuin gingen bekijken.’
In Loosduinen heeft Mien niet veel contact met de mensen om haar heen. Naast haar werk als verpleeghulp doet ze de was voor een aantal winkeliers uit de straat, maar het zijn contacten die zich beperken tot het werk wat ze voor hen doet.
Ergens aan het begin van de jaren zeventig gaat Mien samenwonen met de twaalf jaar oudere Annie, een zus van Miens bovenbuurvrouw. Mien is dan al jaren vaste klant van Zandvliet, de slijter aan het einde van de straat – jenever blijkt een goed medicijn om herinneringen weg te spoelen en gefrustreerde gevoelens aan het zicht te onttrekken. Of Mien ook tijdens haar jaren met Annie ommetjes naar Zandvliet maakt, is niet bekend, maar de relatie loopt halverwege de jaren zeventig wel spaak. Als Mien, na een korte vakantie bij vroegere buren op de Veluwe, thuis de deur opendraait, staat ze oog in oog met een echoënde stilte. Annie is weg en heeft het hele huis leeggehaald. De klap komt hard aan. Zo hard zelfs dat Mien moet worden opgenomen in de psychiatrische instelling waar ze zelf jaren heeft gewerkt. Volgens mevrouw Barendse was haar tante in die eerste weken totaal niet aanspreekbaar. ‘Tot ze me op een dag vroeg of ik haar kon vertellen hoe ze daar terechtgekomen was. Arme ziel, ze wist het echt niet.’ Uiteindelijk overwint Mien haar zware inzinking. Ze keert terug naar haar bovenwoninkje aan de Tramstraat, waar ze kanaries gaat kweken. Ook haalt ze vissen in huis, en een kat. Maar helemaal de oude wordt ze niet meer. Ze laat zich door haar schoonzus Marie, een fanatiek aanhangster van de Jehova’s Getuigen, overhalen zich bij deze geloofsgemeenschap aan te sluiten. Al te fanatiek wordt ze niet; de vergetelheid die de jeneverfles biedt, blijkt haar beter te passen. De liefde voor de koers blijft. In 1976 vertelt ze in een interview met de plaatselijke krant – het interview dat plaatsvindt omdat ze de plaatselijke ronde in gang mag schieten – dat ze hypernerveus van spanning wordt van de Tour de France. ‘Ik zit dan volop mee te trappen en gil het uit, zo van: Nou wegsprinten en pak die cours toch!’ Eddy Merckx en Joop Zoetemelk zijn haar favorieten.
In de zomer van 1983 vraagt Mien haar nicht of die haar wil helpen met het regelen van haar uitvaart – je weet immers maar nooit. ‘Alsof ze toen iets voelde.’ Een paar weken later gaat bij Miens broer Aad de telefoon. Het is Miens buurvrouw: ze heeft Mien al een paar dagen niet gezien. Aads vrouw Jannie gaat ernaartoe en vindt de oud-wereldkampioene. Mien is dan al overleden, gestikt in haar eigen braaksel. Ze is achtenzestig jaar geworden. Als enige tijd later het huis leeg moet worden gehaald, is mevrouw Barendse er ook bij. ‘Toen maakte de huisbaas nog een opmerking over de hoeveelheid lege flessen. Daar was ik wel boos om. Dat verdiende tante Mien echt niet.’

In 1959 gaf de Nederlandse Wielerbond de eerste officiële wielerlicenties aan vrouwen uit, eenentwintig jaar na Miens eerste wereldtitel. Het officiële Nederlandse kampioenschap voor vrouwen stond in 1965 voor het eerst op de agenda.

Geraadpleegde bronnen:
Nederland
Algemeen Handelsblad; De Randwijk; Het Leven Geïllustreerd; Het Vaderland; Soerabaijasch Dagblad; Sport in Beeld / De Revue der Sporten; Sport-Echo; Sportief; WielerRevue; Zaans Volksblad
België
De Dag; De Schelde; De Sportweek; De Volksstem; Geïllustreerde Sportwereld; Het Laatste Nieuws; LiNiAal (tijdschrift van Culturele Vereniging Nieuwerkerken); Sportrevue; Wereldrevue

Het verwoeste leven van Foekje Dillema, door Max Dohle; uitg. De Arbeiderspers, 2008
In het wiel van de Flandriens, door Roger Quaghebeur, uitg. De Klaproos, 2011
Sportgeschiedenis.nl
Stuyfssportverhalen.wordpress.com

Het schrijven van dit verhaal werd mede mogelijk gemaakt door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Met dank aan de familie van Mien van Bree en alle mensen die hun herinneringen aan Mien met mij wilden delen. Ook dank aan Fredy De Schryver, Dries De Zaeytijd, Pascal Delheye, Jos Verschueren, Jurryt van de Vooren, André Stuyfersant, Paul van der Meulen, Sander Peters, Eric Hennekam, Marijn de Vries, Maarten Boers, Henk van Schaijik, Bap van Breenen en iedereen van Het Is Koers.

verschenen in De Muur, september 2013

Op 12 maart 2014 interviewde Radio 1 mij over Mien van Bree.

De gesmoorde hartstochten van Mien van Bree | De Muur
Getagd op:                

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *