‘Gewoon wat beter je best doen’ | Events

Toen hij als jongeman stof lag te verzamelen op de ouderlijke sofa, was zijn moeder er snel klaar mee: aan het werk met dat lijf! En dus ging Jacques Does aan het werk. Wie toen had gezegd dat hij op een dag directeur van het toonaangevende The Security Company zou zijn, zou voor gek zijn verklaard. Maar Jacques werd het wel. Met een compagnon en een geheel eigen kijk op beveiliging en crowd management.

Of ik dat wil, de directeur van een beveiligingsbedrijf interviewen. De vraag is nog niet gesteld of ik zie ze voor me. Kleerkasten, twee meter hoog, twee meter breed. Het kringelsnoertje dat van oor in overhemdboord verdwijnt, de grote handen die m’n tas doorzoeken, de onderzoekende blikken en dan het knikje: in orde. En bij welk evenement je ook komt, altijd staan ze met de rug naar de plek waar het gebeurt. Frustrerend lijkt me dat; al die uitgelaten types die uit hun dak gaan om iets wat jij dus helemaal niet ziet. Of zijn ze zo gehard dat ze die frustratie niet voelen? Ik schrijf de vraag vast op en mail terug dat ik die directeur graag wil interviewen.

Vooroordelen
Jawel. Jacques Does is groot. En breed. Grijze krulletjes boven een vrolijk gezicht. Zijn handdruk is droog en stevig, zoals het hoort. Een bijpassende zware stem, het accent onmiskenbaar Amsterdams. In zijn kantoor hangen grote afbeeldingen van zwarte soulartiesten en ook in de wandelgangen van TSC zijn de muren opgesierd met mooie close-ups van muzikanten. Achter de ontvangstbalie een enorm houten paneel met daarop een uitvergroting van dat wat hier het belangrijkst is: zorgeloos genietend publiek dat helemaal opgaat in wat er op het podium gebeurt. ‘Zo vergeten we nooit voor wie wij hier met z’n allen zo hard werken’, zegt Jacques Does.
Het verhaal Jacques Does laat zich lezen als dat van een romanfiguur die na een min of meer mislukte schoolcarrière lijkt te zijn voorbestemd voor allerhande hapsnapbaantjes in de marge van de arbeidsmarkt. Jacques Does schreef echter een ander scenario. Of zijn huidskleur daar een rol in heeft gespeeld, durft hij niet direct te zeggen. Een extra drijfveer misschien? ‘Ik weet het niet, misschien dat het me wel wat meer bewijsdrang heeft opgeleverd. Kijk, ik heb heus wel eens te maken met vooroordelen. Ook in de beveiligingsbranche komen ze voor, net als in iedere andere branche. Maar ik realiseer me wel dat het vooroordelen zijn, niet op feiten gebaseerd. Onbewuste angsten, waarschijnlijk gevoed door de media.’ En denk trouwens niet dat hij zelf roomser is dan de paus: hij heeft twee dochters en we mogen er rustig van uitgaan dat hij straks ook wel wat vooroordelen heeft als er een gozer aan de deur staat. Het is mens-eigen, denkt hij. ‘Het gaat er vooral om hoe je ermee omgaat. Moet ik rottigheid uithalen om de vooroordelen te bevestigen? Of ga ik er alles aan doen om ze te weerleggen? Ik kies voor dat laatste.’ Kom bij hem dus niet aan met zielige verhalen en mensen die in de slachtofferrol vervallen; hij kan er helemaal niks mee en hij wil er ook helemaal niks mee. Mensen die zeggen dat het niet lukt omdat de samenleving buitenlanders geen kansen biedt? Onzin! Je moet gewoon wat beter je best doen en laten zien dat het anders kan. Binnen TSC werkt het ook zo. ‘We hebben hier alle religies, alle nationaliteiten. Dit is een open bedrijf, hier doen we wat in de Nederlandse samenleving niet lukt: iedereen werkt met elkaar samen, krijgt dezelfde kansen. We zijn een team. Hoe dat komt? We hebben een gemeenschappelijk doel, zo simpel is het. Iedere medewerker snapt op zijn eigen manier dat wij er zijn om het veilig te maken voor een ander. Dat kun je niet alleen.’ Van positieve discriminatie moet Does dus ook niets hebben. ‘Ben je gek! Dan krijg je een baan, niet omdat je goed bent in wat je doet, maar omdat je een kleurtje hebt of vrouw bent. Zo werkt het niet, wat mij betreft. Wij hebben verschillende vrouwelijke leidinggevenden op de werkvloer. Die functie hebben ze puur en alleen te danken aan het feit dat ze hun werk ontzettend goed doen. Niks meer, niks minder.’

Hard werken
In zijn jeugd dreef Does zijn moeder regelmatig tot waanzin. Ze was onderwijzeres en in de jaren zestig naar Nederland gekomen. Het waren de jaren waarin onderwijzers – net als de dokter en de notaris – het nodige aanzien hadden en dat was in de Surinaamse gemeenschap in Amsterdam niet anders. Tot haar grote frustratie had de kleine Jacques wel haar doorzettingsvermogen maar niet haar liefde voor onderwijs geërfd. Na de mavo was hij er wel klaar mee en na wat baantjes trok hij het groene uniform aan om zijn dienstplicht te vervullen. Toen hij die had afgerond, wist hij het even niet meer. Maar zijn moeder had met lanterfanten weinig op en zijn vader was het daar geheel mee eens. Ga wat doen, zei moeder Does, houd op met stof verzamelen. Er kwam een ultimatum achteraan: de dag dat hij zou stoppen met werken zou de dag zijn waarop hij op straat stond. Zonder dak boven zijn hoofd. Does lacht bij de herinnering: ‘Nu begrijp ik dat wel. En vergis je niet, Surinaamse moeders bepalen de maat in huis. Toen ik net werkte, gebeurde het wel eens dat ik de telefoon niet opnam omdat ik geen zin had in een avonddienst. Nou, dan belden ze m’n moeder. Een van m’n chefs was ook Surinamer, die wist precies hoe het werkte. En ik deed die avonddienst. Ja, wat denk jij dan!’
Hij kwam bij beveiligingsbedrijf VNV terecht, als beveiliger. ‘Twee nachten heb ik op de fiets gezeten, omdat de surveillant die mij inwerkte geen rijbewijs noch enig idee van de autoroutes had. Sloeg natuurlijk nergens op. Die man reed rond met zo’n grote tas op zijn heup, vol met sleutels van alle panden, plus een grote zaklantaarn.’ Zelf stapte Does dus meteen in de auto. En toen hij tien jaar later bij VNV wegging, was hij manager van de surveillance en verantwoordelijk voor Noord-Holland en Utrecht. Zijn carrière heeft hij mede te danken aan een aantal chefs die hij in die eerste jaren ontmoette. Mensen die wat in hem zagen en hem aanspoorden diploma’s te halen en managementtrainingen te volgen. Dat deed hij, het zou hém niet gebeuren dat hij straks onder zo’n onervaren broekie van het HBO moest werken. Maar dat gebeurde uiteindelijk toch, toen VNV een grote reorganisatie doorvoerde. Does vertrok en ging als freelance docent aan de slag bij Minerva, aanbieder van opleidingen in recherche- en beveiligingswerk. De grap ontgaat hem niet. ‘Ik, voor de klas! Geloof maar dat ik mezelf af en toe herkende in die gasten daar. Geen zin hier, smoesje daar; ik had de grootste lol.’ Bij Minerva bleek ook de kiem voor TSC te liggen. Gerard van Duykeren werkte er namelijk ook als docent en al gauw vonden de twee tegenpolen elkaar. Eerst door klassen van elkaar over te nemen, daarna door samen projecten als het North Sea Jazz en Drum Rhythm te doen, onder de vlag van Event Security Holland (ESH), de beveiligingspoot van Mojo. Uiteindelijk is daar dus in 1994 TSC uit voortgekomen, vertelt Does. Bij ESH zat hij direct op zijn plek. ‘Daar ging het erom dat je deed waarvoor je werd ingehuurd. Gewoon hard werken, dat diploma was veel minder interessant. Neger dit, Amsterdammer dat; zulke dingen speelden helemaal geen rol. Die mentaliteit hebben we bij TSC nog steeds.’

Disneymodel
In beveiligingsland is veel veranderd, vindt Does. Strengere regelgeving en – mede als gevolg van de crisis – lagere marges: TSC moet meer meters maken voor dezelfde omzet. Het is een echte inkopersmarkt geworden, constateert hij. ‘Men vergelijkt op prijs, soms word je tegen elkaar uitgespeeld. En om te overleven gaan sommige bedrijven toch net even iets ruimhartiger met de regels om.’ TSC doet daar niet aan mee: de grootste speler in de markt heeft een goede naam hoog te houden.
En er is meer veranderd. Waar Does en zijn collega’s twintig jaar geleden nog werden uitgelachen vanwege hun “service with a smile”-concept, zijn er nu steeds meer bedrijven die deze vriendelijke benadering omarmen. ‘Vroeger zeiden sommige beveiligers: ‘Hoezo smile? Die gasten moeten zich gewoon gedragen, anders vliegen ze eruit!’ Nu zie je dat gastheerschap echt is opgekomen. Maar wij doen dat dus al jaren. Wij kijken ook al jaren naar het Disneymodel. Het verbaast mij nog altijd: in Aziatische landen wordt service als een positieve waarde erkend en hier zien we het als zwakte. Al dat plastic gedoe, zeggen we dan. Tegelijkertijd vinden we het wel leuk als iemand ons een prettige dag wenst. Wat maakt het dan uit als dat plastic is? Het is toch simpelweg veel beter dan ‘Wat kom je hier doen?’. Het neemt niks van je weg, sterker nog: het maakt je werk alleen maar leuker. Ik geloof dus niet in brute kracht, want er is altijd wel iemand groter, breder en sterker dan ik. Ik geloof in vriendelijkheid. Het psychologisch model achter het sturen van groepen op basis van vriendelijkheid is wezenlijk anders. Een voorbeeld? Stel, jij komt ergens binnen en de beveiliger begroet je, kijkt je even aan en zegt dan “Nou jongedame, fijne avond hoor, geniet ervan!”. Drie minuten later zie jij diezelfde beveiliger iemand vastpakken en meenemen. Dan denk jij: Die gast zal wel wat geflikt hebben, want die beveiliger was net echt hartstikke aardig. Maar als de beveiliger jou bij de ingang onvriendelijk bejegent en even later iemand in de kraag vat, denk jij iets heel anders: Tegen mij was-ie ook al zo onbeschoft, wat een akelig type zeg. En dan ook nog zo’n arme kerel bij de kladden grijpen! Vergis je niet, dat soort mechanismen heb je niet eens in de gaten. Maar zo werkt het wel.En weet je wat het ook is? Degene die uit is op rottigheid, voelt zich ongemakkelijk als hij bij de ingang vriendelijk wordt bejegend en aangekeken. Die voelt zich plotseling bekeken. Het is allemaal psychologie: het identificeren, het erkennen en herkennen van mensen leidt tot een afname van afwijkend gedrag. En ons werk wordt er leuker van. Wie wil dat nu niet?’
Als ik later achter m’n bureau zit, realiseer ik me dat ik nog steeds niet weet of beveiligers dat niet frustrerend vinden, al die fun die zich áchter hun brede ruggen afspeelt. Nou ja, die vraag bewaar ik dan maar voor een concert; dan kan ik het de beveiligers zelf vragen.

Over The Security Company
Het in Utrecht gevestigde The Security Company wordt geleid door Jacques Does en Gerard van Duykeren. In Nederland is TSC marktleider in evenementbeveiliging en crowd management. De onderneming telt honderd werknemers en zo’n vijftienhonderd oproepkrachten; samen zorgen deze mensen voor beveiliging en crowd management tijdens festivals, concerten, sportevenementen en andere grote evenementen. Daarnaast voorziet TSC in diensten als objectbeveiliging, hospitality, verkeersbegeleiding, brandpreventie en algehele adviestrajecten. De TSC Academy vormt de opleidingstak van het bedrijf.

Gepubliceerd in Events – november 2014

De valkuilen van de nieuwe fiets | Fiets

Misschien rijd je nog op een prachtig tweedehandsje. Of heb je na twee jaar toch wel het gevoel dat je het uiterste uit je eerste racer hebt gehaald. Hoe dan ook: het is tijd voor een nieuwe! Maar op het moment dat je dat besluit, begint de ellende…

‘Wel aluminium doen hoor, veel steviger dan die tere carbonkarretjes.’ ‘Man, één keer op je plaat en je kan ‘m weggooien!’ ‘Nee, nee, geen 105, ik zou echt voor de Dura-Ace gaan.’ ‘Ben je gek zeg, je koopt toch een Italiaan? Dan moet er Campa op, barbaar!’
En ondertussen spit je al die websites door, van de ene mening naar de andere tip. Fietsvrienden en -vriendinnen bestoken je met goedbedoelde raad en bladerend door Fiets begin je nog net niet te kwijlen: de ene fiets is echt nog mooier dan de andere. Maar ja, de euro’s groeien niet aan de boom. Dus wat is een goede fiets als je zo’n duizend euro stuk mag slaan? En waar moet je vooral op letten? Fietsenmaker Frank van den Heuvel – eigenaar van DallaCollina Cycling in Amerongen – staat erom bekend dat hij geen blad voor de mond neemt. Een prima eigenschap, zeker als je door de bomen het bos echt niet meer ziet. Tijd dus voor een ritje naar Amerongen.

Verlengstuk
Waar gaan we vanuit, is zijn eerste vraag. Ah, daar begint het natuurlijk, want inderdaad: waar ga je vanuit? Waar fiets je het liefst, hoe vaak fiets je en hoe lang rijd je dan, wat wil je met je fiets en wat is je budget zo ongeveer? Iedere goede fietsenmaker begint met deze vragen, vindt Frank van den Heuvel. ‘Dat is de basis en het is aan de fietsenmaker die te combineren met de wensen van de fietser.’ Zijn ervaring is dat er drie verschillende kopers zijn: de praktische koper, de koper met de verlanglijst en de functionele koper. De praktische koper schaft een tweedehands fiets aan en de koper met de verlanglijst wil een fiets die op z’n minst de uitstraling heeft van de wérkelijk gewenste fiets (die dus veel te duur is). En de functionele koper? ‘Dat is heel vaak een vrouw. Nou ja, dan generaliseer ik natuurlijk wel een beetje, maar grosso modo komt het hier wel op neer. Vrouwen vinden uiterlijk en onderdelen van de fiets vaak minder belangrijk.’ Grinnikend: ‘Sommige mannen zijn toch meer op zoek naar dat bekende ‘verlengstuk’.’

Meten en kijken, kijken en meten
Zoveel fietsen, zoveel adviezen en dus ook zoveel valkuilen. Je blindstaren op de groepen (drivetrain) is er een van, je verlekkerd verheugen op die ene bloedmooie fiets is ook een beruchte. Het uiterlijk is belangrijk, de groepen zijn dat zeker ook, maar de zoektocht moet er niet mee aanvangen, vindt Van den Heuvel. ‘De maatvoering, dat is er eentje waar nog wel eens te licht mee wordt omgesprongen. Geometrie is belangrijker dan menigeen denkt. En voor de consument gaat het dan vooral om de hoogte en lengte van het frame, de andere maten zijn vooral interessant voor de fietsenmaker. Sterker nog: al die verschillende maten die je vaak in fietsbladen en op de websites van de fabrikanten ziet, zijn voor de consument alleen maar verwarrend.’ Maar waar moet je dan wel op letten? Ja, je binnenbeenlengte natuurlijk, want die bepaalt de hoogte van het frame. Toch is dat niet het enige: ook je eigen flexibiliteit is een factor van betekenis. ‘Iemand die heel flexibel is, zit wellicht beter op een groter frame dan je op basis van zijn binnenbeenlengte zou denken.’ Van den Heuvel vindt het daarom belangrijk dat fietsenmakers goed kijken naar hóe de klant op zijn fiets zit. ‘De flexibiliteit van het lichaam is namelijk minstens zo belangrijk, soms zelfs belangrijker. Hoe ver buig jij voorover, hoe diep wil en kan je zitten, welke zit past bij de flexibiliteit van jouw lichaam? Dát is de taak van de fietsenmaker, om dat samenspel te achterhalen en op basis daarvan te adviseren.’
Wil je het tot in de puntjes perfectioneren of heb je snel last van pijntjes, dan is een dynamische fietspositiemeting aan te raden. Deze metingen worden in de meeste gevallen door sportartsen of fysiotherapeuten uitgevoerd. Zij zetten je op een fiets en nemen je al fietsend op, waardoor ze met behulp van speciale computerprogramma’s kunnen zien wat de ideale instellingen van je fiets ten opzichte van je lichaam en de functionaliteit van je lichaam zijn.

Maak de juiste combi (1)
De volgende vraag is er een waarvan het belang volgens Van den Heuvel dan weer schromelijk wordt overschat. De groep. Jawel, hij zegt het echt, en hardop ook nog: ‘Het belang van de groep wordt overschat.’ Hij gaat er eens goed voor zitten en legt dan uit wat hij bedoelt: ‘Heel veel fietsers kijken naar de groep waarmee ze fietsen of willen fietsen. Men kijkt vaak niet naar de combinatie van frame en wielen, terwijl het daar juist om draait. Als je voor tweeduizend euro een complete racer met carbon frame en Ultregra koopt, kun je wel nagaan dat de wielen de sluitpost zijn. En dat is zonde, want het comfort van je fiets wordt bepaald door de combinatie van frame en wielen en niet door de groep die je hebt. Als je een goed frame combineert met goede wielen, maakt het voor het rijden niet uit of je er nu 105 of Dura-Ace op zet. De verschillen die daar nog tussen zitten, zijn voor de mensen die echt op hoog niveau rijden. De gemiddelde fietser gaat er echt niet beter of harder door rijden.’

Maak de juiste combi (2)
Zo, dat weten we ook weer. Door naar het volgende aspect: de torsiestijfheid. De wat? De torsiestijfheid; een vast onderdeel van iedere fietstest. Maar wat is het eigenlijk? Het blijkt eenvoudiger dan gedacht: torsiestijfheid wil gewoon zeggen hoe stijf je frame is. Wanneer je kracht op de pedalen zet, maakt je frame zijwaartse bewegingen. Hoe kleiner die beweging, hoe stijver het frame en – niet verrassend als je er goed over nadenkt – hoe minder comfortabel de fiets. Tegelijkertijd betekent een hoge torsiestijfheid wel dat de fiets strak reageert op jouw bewegingen en beter is te sturen. En het gebrek aan comfort is te compenseren, vertelt Van den Heuvel: ‘Een comfortabeler zadel en banden van 25 millimeter in plaats van 23 millimeter; dat maakt nogal wat uit. Heel veel mensen zeggen dat een frame met een hoge torsiestijfheid absoluut beter is, maar dat is niet zonder meer waar. Het gaat opnieuw om de combinatie. Een superstijf frame vraagt ook om stijvere schoenen plus daarop afgestemde wielen, anders ben je het hele effect van die stijfheid meteen alweer kwijt. En bovendien moet je je altijd afvragen of zo’n stijf frame wel bij jou als fietser past. Sprintkanonnen als Cavendish en Kittel, die hebben er wat aan. Maar ranke klimmers als Gesink of Kelderman zijn juist gebaat bij wat meer comfort, omdat dat bergop nu eenmaal beter rijdt.’ Overigens kan een frame ook weer té comfortabel zijn: duikt het cijfer van de torsiestijfheid onder de 70, dan heb je een probleem. Op het gladde asfalt is er nog niets aan de hand, maar kom je onderweg een paar van die gezellige Hollandse klinkerweggetjes tegen, dan moet je de lippen goed op elkaar persen om te voorkomen dat de vullingen je uit je mond rammelen…

Carbon. Of niet…?
Carbon, aluminium, staal, titanium; nog zo’n hachelijk discussiepunt. De keuze voor een frame is allereerst afhankelijk van je budget. Even generaliserend gaan we er in dit verhaal dus van uit dat de fietser die een opvolger voor z’n tweedehands Marktplaatskarretje zoekt, daar niet meteen een paar duizend euro tegenaan wil gooien. Geen probleem: voor zo’n duizend tot twaalfhonderd euro koop je een uitstekende racefiets waar je jaren plezier van hebt. Voor welk materiaal kies je dan? Voor carbon, zegt Van den Heuvel stellig. ‘De laatste jaren zijn prijs en kwaliteit van de carbon frames goed op elkaar afgestemd. En carbon rijdt vaak comfortabeler.’ Toch kleven er ook nadelen aan carbon. Carbon repareren is goed mogelijk, maar, zo waarschuwt de technische redactie van Fiets, de fiets keert er niet mee in nieuwstaat terug. Heel simpel gezegd is carbon opgebouwd uit verschillende lagen die tezamen de sterkte van het frame bepalen. Een scheur ondermijnt die sterkte en die is met een reparatie niet volledig terug te brengen, omdat een reparatie de samenhang van die lagen niet kan herstellen.

Staal dan maar…?
Dan het stalen frame – is dat een optie? Je moet het in ieder geval geen probleem vinden je fiets regelmatig tegen roest te beschermen. Een stalen frame is over het algemeen wat zwaarder en vanwege het gewicht van het materiaal is de vormgeving vaak eenvoudig en strak. Verder is staal goed te repareren.
Rondkijkend in de prijsklasse tot zo’n twaalfhonderd euro zit je met een aluminium frame erg goed. Aluminium is licht en sterk, maar wel heel stijf. Om die stijfheid te compenseren en het comfort van de fiets te vergroten, rusten veel fabrikanten aluminium fietsen uit met een carbon voorvork en zadelpen. Aluminium is wel weer lastiger te repareren.
Dan nog iets over titanium, want ja: schitterend mooi en nog duurzaam ook. Volgens veel technische tests is titanium het meest geschikte materiaal voor een fiets: supersterk, licht, schokabsorberend, goed te repareren en voor roest hoef je ook niet bang te zijn. Ben je echter niet van plan meer dan twaalfhonderd euro uit te geven, dan kun je titanium beter nog maar even buiten beschouwing laten. Titanium is duur spul en zelfs als je een frame uit China haalt, lopen de totale kosten van een compleet afgemonteerde fiets hard richting de tweeduizend euro. Dat je daarmee wel een fiets ‘voor het leven’ hebt, is een overweging die je vooral zelf moet maken.

Voor de meisjes
Wij fietsende meisjes hebben nog een extra keuzemogelijkheid: een damesframe of een herenframe? Wie echter wel eens naar Marianne Vos en haar collega’s kijkt, is het misschien al opgevallen: in het damespeloton zie je geen damesframes. Een slimme marketingtruc, die speciale damesframes? Van den Heuvel knikt: ‘Pure marketing!’ Waar de dames wel op moeten letten, zijn zadel en stuur. ‘Het stuur moet niet te breed zijn, je vingers moeten goed bij de remmen en shifters kunnen en een speciaal dameszadel is in de meeste gevallen geen overbodige luxe. Die zadels zijn wat breder, omdat de zitbotjes van vrouwen nu eenmaal wat verder uit elkaar staan.’

Huiswerk
Voor je daadwerkelijk bij je fietsenmaker naar binnen stapt, is het zaak wat dingen op een rijtje te zetten. Huiswerk vooraf dus:
• Bedenk wat jouw overtuigingen zijn. Ben jij er zelf van overtuigd dat Ultegra top is? Dan moet je je budget daarop aanpassen, want een fiets met een andere groep zal je nooit zo veel moraal geven als die ene met Ultegra.
• Wat voor fietser ben je en wat voor fietser zou je willen worden?
• Zijn er dingetjes aan je huidige fiets die je irriteren?
En de allerbelangrijkste: zoek de fietsenmaker die bij je past en die je vertrouwt. Van den Heuvel: ‘Laat je niet gek maken door al die verhalen, adviezen en tests. Iedere fietser is anders en wat voor de een fantastische fiets is, kan voor de ander op een totale miskleun uitlopen. Het is aan de dealer om jouw wensen en mogelijkheden en de kwaliteit van je fiets bij elkaar te brengen zodat je met de voor jou beste en mooiste fiets wegrijdt.’

Nog even over zweet en ander bacteriologisch gespuis
Zweten is goed voor je lijf en als je met een droge rug huiswaarts keert, heb je gewoon niet hard genoeg gefietst… Maar zweet zorgt er ook voor dat je fietsuitrusting slijt – en dan hebben we het niet alleen over je fietsbroek! Een paar overwegingen:
Na vier tot vijf jaar intensief gebruik is je helm aan vervanging toe. Reden: zweet trekt erin, je fietst ermee door hitte en kou en als gevolg daarvan droogt de helm in de loop van de tijd uit waardoor hij poreus wordt en sneller breekt.
Je stuurlint vervang je drie tot vier keer per jaar. Want inderdaad, dat lintje neemt zweet op en is dan ook een heerlijke broedplaats voor bacteriën. Beeld je in: een kleine schuiver, een schaafwond aan je hand en dan dat stuurlint boordevol griezelige bacteriën. Meer hoeven we niet te zeggen, toch?
Wielerbroeken zijn na een jaar intensief gebruik echt aan het eind van hun Latijn. De zeem neemt geen bacteriën meer op en je hebt er dus niets meer aan. Wissel je regelmatig van broek, dan doe je er natuurlijk langer mee. Nog een tip voor een goede broek: check of de stof horizontaal en verticaal rekbaar is. En besef dat je lijf went aan kwaliteit. Draag je altijd de wat betere broeken en koop je plots een goedkoop floddertje, dan zal je lichaam je dat niet in dank afnemen!
Onderkleding is bedoeld om je huid droog en comfortabel te houden, maar ook dat houdt een keer op: na een jaar of twee tot drie is de stof echt uitgerangeerd. Wil je lekker rond blijven fietsen, is een nieuw ondershirtje op zijn tijd wel nodig.
Voor schoenen geldt dat ze normaal gesproken een behoorlijk aantal jaren mee gaan – natuurlijk tenzij je ermee onderuit gaat. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Fiets – maart 2015

Sex sells | Het is Koers

Zo. Beetje bekomen van het CIRC-rapport? Het was wat hè, met die Hein Verbruggen die de handen meteen weer in onschuld wast. En zo’n Pat McQuaid die dat voorbeeld direct volgt – maar wanneer deed hij dat eigenlijk niet? Oh, en renners die tegenwoordig met microdoses rondrijden, waardoor ze zo’n drie procent sneller de berg oprijden dan al die naïevelingen die denken dat het tegenwoordig echt op een paar bruine boterhammen met pindakaas kan. Maar goed, laten we niet lullig doen: waarschijnlijk gaat het om nog maar zo’n twintig procent van de renners – valt best mee toch? Nou ja, er waren er ook die het over negentig procent hadden toen ze tegenover de functionaris van het onderzoekscomité zaten. Zwartkijkers, natuurlijk. Die kom je echt overal tegen.
Vraagt u zich al af wanneer ik het over seks ga hebben?
Ja, dat dacht ik al.
Blij toe hoor, dat u zo zit te popelen. Ik snap het ook wel, want laten we eerlijk zijn, dat wielrennen is toch tamelijk seksloos. Ja, wij vrouwen kunnen nog wel eens kwijlen van de dijen van Fabian en het achterwerk van Kittel. Maar da’s toch meer iets tussen ons, de meisjes die van koers houden. De rondemissen dan. Maar u weet toch ook wel dat al die fraai zwaaiende en kussende meisjes na verloop van tijd met zo’n schriele wielrenner trouwen, hè?
Nee, laten we het nu eens echt over seks hebben. Seks in het wielerpeloton. Seks na de training. Seks op de baan. In de kleedruimte wellicht. Of onder de douche. Seks om een plek in een ploeg. Seks voor een contract. Seks om een plek in de selectie die wedstrijd A, B of C gaat rijden. Want het is u wellicht ontgaan, maar het rapport van de Cycling Independent Reform Commission – inderdaad, dat CIRC-rapport waar ik mee begon – heeft het dus ook over dit soort seks. Op pagina 70, om precies te zijn. Ja, ik weet het, pagina 69 was wellicht toepasselijker geweest, maar goed, dat zijn details. Pagina 70 dus. Daar vertelt de commissie dat haar ter ore is gekomen dat het vrouwenwielrennen de afgelopen jaren op bar weinig ondersteuning kon rekenen. Dat zal geen wenkbrauw doen fronsen.
Maar dan.
De commissie schrijft verhalen te hebben gehoord over rensters die financieel werden uitgebuit. En – naar verluidt – seksueel. Seksueel en uitgebuit. Twee woorden die je niet in één zin tegen wilt komen.
Het is een zin die beelden oproept die je veel liever niet wilt zien.
De commissie gaat nog even door trouwens, over dat vrouwenwielrennen. Over dat er managers afkomstig uit het mannenwielrennen in rondlopen – of liepen. Op zich geen probleem, denkt u dan. Tot u het vervolg van de zin leest: mannen die niet voldoende kwaliteit hadden voor een functie in het mannenwielrennen.
Nog meer?
Nou, vooruit dan.
De overduidelijke mogelijkheden die het vrouwenwielrennen heeft, werden in de kiem gesmoord door een door mannen gedomineerde sport die het potentieel van het vrouwenwielrennen niet doorzag.
Iedere zin die het CIRC-rapport aan vrouwenwielrennen besteedt, ademt ongelijkheid. En of het dan inderdaad gaat om seks in ruil voor een plek in een ploeg of om ordinair misbruik, gewoon omdat de gelegenheid zich voordoet, dat maakt dan eigenlijk niks meer uit. Wat wel uitmaakt, is de macht en de soms walgelijke oneerlijkheid daarvan. Wat wel uitmaakt, is dat niemand het erover heeft. Niemand. Kranten, blogs en timelines vol dopingverhalen. Honderdduizend meningen over of het nu twintig of negentig procent van het peloton is dat naar epo, cera, Viagra en/of cortisonen grijpt. Columnisten die over elkaar heen buitelen om het rapport te prijzen dan wel af te kraken en de aanbevelingen beoordelen als belachelijk of als een goed begin. Ondertussen zijn het de renners zelf die hun keuzes maken. Ingefluisterd door de dromen die ooit onder de met wielerposters behangen zoldering werden gedroomd. Dromen over geel, over wit, over bolletjes, over juichend over de streep. En dan, op een dag wordt die dromende renner wakker, met zijn zaakwaarnemer, zijn sponsor, zijn ploegleider of zijn soigneur op de rand van zijn bed. Ik kan daar van alles van vinden, maar dat doet iedereen al en negen van de tien keer zijn dat meningen die wat mij betreft veel te zwart-wit zijn. Ik houd niet zo van zwart-wit.
Tenzij het om serieus onrecht gaat. Om misbruik. Om uitbuiting. En om het verzwijgen daarvan. Dan word ik ineens heel zwart-wit. Sex sells – maar niet in sport. Nooit in sport. En – nog even los van de sport – nooit als er geen gelijkwaardigheid aan ten grondslag ligt. Iets met allebei willen – inderdaad.

Het is Koeers – maart 2015

Plakken | Van Dale Jubileumboek

IMG_2224Wielrennen. De Dikke van Dale. Ik zeg de woorden hardop en laat ze zo’n beetje door mijn werkkamer dwarrelen. Probeer er beelden bij te zien, maar kom niet verder dan een renner die een paar kilo woordenboek in zijn koerstruitje stopt zodat de beklimming van berg zus en zo nog wat extra gewicht krijgt. Op zich misschien best een nuttige training. Maar, nee.
Lezende renners dan? Maar lezende renners vormen een nogal uitzonderlijk ras in het peloton. Lezen, dat past bij renners die net even anders zijn. Zo’n Bauke Mollema, dat is een lezer, die schrikt niet van zeshonderd pagina’s boek. ‘Ach ja, dat is Bauke,’ zeggen zijn ploeggenoten dan, waarna ze hun ogen weer op hun smartphone of tablet richten. Het is overigens wel een mooi beeld: Bauke onderuit gezakt in de velours fauteuil van de luxueuze teambus, de gladde benen uitgestrekt in het gangpad, de scherpe gelaatstrekken, de lippen wellicht iets getuit, de blonde wenkbrauwen licht gefronst en de ferme neus die het laatste zweempje drukinkt opsnuift. Maar hoe mooi ook, het beeld brengt me niet dichter bij die drie strenge ruggen die mij iedere werkdag vanaf de hoek van mijn bureau aankijken. En daar moet ik dus wel naartoe.
De Dikke van Dalen en wielrennen; opnieuw proef ik de combinatie op mijn tong. Woorden. Wielrennen. Taal. Koers. Vocabulaire.
Ja!
Dat is het natuurlijk. Koerstaal. Woorden waarvoor je een woordenboek nodig hebt. Het favoriete woord van een van de Nederlandse verslaggevers van de koers bijvoorbeeld, heeft u dat al eens opgezocht? U weet niet welk woord ik bedoel? Maar potdorie, dan kijkt u toch niet vaak genoeg naar het wielrennen! En dat terwijl de Nederlandse jongens het tegenwoordig goed doen. Zo’n Bauke Mollema bijvoorbeeld, die rijdt rustig met de besten mee omhoog. Niet verkeerd inderdaad, voor een boekenwurm. Maar goed, we dwalen af. Linkeballen, daar doelde ik net op. Te pas en te onpas gebruikt door een der Nederlandse commentatoren, tevens oud-wielrenner. Hij is zo’n commentator van wie ik me kan voorstellen dat hij op zijn wiebelige commentatorstoel heen en weer begint te schuiven als de finale aanstaande is terwijl vijf of zes renners vooruit zijn. Zelf zit ik dan allang al op het puntje van de bank en als ik daar alleen zit, wil ik misschien zelfs wel wat aanmoedigingen richting het scherm schreeuwen. Allemensen, wat rijden die mannen weer hard, ongelooflijk. Totdat. Kijk nou, wat gebeurt daar? De gebruinde benen malen niet langer in de rondte. Waarom trappen ze niet door? De fietsjes beginnen wat te slingeren. Vanachter hun spiegelende sportbrillen geselen de renners elkaar. Boven de renners wappert de rode vod.
Oh wacht, als u niet zo vaak naar de koers kijkt, weet u misschien ook niet wat dat is. Welnu, de rode vod is een driehoek van rode stof – tegenwoordig meestal geplastificeerd – die boven de weg hangt en aangeeft dat de renners nog precies duizend meter asfalt voor de wielen hebben. De Vlaamse wielercommentatoren gebruiken de rode vod als aanduiding voor de laatste kilometer overigens vaker dan hun Nederlandse collega’s, maar dat heeft wellicht iets te maken met hun inborst; net even iets romantischer dan de onze.
Terug naar de koers, waar de renners nog steeds naar elkaar zitten te kijken. Ze doen geen trap meer en zwalken van links naar rechts over de weg. Stuk voor stuk proberen ze achter elkaar weg te kruipen. Waarschijnlijk zouden ze het liefst rechtsomkeert maken, alles om maar geen kopwerk te hoeven doen. Plotseling zet de renner in tweede positie aan. Maar het leidt tot niets, de anderen hebben hem na vijftig meter al te pakken. Hergroeperen. Kijken. De benen stil. De man op kop kijkt onder zijn arm door, stuurt eens naar de andere kant van de weg. De rest volgt, in een vloeiende beweging. Alsof ze met onzichtbare draadjes aan elkaar vast zitten. Achter de felgekleurde reclameborden staan de toeschouwers. Duizenden stemmen, duizenden handen, het geschreeuw en het geroffel als een helse kakofonie. De Nederlandse wielercommentator begint te lachen. En daar slingert hij zijn woord de ether in. Linkeballen!
Als niet-koerskijker begint u nu misschien te denken dat die mannen te belazerd zijn om die laatste paar honderd meter door te trekken. Maar dat denkt u verkeerd. De wielercommentator zegt het nog maar eens: er wordt gelinkebald. Maar wat bedoelt hij dan, denkt u, en u komt overeind om het tweede deel van de Dikke van Dale uit de boekenkast te pakken. Wanneer u – zoals ik – de dertiende uitgave in handen heeft, vindt u het woord ‘linkeballen’ op bladzijde 1894. Plakken, zegt de Dikke van Dale. U kijkt opnieuw naar uw scherm. Plakken? Wat plakt er dan, wie plakt er dan, ik zie helemaal niets plakken, behalve dan al dat rennerszweet in die synthetische tricotjes. ‘Kijk hem daar linkeballen’, zegt de wielercommentator opnieuw, en zijn collega-commentator vraagt hem waarom die renner linkebalt. Niet dat hij dat zelf niet weet, maar hij wil dat zijn collega het uitlegt. Aan u, de niet-ingewijde. Met een beetje geluk is daar nog net tijd voor, maar in negen van de tien koersen zet de renner die zojuist van linkeballen werd beschuldigd, ineens aan. Vanuit vierde of vijfde positie komt hij zomaar naar voren spurten. Het schriele lijf vouwt zich over het stuur en hij lijkt zijn frame uit elkaar te willen trekken. Het ranke zadeltje danst tussen zijn dijen heen en weer en vanaf het puntje van de bank proeven u en ik de ijzerachtige smaak van zijn bloed. Ja! Hij is weg! Definitief weg en niemand die hem kan volgen. Te veel gekeken, te vroeg vertrokken of juist te lang gewacht. De benen te zwaar, het lijf te leeg. Maar kijk hém daar gaan! Wat een macht. Dat was hogeschool linkeballen, zegt de wielercommentator, terwijl u en ik zien hoe de renner overeind komt, zijn shirtje rechttrekt, zijn armen de lucht in gooit en de finishstreep onder zijn dunne bandjes door laat vliegen. En nu begrijpt u het. De wielercommentator hoeft u niets meer uit te leggen. Van Dale ook niet. U staat op van de bank en zet uw deel twee weer netjes terug. U kunt er altijd nog mee gaan trainen.

Verschenen in Verhalen over taal, 150 jaar Van Dale, samengesteld door Wim Daniëls – Van Dale Uitgevers, 2014

Kriebels van de klim |Fiets

IMG_1827Schuif op een zomerse zondagmiddag aan bij een groep wielrenners die de ochtendrit wegspoelt met een goed glas bier en binnen de kortste keren vliegen je de meest heroïsche Alpen- en Pyreneeënbeklimmingen om de oren. Een beetje wielrenner draait de hand niet om voor wat klimmen en dalen, zo lijkt het. Maar is dat echt zo? Tijd voor een rondje fietsen met Michael Boogerd en een praatje met sportpsycholoog Edith Rozendaal.

‘Heb ik dat echt gezegd, joh? Dan was ik dronken zeker!’ De lach van Michael Boogerd rolt over tafel als ik hem zijn woorden uit een oud interview met HP/De Tijd voorleg. Wat nou afzien en pijn lijden, zei hij daar, klimmen is een feest! Toch, als hij er even over nadenkt, weet hij wel wat hij toen bedoelde. ‘Het ging over die etappe naar La Plagne. Die reed ik in een trance, zo lekker. Het deed pijn, maar ik kon ermee omgaan. En ik hoorde alles, heel raar. Zelfs het tssss van een blikje Heineken, in de handen van een toeschouwer. Zijn auto stond half in de greppel, dat weet ik ook nog.’ Opnieuw die lach. ‘Maar zo’n trance overkomt je niet vaak. Het gebeurde me vaker dat ik me vlak voor een klim diepongelukkig voelde. Ja, ook als ik goede benen had. Angst voor de klim, hè. Niet dat die angst me ervan weerhield goed omhoog te rijden, op de een of andere manier schoof ik het toch opzij.’

Hyperfocus
Zelf heb ik nog nooit onderaan zo’n col gestaan. Wel stond ik twee jaar geleden letterlijk aan de grond genageld toen ik vanuit Gulpen de Gulperberg wilde beklimmen. Ik schrok zo van de muur die me daar aangrijnsde, dat ik pardoes afstapte. Ook nu voel ik de nervositeit, als ik naar Zuid-Limburg rijd: zo’n maag die net niet helemaal lekker aanvoelt terwijl de knagende twijfel door de auto galmt: “Kan jij dat wel? Heb je die percentages gezien? Twee jaar geleden ging het ook niet zo lekker, hè…” Klimmen en dalen met Michael Boogerd; waar ben ik aan begonnen?
‘Dat is een bekende angst bij duursporters,’ vertelt sportpsychologe Edith Rozendaal me een dag later. ‘De angst voor de pijn, de angst het niet aan te kunnen.’ Rozendaal begeleidt veel (top)sporters die tegen mentale barrières aanlopen of hun mentale weerbaarheid willen vergroten. Ze vertelt dat de pijn zelf niet eens het probleem is, het gaat om je eigen reactie. ‘Je kent die gedachten vast wel: voel ik al iets, wat voel ik nu, wat als dit erger wordt, kan ik nog mee? Met zo’n hyperfocus kun je letterlijk een leeg en slap gevoel oproepen, ja. En de angst voor de angst – denken dat je zo niet mag denken – versterkt dat nog eens.’

Lef versus respect
Als Boogerd en ik na een kop koffie en een flink stuk vlaai op de fiets stappen, gaat het in eerste instantie prima. We starten bovenop de Cauberg, dus behalve mijn stuur rechthouden is er weinig aan de hand. Na zo’n twintig minuten volgt het eerste klimmetje. Hoewel ik vermoed dat Boogerds hartslag de 100 niet eens haalt, zit de mijne na een paar honderd meter al aardig in het rood. Maar hé, ik kom wel boven! Boogerd kijkt goedkeurend naar mijn niet-gebruikte triple. ‘Dat is namelijk de grootste fout die veel fietsers maken. Meteen aan het begin van de klim geven ze beide shifters een enorme zwieper, alles op het kleinste blad. En maar trappen, in dat luchtledige. Terwijl je de klim best mag voelen.’ Boogerds advies? ‘Staan en zitten afwisselen, waarbij je twee tandjes bijschakelt als je gaat staan en er weer twee terugschakelt als je gaat zitten.’
Ook de volgende paar heuveltjes gaan goed, en de meters naar beneden zijn overzichtelijk genoeg. Na de vierde of vijfde klim waarschuwt Boogerd: de afdaling kent een lastige bocht, dus uitkijken. Ik knik. Boogerd is nooit echt bang geweest in een afdaling, vertelde hij vanmorgen bij de koffie. ‘Als de afdaling echt link was, pakte ik het wiel van een goede daler.’ De gierende zenuwen die ik voel, kent hij echter niet. ‘Voor dalen heb je lef nodig, dat klopt. Maar je moet ook respect hebben voor de afdaling. De weg is altijd de baas!’ Mijn respect voor de afdaling is echter veel te groot. Op het moment dat mijn teller boven de 45 kilometer komt, verkramp ik. Mijn levendige fantasie ziet een verkreukelde fiets, weggeschraapte huid, een gebarsten helm en een plasje bloed dat langzaam groter wordt.

‘Wat wíl je?’
De sportpsycholoog komt het vaak tegen in haar praktijk. Op zich is die angst niet erg, zegt Rozendaal. ‘Het heeft een beschermende functie. Ik zie wel eens toerfietsers die zich als een baksteen naar beneden gooien. Deze mensen wens ik juist iets meer angst toe, omdat ze zichzelf en anderen met zo’n roekeloze afdaling in gevaar brengen. Maar als angst alles overneemt, gaat het ook niet goed. Al je gedachten gaan naar wat zou kunnen gebeuren, dus je focus ligt verkeerd. Als je goed afdaalt, concentreer je je op de weg: je voelt hoe die loopt, je anticipeert op de bocht, je let op het wegdek. Inderdaad, alles wat je op vlak terrein automatisch doet.’
Klinkt logisch. Maar hoe doe ik dit in de praktijk? ‘Het beeld omdraaien is een manier die veel mensen helpt,’ antwoordt Rozendaal. ‘Als je bang bent om te vallen, zie je die val in gedachten al gebeuren. Het gevaar is dat je lichaam dat beeld volgt. Maar je kunt het omdraaien. Dus: wat wíl je dat er gebeurt?’ Ik wil niet vallen, dat lijkt me logisch. Helaas, niet het juiste antwoord. ‘Het gaat om je afdaling, hoe wil je díe doen? Hoe wil je je tijdens de afdaling voelen, hoe ziet dat eruit?’ Ik wil graag soepel afdalen, en rustig.
Precies, zegt Rozendaal. ‘Dat visualiseer je: jij op je fiets, soepel en rustig afdalend. Dat beeld haal je tevoorschijn als je bang bent.’ Zelf doet ze het vaak als ze schaatst. ‘Oh jee, als ik maar niet in zo’n scheur trap, denk ik dan. Wanneer ik dat vervang door het beeld van een Edith die een stabiele bocht rijdt, rijd ik ook een stabiele bocht. En dan zie ik die scheur niet eens meer.’ En, voegt ze toe, als beelden je niet zoveel zeggen, maar woorden des te meer, bedenk dan een versterkende zin voor jezelf. ‘”Ik rijd soepel naar beneden” kan al voldoende zijn.’

Tandje over
Ondanks mijn angst overleef ik de afdaling en in het erop volgende vlakke stuk kom ik langzaam weer bij mijn positieven. Tot Boogerd eens grijnzend opzij kijkt en zegt dat we er bijna zijn. Waar, vraag ik nog. Maar ik had het kunnen weten. Het favoriete kuitenbijtertje van Boogerd en scherprechter in menig Amstel Gold Race. De Eyserbosweg. Mijn hart dreigt me te verlaten, maar ik weet hem bij me te houden, al moet ik daar wel even flink voor slikken. De vorige keer dat ik hier omhoog wilde, stond ik halverwege met mijn beide voeten aan de grond. En nu moet ik weer? Met Boogerd? Maar wat als ik het niet red? ‘Hier mag je op je triple,’ zegt de winnaar van de Amstel Gold Race 1999 tegen me. ‘Maar houd wel een tandje over.’ Ik schakel terug. Het eerste stuk gaat best goed en terwijl ik nog altijd een tandje over heb, passeer ik mijn afstappunt van twee jaar geleden.
Maar dan.
‘Terugschakelen,’ zegt Boogerd. Ik doe wat hij zegt, maar het ronddraaien van de pedalen wordt steeds moeilijker. Het slingeren begint, en mijn gedachten gaan mee: Oh, zie je wel, ik kan dit niet, ik ben niet sterk genoeg, wat een watje ben ik! Naast me zegt Boogerd dat ik niet mag afstappen. Maar ik krijg de pedalen niet meer rond. En uitklikken lukt ook niet meer. Als in een slow-motion zie ik de greppel op me af komen. Gevallen.

Helikopterview
Mindfulness had je kunnen helpen, zegt de sportpsycholoog. Mindfulness – in het Nederlands aandachttraining – leert je te kijken naar je gedachten en emoties, zonder daarin te verdrinken en zonder te oordelen of te reageren. Terecht zegt Rozendaal dat de pijn toch wel komt in zo’n klim. ‘Je angst maakt die pijn echter veel groter. Mindfulness leert je die gedachten anders te bekijken. Je krijgt als het ware een helikopterview: “Oh, daar is die gedachte weer, die ken ik”. Je weet dat die gedachte ook weer voorbij gaat, waardoor de lading minder groot is.’ Het grote voordeel van mindfulness is volgens Rozendaal dat je gedachten en gevoelens niet langer met je op de loop gaan. Dus als ik op die Eyserbosweg mijn ‘ik-kan-dit-niet; ik-ben-niet-sterk-genoeg; ik-ga-af’-gedachten op deze manier had kunnen bekijken, had ik ook die laatste vijftien meter fietsend afgelegd, vraag ik. ‘Waarschijnlijk wel, ja. Dan had je je ondermijnende gedachten als oude bekenden kunnen zien, waarna je je focus weer had kunnen richten op wat je aan het doen was.’ Ik denk terug aan Boogerds woorden tijdens de koffie met vlaai. Uiteindelijk rijdt niemand mákkelijk omhoog, zelfs niet met goede benen. Toch een troost. En hé: ik heb Boogerds voeten aan de grond gekregen, vlak voor de top van zijn favoriete Zuid-Limburgse klim.

Meer over mindfulness en sporten lees je in het boek SportMindfulness van Edith Rozendaal (ISBN 9789461934499).

 

Dit artikel verscheen in Fiets – juni 2014 

Wat een held vermag | Het is Koers

IMG_1101

Daar stond hij dan, in zijn regenboogtrui. Al vijftien jaar prof, al zoveel gewonnen, maar op het hoogste schavot bleef de houding ongemakkelijk.

Mijn vader keek toe, zijn neus tegen het knetterende televisiescherm gedrukt. Het maakte hem niets uit dat hij daardoor juist minder zag; hij wilde er simpelweg zo dicht mogelijk bij zijn. Had mijn vader in de tv kunnen duiken, dan had hij dat gedaan. Joop was namelijk mijn vaders held.
Toen mijn vader jong was, fietste hij zelf ook, en naar eigen zeggen nog niet eens zo onverdienstelijk. Zie je die enkeltjes, zei hij later vaak, en hij legde daarbij zijn duim en middelvinger rond zijn enkels. De vingers raakten elkaar met gemak: mijn vader had de ranke enkels van een echte klimmer. Toch is het nooit iets geworden, want toen hij serieus wedstrijden wilde gaan rijden, kwamen zijn ouders in opstand. Alleen dat trainen al: keihard achter een brommer rijden, besefte hij wel hoe gevaarlijk dat was? Mijn vader schikte zich. Maar de liefde voor de fiets liet zich niet verjagen. Van de eerste kille voorjaarsklassiekers tot de laatste rillerige herfstrondjes; mijn vader volgde alles. Uitgesproken favorieten had hij niet, mijn vader. Tot 1970.

In 1970 maakte Joop Zoetemelk zijn entree in het peloton. Joop was zo’n man die geen held wilde zijn, maar die ondanks, of misschien wel dankzij, die karaktertrek mijn vaders held werd. En niet zomaar een held. Nee, zo’n echte, over wie je niets verkeerds mocht zeggen. Een positieve plas? Ja, zie je wel, er werd gerommeld bij die controles! Joop was gewoon geflikt, zo simpel was dat. En moest Joop dan niet eens wat meer initiatief tonen? Ha, zei mijn vader dan meteen tegen degene die dat durfde te zeggen, jij hebt makkelijk lullen. Heb jij wel eens op een racefiets gezeten? Nou dan! Kortom: Joop was een echte held. En op 1 september 1985 kwam ik erachter wat een echte held vermag.

Giavera del Montello, Italië. Tegenwoordig telt het dorp nog geen tweeduizend huishoudens, en dat zal ruim vijfentwintig jaar geleden niet veel anders zijn geweest. Op 1 september 1985 was het dorp uitgelopen voor de finale van het WK wielrennen. Landgenoot Moreno Argentin behoorde tot de favorieten, en stel dat hij het nog waarmaakte ook… om de hoek van je huis nog wel. Je kon het je als inwoner van Giavera del Montello werkelijk niet permitteren thuis te blijven.

Mijn vader en ik bleven wel thuis, en thuis was een jaren-’70-doorzonwoning in Maarssenbroek. Zo’n huis met een Ford Escort voor de deur, boerenplavuizen in de keuken, steenstrips tegen de wand en een oerwoud van planten in de vensterbanken. De banken waren van beige velours, en mijn vader had zijn eigen stoel – een eiken rookstoel die nog van mijn opa was geweest. Ik zat naast mijn vader, op een oude eikenhouten bierton. Samen keken we naar de wedstrijd.

Zondagmiddag 1 september 1985 dus.

De finale kilometers zijn begonnen. Van de tweehonderdvijfenzestig kilometer van de wedstrijd hebben de renners er nog zo’n elf te gaan. Aan de uitvallen van de kopgroep is duidelijk te zien dat de sleet er een beetje op zit; het echte venijn ontbreekt. Joop zit in die kopgroep, net als mannen als Gerard Veldscholten, Johan van der Velde, Marc Madiot, Kim Andersen, Claude Criquelion, Greg Lemond, Stephen Roche en, en dat zal de inwoners van Giavera del Montello goed doen, Moreno Argentin. Dertien mannen met van hoop vervulde harten. De volgers denken dat Lemond of Argentin de klus zal klaren. Of Roche, dat zou ook nog kunnen. De mannen razen over de weg, zwenkend van links naar rechts, een en al onrust. Greg Lemond zet aan, Joop haalt hem terug. Joop springt weg, Fernandez gaat mee, Roche haalt terug. Andersen piept ertussenuit, en wordt ook weer teruggehaald. Mart Smeets vindt het een prachtige finale. Mijn vader knikt, terwijl hij nog een stukje verder naar het puntje van zijn stoel schuift.
En dan gaat Joop. In een flauwe naar links draaiende bocht pakt hij de kortste weg en trekt door. Smeets’ stem schiet omhoog: ‘Joop! Daar gaat Joop, de achtendertigjarige.’

Mijn vader gaat staan. Ik ook.

Mijn vader bijt op zijn nagels. Ik ook.

We zien hoe Juan Fernandez Joops wiel pakt. Ze benutten iedere centimeter van de brede weg. Van links naar rechts gaat het, de ruggen als een liniaal over de fiets, de benen in een strakke cadans. Op de macht. Maar het is niet genoeg. Roche komt naar voren, met Veldscholten in zijn wiel. Even later rijdt Lemond het gat weer dicht.

Mijn vader en ik laten onze adem ontsnappen. Terwijl Joop zich naar achteren laat zakken, gaan wij weer zitten. ‘Willen jullie nog thee?’ vraagt mijn moeder. Ik knik, mijn vaders hand wappert driftig: thee? Wie begint er nu over thee!

Van rechts komt Kim Andersen langszij. Op de macht, ook hij. Zijn rug gekromd, als een kat. Het lukt hem echter niet weg te komen en in de volgende bocht draait de kopgroep als langgerekt lint langs een schamel groepje toeschouwers. De verbeten gezichten van de renners schieten langs. De haren platgedrukt langs het hoofd. Bij sommige renners is er wat sprieterig gewapper in de nek te ontwaren; matjes zijn in de mode. Joop doet daar niet aan mee, sterker nog: zijn haargrens laat een terugtrekkende beweging zien, met inhammen en al. Terwijl de mannen de camera passeren, noemt Mart Smeets de namen. Hij hapert niet, totdat er een Zwitser voorbij komt. Wie is die man, vraagt Smeets zich af. Misschien is het Muller? Het blijft even stil. Ja hoor mensen, klinkt het wat later, ik denk dat het Muller is. De opluchting is hoorbaar.

De weg maakt een ruime bocht naar rechts.

Joop duikt op aan de linkerkant van de weg en terwijl de andere koplopers om zich heen kijken en Smeets en consorten zich druk maken over de naam van een Zwitser, rijdt Joop op kousenvoeten weg.

Mijn vader gaat opnieuw staan. Ik volg zijn voorbeeld.

‘Goddomme,’ mompelt mijn vader.

Joop, zegt Smeets. Joop?

En dan valt de kopgroep stil. Alsof niemand durft. Een man van achtendertig verlamt de benen van een stel twintigers.

Mijn vader zet drie stappen en staat dan met zijn neus bovenop de beeldbuis. Ik volg.

We kijken toe terwijl Joop op de pedalen gaat staan en achterom kijkt. Achter hem wordt ook gekeken, maar de benen laten het nog steeds afweten.

‘Godverdomme, rijen Joop!’, schreeuwt mijn vader. Ik kijk opzij en zie hoe mijn vaders ogen de renner in het oranje shirt naar de streep stuwen.

Smeets’ stem slaat over: ‘Als dit waar mocht zijn! Ooh, ooh. Nummer honderddrie, zou het een gouden nummer zijn?’

Achter Joop breekt Criquelion de ban.

Te laat.

Mijn vader slaat me op mijn schouder. ‘Zie je dat wel, Manus?’, zegt hij. ‘Zie je dat?’

’38 JAAR EN HIJ HEEFT HEM!’ Smeets schreeuwt ook.

Mijn vader staat inmiddels met zijn neus tegen de bolle beeldbuis geplakt. Ik sta ernaast. Even kijkt hij opzij. ‘Godverdomme, zie je dat?’

Ik zie het.

Lemond wordt tweede, Argentin derde.

‘Hier moeten we even bij gaan zitten,’ klinkt het vanuit de televisie. Mijn vader en ik gaan zitten. We zien herhaling op herhaling van Joop. Zijn armen die de lucht in gaan. Het gezwabber van zijn fiets als hij de streep passeert. Het gespartel van de twintigers die het afleggen tegen een man van achtendertig. Mart Smeets komt superlatieven tekort en zijn woorden vullen onze Maarssenbroekse huiskamer. Mijn vader en ik applaudisseren in stilte.

Even later zien we Joop terug op het podium. Terwijl hij wat ongeduldig om zich heen kijkt, slaat een van de officials de laatste vouwen uit de regenboogtrui. Een andere official houdt hem de opening voor zodat Joop zijn hoofd erdoor kan steken. Zijn armen komen door de mouwopeningen tevoorschijn waarna de official het tricot naar beneden trekt en het ritsje sluit. Joop plukt wat aan het truitje.

‘Goh,’ zegt mijn vader.

Joop stapt het podium op en even daarna volgen ook Lemond rechts en Argentin links van hem. Ze worden gefeliciteerd en krijgen ieder een bos bloemen in de handen geduwd.
En ineens schalt daar het Wilhelmus. Mijn vader en ik gaan weer staan, dicht bij de televisie. Even grijnst Joop zijn typische Joop-grijns: een beetje besmuikt, nog net niet verontschuldigend. Daarna is zijn gezicht weer serieus, er valt weinig aan af te lezen. Halverwege het volkslied kijk ik opzij, naar mijn vader.

En dan zie ik wat een held vermag.

Mijn vader heeft tranen in zijn ogen, zijn driftig knipperende oogleden weten het nog net binnen de perken te houden.

Tranen in de ogen van mijn vader. Om zíjn held.

Die nu mijn held is.

Omdat míjn allergrootste held er niet meer is. Mijn stoere vader, die mij heeft geleerd wat een echte held vermag.

HetIsKoers.nl; 29 november 2011

 

De fietser en haar toerusting | Het is Koers

IMG_1101Hij schreef het echt, de fietser en ZIJN toerusting. Alsof wij niet meetellen. Ja, in een reactie kwam nog een schamel naschrift, zoiets als: ‘Ik schreef m/v’, met daarbij nog een opmerking over lichaamsbeharing. Alsof wij vrouwen niet weten dat onze benen te allen tijde glad geschoren, geëpileerd, gewaxt, geharst dan wel gelaserd dienen te zijn. Het lijkt me duidelijk, het is tijd voor De fietser en HAAR uitrusting. Want ja, daar moeten we Frank van Dam gelijk in geven: de fietser kan nog zo’n prachtig ros onder de billen hebben en daarbij de meest kekke setjes aantrekken, zolang het lijf niet meewerkt, blijft het behelpen.

Nog even ter verduidelijking: mijn vingers blijken bijzonder veel moeite te hebben met het tikken van het woord fietsster. Ik neem ze dat niet kwalijk. Fietsster is typisch zo’n woord dat qua lulligheid weinig onderdoet voor het koppel dat iedere zondagmiddag op identieke Gazelles stapt en met ferme tred over ’s Heren wegen peddelt, de eveneens identieke Human Nature-windjacks nonchalant klapperend in de wind. De fietser is het dus, en HAAR uitrusting. Dat gerei waarmee wij cols, polders, kasseien, modder en verzengende hitte bedwingen. Omdat wij dat dus eigenlijk heel goed kunnen. Al zijn we daar zelf niet altijd even zeker van.

De benen
Ach, daar begint de ellende al. Wij en onze benen. Nooit goed. Te kort, te dik, te stakerig of te flubberig, de knieën te dicht bij of juist te ver uit elkaar, de huid meestal te wit en het oppervlak te vaak ontsierd door te veel cellulitis (voor de heren: cellulitis is een moeilijk woord voor putjes en kuiltjes in billen en dijen). Hier fnuikt zich bovendien het feit dat de meeste koersbroekontwerpers en -fabrikanten aan onze soort moeten wennen en niet op de hoogte zijn van onze gevoeligheden. Want Marianne Vos en Marijn de Vries mogen dan superstrakke, supergespierde en superslanke onderdanen hebben, de meesten van ons kennen die luxe niet. Dus wat doen die vermaledijde strakke elastieken onderaan de pijpjes van de broek? Of denken deze broekverkopers dat wij rollade zo lekker vinden dat we er zelfs op de fiets liefst iedere seconde aan denken? Natuurlijk zeggen de heren dan dat we gewoon wat harder moeten trainen, maar hé, wij hebben dus wel meer te doen, niet? Of maken jullie het toilet en de badkamer in het vervolg zelf schoon? Nee, het is hoog tijd dat die broekverkopers wat meer rekening met ons houden, zodat wij ons net even iets prettiger voelen op ons blinkende ros. En heren verkopers, vergeet niet dat deze minimale aanpassing grote gevolgen kan hebben: wanneer uw broekjes onze benen niet langer zo schaamteloos afknellen, zal het aantal afnemers van uw waar alleen maar toenemen. Dus hup! Aan de slag!
Over gladde benen hoef ik eigenlijk niets te zeggen, de gladde benen moeten voor ons net zo vanzelfsprekend zijn als de gelakte teennagels in de zomer. De witte benen vergen echter nog wel wat aandacht. De zonnebank is geen goed idee want ziekmakend op de lange duur. Een mogelijke oplossing is de zelfbruinende crème, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik daar, ondanks mijn oogverblindend witte melkflessen, geen ervaring mee heb. Ik zet zelf gewoon een zonnebril op; worden de benen direct bruiner van. Maar goed, de schrijver van De fiets en ZIJN uitrusting heeft natuurlijk gelijk als hij zegt dat de benen gewoon bruin moeten zijn. Met scherp randje. Hoe wij dat in bikinitijd op dienen te lossen, weet ik eigenlijk ook niet.

De billen
Je voelt ze als je inhaalt of wordt ingehaald. De keurende blikken waarvan jouw wederhelft immer beweert dat zijn vrienden die vanachter hun wielerbrillen ook altijd werpen. Maar hij niet. Nooit. Ach, dat schat. Gun hem dit leugentje dames, het gaat nu even om ons en onze billen. Wanneer wij ons met brutale blikken geconfronteerd weten, gaan de radartjes direct aan het werk: m’n kont is te dik, te breed, te lomp of te rond. Maar weet dan dat wij met diezelfde kont dus wel flink door weten te trappen. En weet ook dat de meeste heren de handen toch liefst over een ietwat gevulde en zachte bilpartij laten glijden. Dat wil echter niet zeggen dat wij de boel maar moeten laten gaan, hè! Te veel kont doet het zadel geheel en al uit het zicht verdwijnen en dat is bepaald geen aanbeveling voor onze edele fietssport. Houd jezelf dus in toom en zorg ervoor dat het zadel te allen tijde zichtbaar blijft – ook in de winter!

De romp
Kijk, hier hebben wij te maken met een verschil tussen man en vrouw. Want ja, als we hier geen afdoende maatregelen nemen, trekt de zwaartekracht ons hier net iets krachtiger naar beneden. Nee, op de fiets spring je niet, maar wie heeft je ooit wijsgemaakt dat een sport-bh alleen is bedoeld voor springerige vormen van sportbeoefening? De sport-bh is een essentieel onderdeel van onze fietsuitrusting, laat dat duidelijk zijn. Hoewel de heren het zullen waarderen als wij onze cup D over het stuur draperen, geeft zo’n vertoning in werkelijkheid geen pas. Wij nemen onze sport serieus: de dames die hun boezem niet met een Hemaatje wensen plat te drukken, kunnen zich beter in sexy singletje naar de sportschool reppen.
Dat gezegd hebbende dient er ook nog enige aandacht te zijn voor dat wat zich onder onze boezem bevindt. De buik, inderdaad. Ook weer zo’n lichaamsdeel dat het eigenlijk nooit goed doet, want altijd te dik, te veel rollen, te flubberig en na een, twee of drie zwangerschappen veel te slap. Hier rest slechts één bindend advies: de buikspieroefening. Want al eens goed gekeken naar de veel te volle fietser wiens bovenbenen bij elke trapbeweging in contact komen met de buik? Precies! Iedere ochtend vijf minuutjes buikspieren dus.

De armen
Eindelijk een lichaamsdeel waar we vaak wel aardig tevreden over zijn. Nou ja, de kipfiletjes zijn vervelend, maar over het algemeen minder dramatisch dan buik, billen, borsten en buik. Het spreekt voor zich dat wij ons slechts dan met korte mouwtjes vertonen wanneer onze armen enige teint hebben opgedaan. Maak het echter niet te bont: onze schouders blijven van onszelf; het kekke wielerhemdje zou zelfs Madonna del Ghisallo gillend haar kerkje uitjagen. Eenieder die zichzelf als fietser serieus neemt, houdt zich nu eenmaal verre van blote schouders op de racefiets.
Verder mogen tatoeages voor de heren dan verboden zijn, voor ons geldt dat verbod niet. Dat wil echter niet zeggen dat wij hier niet enige regels in acht dienen te nemen. De tatoeage neemt nooit of te nimmer de vorm van een mouw aan en ook de diepzwarte tribals zijn uit den boze. Een tatoeage is subtiel en bevindt zich in de ideale situatie aan de binnenzijde van de pols. Wat je verder aan plakplaatjes onder je wielerkleding verbergt, is overigens geheel en al je eigen zaak.

Het hoofd
Over het hoofd valt veel zeggen. Heel veel. Wij beginnen echter eenvoudig, bij het oor. Oorbellen zijn in orde, maar houd het een beetje binnen de perken: vijf per oor betekent dat je in ieder oor minimaal drie gaatjes te veel hebt laten schieten. Leeglaten dus. Laat je lange slingers thuis wanneer je op de fiets stapt: oorknopjes of kleine ringetjes volstaan.
Dan het haar. De dames met lang haar binden dat vanzelfsprekend samen in een staart of vlecht, welke aan de achterzijde onder de helm vandaan mag komen. De dames die het kapsel wat korter dragen, dienen er in ieder geval voor te zorgen dat de oren vrij zijn, simpelweg omdat dat netter staat.
Door naar het gezicht. Wel make-up, geen make-up? Wat denk je zelf? Wel natuurlijk, hoewel we daarbij niet op dezelfde manier te werk hoeven te gaan als Leontien van Moorsel. Wat zwarte mascara volstaat, waarbij je natuurlijk rekening houdt met het zweetgedrag van je lichaam. De waterproofmascara is niet voor niets uitgevonden, dames! De lippen voorzie je van een lipgloss, een subtiele lipstick of een conditioner, als er maar een beschermingsfactor in zit. Voor wat betreft blush, poeder, foundation en andere artificiële kleuroppeppers: nee, nee en nog eens nee. Als je vindt dat je veel te bleekjes van het ene knooppuntbord naar het volgende fietst, trap je eenvoudigweg niet hard genoeg. Laat dat een motivatie zijn.
Tot slot de binnenkant van het hoofd. In ons hoofd schuilt het grootste verschil met onze mannelijke evenknie. Ons hoofd is namelijk in staat vele dingen tegelijk te doen. Seks en het samenstellen van het boodschappenlijstje gaan bij ons prima samen, zo is het nu eenmaal. Deze praktische eigenschap werkt echter ook wel eens tegen ons. Ons hoofd is namelijk nogal streng. De moetens vliegen ons te pas en te onpas om de oren: de was, de boodschappen, de kinderen, de vrienden en vriendinnen, de ouders, de schoonouders, de bedden verschonen, de koelkast uitsoppen, de baas, de partner… En oh ja, de fiets. Terwijl die fiets ons zoveel goeds te bieden heeft! Ontspanning. Kracht. Een gezond lijf. Conditie. Een leeg hoofd. Gezelligheid. Nieuwe horizonten. Maar vooral de ervaring dat we meer kunnen dan ons hoofd vaak schijnt te denken. Uiteindelijk is de fiets vele malen belangrijker dan ons hoofd: in de fiets schuilt onze kracht. En het is aan onze benen, billen, romp en armen om die kracht ten volle te benutten. Zodat we onszelf kunnen bewijzen dat we veel meer kunnen dan ons hoofd denkt.

PS: dat dit artikel zo her en der persoonlijke frustraties van de schrijver dezes verwoordt, zal de lezer niet zijn ontgaan. Schrijver kan slechts hopen dat de lezer haar dit niet kwalijk zal nemen.

Het is Koers; 21 januari 2014

‘Zorg ervoor dat je het goed hebt’ | Events

IMG_1189“I like the dream of the future better, than the history of the past”, staat er op zijn visitekaartje. Zelf had hij ook een toekomstdroom: het wandelen van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela. In een maand, dat wel; Pieter Bas Boertje houdt nogal van doelstellingen. Heeft hij iets van die ongebreidelde doelgerichtheid achter zich kunnen laten, op één van Spanjes kronkelige bergweggetjes?

Pieter Bas grinnikt, een beetje verlegen met de vraag. Maar inderdaad, doelen stellen vindt hij belangrijk, net als het behalen van die doelen. Zo belangrijk zelfs dat hij er soms zijn fysieke grenzen voor overschrijdt. Te doelgericht, ja, ook tijdens zijn wandeltocht naar Santiago. ‘Onderweg kreeg ik een vervelende blaar die ging ontsteken. Dan ga je anders lopen, met als gevolg dat je overal pijn krijgt en eigenlijk even rust zou moeten nemen. Maar dat kon niet: ik moest het in die maand halen, want ik moest op tijd terug zijn voor het bruiloftsfeest van mijn ouders.’ Hij worstelde ermee, zat zichzelf in de weg. Tot een andere wandelaar hem vroeg waarom dat eigenlijk zó belangrijk was, die aankomst in Santiago de Compostela. Hij kon de tocht toch ook op een ander moment afmaken? Of een stukje per bus afleggen? ‘Pas toen realiseerde ik me dat het inderdaad helemaal niet zo belangrijk was. Dat ik niet faalde als ik niet zou volbrengen wat ik me had voorgenomen. Dat was een enorme opluchting, ja.’ Overigens haalde hij het uiteindelijk wel. Maar hij ervoer de aankomst in Santiago als een enorme anticlimax. ‘Toen voelde ik dat het dus écht om de reis ernaartoe gaat. Niet om dat einddoel.’ Het is nogal een besef, voor iemand die doelen stellen bijna tot kunst heeft verheven.

Loslaten
Dat hij die wandeltocht zou gaan doen en in totaal vier maanden niet op de zaak zou zijn, dat had hij een paar jaar geleden reeds besloten. Hij had zelfs allang bedacht dat die periode in mei 2013 zou aanvangen. Dat was een mooi ijkpunt; er lagen dan vijfentwintig jaren van keihard werken achter hem. ‘Het gekke is dat het loslaten van mijn werk me veel makkelijker afging dan ik van tevoren had verwacht.’ Een aantal dagen voor zijn vertrek trakteerden de medewerkers en oud-medewerkers van Dechesne & Boertje hem op een klein event, cadeautjes voor onderweg en een boekje. Foto’s en herinneringen staan erin, en veel persoonlijke verhalen over jaren van intensieve samenwerking. Het raakte hem diep, vertelt hij, terwijl hij het boekje laat zien. ‘Ja, dat al die mensen zo over mij denken. Dat verraste me.’
Overigens verging het zijn collega’s prima, in die maanden dat Pieter Bas er niet was. Het werk ging gewoon door, de evenementen verliepen goed. Wel is er een andere sfeer ontstaan. ‘Volwassener. De mensen zelf voelen dat niet zo, maar ik wel.’ Zijn eigen rol is ook veranderd. Steeds vaker bemerkt hij dat het hem makkelijker afgaat de zaken met iets meer afstand te bekijken, zonder dat dat ten koste gaat van zijn betrokkenheid. Ook besteedt hij meer tijd aan het begeleiden van zijn medewerkers. ‘Nou ja, ik probeer ze te helpen in hun carrière en hun persoonlijke ontwikkeling. Maar maak dat niet groter dan het is, hoor.’

Kippenvel
Vier maanden geen deadlines, geen opdrachtgevers, geen brainstormsessies, geen werkoverleg – hij had ernaartoe geleefd. Maar toen hij op zijn laatste werkdag de deur achter zich dichttrok, in de auto stapte en wegreed, werd hij toch nog overvallen door dat overweldigende gevoel van vrijheid. ‘Ik had kippenvel, letterlijk van mijn tenen tot mijn kruin. Dat pure gevoel van vrijheid was zo intens.’ Eng was het echter ook; hij had geen idee hoe hij het in zijn eentje zou redden. ‘Ik was nog nooit alleen geweest. Toen ik jong was, ging ik vanuit mijn ouderlijk huis naar Nyenrode. Toen in dienst, daarna deelde ik een huis met een vriend en weer later woonde ik samen met Nancy, mijn vrouw. Dus nee, nooit alleen.’ Sommige mensen botsen tijdens zo’n grote stap buiten hun comfortzone weinig zachtzinnig tegen hun eigen grenzen en overtuigingen op. Niet Pieter Bas. ‘Ik genoot! Natuurlijk miste ik mijn gezin, maar ik leerde ook dat ik het met mezelf ontzettend leuk kan hebben.’ Het is een besef dat past bij iemand die in balans is, een mens wiens basis klopt. Toch? Hij valt stil. Slikt, kijkt even weg. Het raakt me nog steeds, zegt hij dan voorzichtig. ‘Vaak hoor je dat mensen zich tijdens zo’n reis realiseren dat ze hun leven helemaal om willen gooien. Maar ik voelde juist dat ik tot nu toe de juiste keuzes heb gemaakt. Mijn vrouw, mijn leven, mijn werk – het klopt gewoon.’ Hoe anders was dat voor die 82-jarige vrouw die hij onderweg ontmoette. Haar echtgenoot had nooit alleen thuis willen zijn, en pas nu hij er niet meer was, voelde zij de ruimte om te doen wat ze al haar leven lang had gewild. Haar verhaal maakte indruk, vertelt hij. ‘Je moet er dus voor zorgen dat je het goed hebt. Niet blijven hangen in situaties die je ongelukkig maken of je beperken in wat je werkelijk wilt. Al die verloren tijd, zo zonde!’

Rust
De lange en soms pittige wandelingen hebben hem veel gegeven. ‘Ik ben gegroeid, meer in balans. En ik zie de dingen scherper.’ Sinds Santiago maakt hij iedere zondag een lange wandeling. In stilte. ‘Omdat het me zo ontzettend veel oplevert, ja. Privé én zakelijk.’
Toch nog even over dat doelgerichte; is hij nog zo? Pieter Bas knikt. Maar er is ook veel veranderd, vindt hij. Nee zeggen gaat hem makkelijker af en het hyperige dat hem soms in de greep had, is verdwenen. ‘Ik ben rustiger geworden, zegt mijn vrouw. En dat klopt, dat voel ik zelf ook. Vroeger vond ik het heel moeilijk om te genieten van dat wat nu is. Was er een doel behaald, was ik in mijn hoofd alweer bij het volgende doel. Nu geniet ik veel meer, zowel thuis als in mijn werk. Dat geeft rust.’

verschenen in Events, november 2013

‘Van onrecht ga ik uit mijn plaat’ | Events

IMG_1190Hij is opgegroeid in een ondernemersfamilie. Niet bang voor het nemen van beslissingen. Merkt dat de scherpe randjes iets minder scherp worden en is daar blij om. En hij vindt het belangrijk altijd eerlijk te zijn – ook naar de klant. Een nadere kennismaking met de man achter de TeKa Groep – overkoepelend bedrijf van de labels Kasteelfeesten.nl, Treinfeesten.nl en Congresarrangementen.nl.

De ontvangstruimte van het kantoor van de TeKa Groep wordt gedomineerd door een meterslange houten tafel met strakke witte designstoelen. Langs de wand een eveneens meterslang dressoir. Daarboven vijf regels tekst: “Koester je klant – Ga voor kwaliteit – Wees flexibel en klantgericht – Lever een hoog serviceniveau – Let goed op de kosten”. De tekst zegt alles over de manier waarop Timo Kruft, oprichter en directeur van de TeKa Groep, wil werken. Zijn eigen rol binnen het bedrijf? Hij lacht, moet er even over nadenken. ‘Inspirator, ja. Maar ook degene die leiding geeft en de visie vaststelt en uitdraagt.’ Een gesprek over ondernemen.

Eerlijk
Eerlijk zaken doen, Kruft vindt het essentieel. ‘Niet alleen in het contact met onze leveranciers, maar ook met onze klanten. Ik vind het belangrijk dat een evenement goed is, dat de gasten na afloop met een goed gevoel naar huis gaan. Gastvrijheid, lekker eten; dat moet allemaal in orde zijn.’ Maar eerlijkheid gaat verder dan dat. Wanneer de klant een evenement in een trein organiseert en de treinstellen vol wil gooien met entertainment, zullen Kruft en zijn medewerkers eerlijk zeggen dat dat het evenement niet ten goede komt. ‘Je moet die trein zijn werk laten doen. Als je dat volstouwt met allerlei toeters en bellen, wordt het veel te benauwd. Dat moet je dus niet doen en dat zeggen we dan ook.’ Niet dat de klant die eerlijkheid altijd meteen op prijs stelt; er komt soms best wat overredingskracht bij kijken. Maar, zegt Kruft, zolang je open en eerlijk met elkaar communiceert, kom je daar wel uit. Eerlijkheid duurt nu eenmaal het langst, inderdaad.

Degelijk
Dat Timo Kruft ondernemer zou worden, was al vroeg duidelijk. Op zijn zestiende stond hij met een suikerspinmachine op het schoolplein en daarna is het eigenlijk nooit meer opgehouden. Hij komt uit een echte ondernemersfamilie, een familie ook die hem leerde dat je hard moet werken, zuinig moet zijn en te allen tijde waar moet maken wat je zegt. ‘Zomaar makkelijk geld verdienen, nee, dat werkt niet. Ondernemen moet je zorgvuldig doen, zowel naar buiten toe als wanneer het om je eigen medewerkers gaat.’ Hij denkt dan ook dat de ondernemers die deze crisis overleven, de ondernemers zijn er op dezelfde manier tegenaan kijken. Daar hoort trouwens ook bij dat je je bedrijf niet moet volhangen met leningen, vindt Kruft. Je moet wat vet op de botten hebben, zodat er iets is om op terug te vallen. ‘Degelijk ondernemen, zo zou je dat waarschijnlijk wel kunnen noemen, ja.’

Vergevensgezind
Het gaat de TeKa Groep voor de wind. Een half jaar geleden werd het bedrijf eigenaar van een van de meest fotogenieke locaties van het land: Stadhuis Gouda. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het alleen maar rozengeur en maneschijn is; ook Kruft voelt de gevolgen van de crisis. Hij heeft een aantal mensen moeten ontslaan en ja, hij heeft ook wel eens te maken met klanten die niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen. ‘Dat is natuurlijk niet leuk, nee. Maar ik ben niet wars van het nemen van moeilijke beslissingen, daar lig ik niet meteen wakker van. Uiteindelijk stel ik dit bedrijf toch voorop. Waar ik wel wakker van kan liggen, is wanneer een geschil uitmondt in een oneerlijk moddergevecht. Ik kan niet tegen onfatsoenlijk handelen en kan me echt teleurgesteld voelen in mensen.’ Een binnenvetter is hij echter niet, daarvoor wordt hij te makkelijk boos, zegt hij zelf. ‘Van onrecht ga ik uit mijn plaat. Ja, inclusief de rode vlekken in m’n hals. Gelukkig ben ik het ook zo weer kwijt; ik ben niet haatdragend en vergeef snel.’ Toch probeert hij tegenwoordig wat genuanceerder te zijn en realiseert hij zich dat het soms best wat minder kan. ‘Ik weet dat ik in mijn felheid soms op tenen trap. Vroeger kwam ik daar niet eens meer op terug, maar ik heb inmiddels geleerd dat wel te doen. Weet je, soms is die felheid nodig, het heeft me ook gebracht waar ik nu sta.’ Hij lacht. ‘Misschien ben ik daarom wel zo vergevingsgezind. Omdat ik het zelf ook wel eens nodig heb.’

Locaties als beleving op zich
De TeKa Groep heeft vijftig medewerkers in dienst die samen acht historische locaties, cateringpoot De Preuverie en de evenementenorganisatie voor hun rekening nemen. Hoewel de TeKa Groep alle facetten rondom een evenement aanbiedt, betekent dat niet dat de klant ook alles via TeKa moet regelen. Er wordt veel samengewerkt met evenementenbureaus die de TeKa Groep vaak inschakelen vanwege de historische locaties die het bedrijf heeft. ‘Het zijn stuk voor stuk locaties met een monumentale status,’ vertelt Kruft. ‘Je hebt maar weinig opsmuk nodig om daar een prachtig evenement neer te zetten. De beleving zit ‘m in de locaties zelf, precies.’ Dat het afhuren van die locaties ook nog eens heel betaalbaar is, dat wil Kruft toch ook nog wel even kwijt. ‘Voor duizend euro huur je een hele dag een kasteel! En met alles erin, hè. Dat is toch niet duur?’

Gepubliceerd in Events; november 2013

Dynepo in je onderbroek – over Rasmussens boek Gele koorts | Het is Koers

IMG_1101‘Het was de zoveelste rotstreek,’ schrijft Michael Rasmussen tegen het einde van zijn boek Gele koorts. Hij heeft het over de periode na zijn schorsing, de maanden waarin hij probeert weer een profcontract te bemachtigen. Dat lukt niet. De woorden vormen een rechtstreekse verbinding met de zesjarige Michael die zich op de basisschool kapot ergert aan het feit dat er samen met de meisjes moet worden gegymd – dat kan hij niet serieus nemen. Maar omdat hij het hardst loopt en het vervelendst en meest vasthoudend is, zet de gymleraar hem steeds samen met het dikste meisje van de klas. Michael is er woedend over en laat dat merken ook.
Datzelfde gebeurt als het schoolkamp voor de deur staat. De jonge Michael weigert; zijn fiets kan niet mee. De klassenleraar stuurt vader en moeder Rasmussen een brief: hobby’s en sporten zijn leuk, maar kameraadschap is ook belangrijk. ‘Het ging zoals het moest gaan,’ schrijft Michael dan, ‘mijn leraar legde zich erbij neer en liet mij thuisblijven zodat ik kon fietsen.’
Zo maar twee anekdotes over de mens Michael Rasmussen, die er blijkbaar al op jonge leeftijd alles aan doet zijn zin te krijgen. Drammerig, eigengereid en manipulatief; die karaktertrekken knopen alle gebeurtenissen in het boek moeiteloos aan elkaar. Rasmussen ziet dat zelf ook, maar spijt lijkt hij er niet van te hebben. Sterker nog, de zweem van trots is nooit ver weg. Zo krijgt hij zijn Mexicaanse schoonmoeder zover dat haar arts een valse verklaring over bloedarmoede en osteoporose voor haar opstelt, zodat ze preparaten voor Michael mee kan nemen als ze naar Italië reist. Handig toch? En knap, als je een paar pagina’s eerder nog leest dat schoonmama in eerste instantie fel tegen de relatie tussen haar dochter en die dunne Deen gekant was. ‘Later is ze alsnog van me gaan houden,’ schrijft hij.
Dat geldt niet voor de kennis van echtgenote Cariza, aan wie hij vraagt een schoenendoos voor hem mee te nemen uit Amerika. In die doos zit een voorraad synthetische hemoglobine, maar dat weet de kennis niet. Omdat hij het echter niet vertrouwt, opent hij de doos. Gevolg: de hemoglobine verdwijnt door het toilet en Michael krijgt een woedende kennis aan de telefoon – woede waar hij maar weinig begrip voor opbrengt. Nu zegt hij dat hij zich indertijd vooral dom en onnadenkend gedroeg. Het woord spijt staat er niet tussen.
Gele koorts leest als een karakterstudie, meer nog dan de boeken van Tyler Hamilton en David Millar. Niet dat het een prettig karakter is; het begrip voor de mens Michael Rasmussen wordt er niet groter op. In de pers is het boek al weggezet als ongeloofwaardig, vooral nadat Rasmussen zich in een interview het een en ander liet ontvallen dat hij de volgende dag alweer in moest slikken. Maar lees dit boek eens naast het eerder dit jaar verschenen Bloedbroeders van Steven Derix en Dolf de Groot. Zelfs als Rasmussens verhaal over de dynepo in de onderbroek van de chauffeur niet waar is, blijft er meer dan genoeg materiaal over om je af te vragen hoe het mogelijk is dat sommige mensen uit de begeleidingsstaf van de wielerploeg hun handen nog altijd wassen in onschuld.

Wanneer je even door je oogwimpers naar de dopingverhalen in de wielersport kijkt, zijn er eigenlijk maar drie grote verhalen. Het eerste is dat van de betrapte zondaar die spijt betuigt, boete wil doen en de sport van een dopingvrij elan wil voorzien. Het tweede verhaal is dat van de niet-betrapte: nooit een positieve plas ingeleverd, maar toch bekend en aan de dopingschandpaal genageld als gevolg van onderzoek en verklaringen van collega’s. Het derde – en waarschijnlijk grootste – verhaal suddert net onder de oppervlakte: nooit betrapt, nooit tot een bekentenis gedwongen en vermoedelijk iedere dag hopend op de dag dat we het weer gewoon over de koers gaan hebben. Michael Rasmussens boek is een duidelijke exponent van het tweede verhaal, het verhaal waar ook Michael Boogerd en Lance Armstrong zich in zullen herkennen. De heren hebben meer gemeen: spijt van hun dopinggebruik hebben ze eigenlijk niet – doping hoorde er nu eenmaal bij, het was een fact of life. Er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken dat juist dat gebrek aan spijt dat deze renners tentoonspreiden ervoor zorgt dat ze niet langer welkom zijn in de sport. Hierop voortbordurend zou je dus kunnen beweren dat mensen als David Millar of Thomas Dekker dat toch wat slimmer hebben aangepakt.

Gele koorts – Michael Rasmussen en Klaus Wivel
Uitgeverij De Geus

Het is Koers.nl; 12 november 2013