Bekentenissen | Het is Koers

IMG_1101Michael Rasmussen heeft het gedaan. De klootzak! Verrader! Djeez, het is maar goed dat we hem niet serieus hoeven te nemen, wat een idioot. Hij is alleen maar uit op wraak, dat weten we toch allemaal? En trouwens, toen hij nog fietste, spoorde hij ook al niet, met z’n grammetjesfetisj. Neuh, die gast is hartstikke gek en zijn verklaringen kunnen zo de prullenbak in. Weg ermee!
Tja.
Ik geloof hem dus wel.
Ja, echt waar. Niet omdat ik fan ben van de man ben, nee. Ik houd van renners met een rafelrandje, maar de rafelrandjes van Rasmussen waren me altijd al iets te kartelig. Ik geloof hem vanwege Michael Boogerd. Michael Boogerd die vorige week bij Filemon vertelde dat hij geen spijt heeft van zijn dopinggebruik. En dat hij liever niet had bekend. En die zijn woorden zo ongemeen voorzichtig koos toen Filemon hem vroeg wat hij zou doen als zijn zoon op een dag met het dopingdilemma bij hem op de stoep zou staan. Het antwoord had natuurlijk heel eenvoudig moeten zijn. Michael zou zijn zoon een preek geven, hem vertellen over eerlijkheid en hoe die toch altijd het langst duurt en daarna zou hij hem met een bidon bietensap en een tik op zijn kont het asfalt op sturen. Maar Michael zei iets anders. Michael zei dat hij dat lastig vond. En dat hij het een beetje hypocriet zou vinden als hij zijn zoon op het hart zou drukken niet hetzelfde te doen als hij. Ja, dat het niet goed was dat hij dat nu zo zei, dat wist hij ook wel. Maar ja, wel eerlijk. Boogerds woorden lichten een tipje op van de groezelige sluier waarachter heel veel andere renners zich nog altijd proberen te verschuilen. Terwijl ieder weldenkend mens toch wel weet dat de wereld geen zwart-wit paradijs is, en de wereld van de topsport al helemaal niet. En toch willen we heiligen en helden die we kunnen vereren en snoodaards die we kunnen vervloeken. We willen keurig afgetekende hokjes, overzichtelijk naast elkaar. Grijstinten zijn te ingewikkeld en te groezelig, die hebben te veel mitsen en maren in het kielzog. We willen aardige renners die niet hebben gebruikt en we willen klootzakken die het wel deden. Dat Michael Rasmussen nu namen noemt die wat ons betreft in de goede hokjes horen, is geen reden hem niet te geloven. De – aardige! – renner die niet eens weet wat hij zou doen als het om zijn zoon ging, maakt dat wel duidelijk.

Naschrift: De waarheidscommissie waar Lance Armstrong zo naar zegt te verlangen, is met de verhalen van Michael Rasmussen hopelijk weer iets dichterbij gekomen. Waarschijnlijk is Lance zelf al tijden aan het oefenen op een waardig loopje naar de getuigenbank en een op bijbel, moeder en kinderen uitgesproken eed. ‘I solemnly swear…’, en daarna zo’n blik die de rechtszaal doorklieft – ik verheug me er enorm op. 

Het is Koers.nl; 5 november 2013

De gesmoorde hartstochten van Mien van Bree | De Muur

IMG_1108Kwee werd ze genoemd, in het dorp waar ze werd geboren, opgroeide en – met een onderbreking van een paar jaar – haar leven lang woonde. Kwee. Een ouderwets woord met verschillende betekenissen. Hermafrodiet is er een van. Tweeslachtig ook, en manwijf. En inderdaad, ze was groot, stevig gebouwd, met handen als kolenschoppen. Een – zo zei iemand die vroeger bij haar in de straat woonde – tamelijk seksloze vrouw eigenlijk. Dorpsgenoot Piet Moeskops zag echter iets anders in haar. Talent.

De vrouw in kwestie, Mien van Bree, joeg in haar jonge jaren regelmatig achter bussen aan. Plat voorovergebogen op haar fiets racete ze door de straten van Loosduinen, om daarna af te buigen en de benen in de duinen nog wat extra af te harden. Piet Moeskops, vijfvoudig wereldkampioen op de sprint en in de nadagen van zijn carrière, besluit op een goede dag eens een paar ritjes met dat meisje uit de Trompstraat te maken. Na een paar van die tochtjes is hij overtuigd: Mien heeft talent. Sterker nog, als die meid op een racefiets zou gaan zitten, zouden er heel wat jonge renners zijn die nog moeite zouden moeten doen haar te kloppen. Als hij dat tegen Mien zegt, begint zich in haar binnenste iets te roeren. Niet dat ze daar meteen woorden aan kan geven, aan dat gevoel. Ja, zo’n twintig jaar later, toen haar fiets allang een vaste plek naast haar opklapbed had, toen vermoedde ze wel wat haar als jonge meid had bezield. Eerzucht, dacht ze. Pure eerzucht. Een emotie die ze dan echter alweer een paar jaar op andere manieren weet te smoren. Net zoals ze dat met die andere gevoelens ook doet.

De zoektocht naar Mien van Bree begint heel banaal, op Google. Via de website van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en die van het Centraal Bureau voor Genealogie komt Mien iets dichterbij, maar het beeld blijft wazig. Tot een archivaris zich ermee bemoeit en een advertentie uit 1983 vindt. ‘Heden is geheel onverwachts van ons heengegaan onze zuster, schoonzuster, tante en nicht WILHELMINA ELIZABETH VAN BREE op de leeftijd van 68 jaar. Uit aller naam: A.W. van Bree.’
Geen man.
Geen kinderen.
En op het vermelde adres woont nu een andere familie.

Miens nicht mevrouw Barendse blijkt een paar jaar geleden naar een serviceflatje te zijn verhuisd. Ze is de tachtig gepasseerd, maar nog altijd bij de tijd. Haar tante paste vroeger vaak op haar, vertelt ze trots. Legio herinneringen heeft ze daaraan: haar tante nam haar vaak mee naar het strand en naar de stad en bij tante Mien thuis mocht ze zelfs met water spelen. ‘Het was een lieve vrouw hoor, tante Mien.’ Over het fietsen weet ze echter weinig. Toen was ze net te jong, zegt ze, en later werd er niet meer over gesproken. Wel heeft ze nog wat foto’s, uit het huis van tante Mien. Het zijn familiekiekjes. Een racefiets is nergens te bekennen.

In oktober 1934 schrijft Mien van Bree zelf een kort artikel voor het sensatieblad Het Leven Geïllustreerd. Een halve pagina, aan weerszijden twee foto’s: op de linkerfoto staat een keurige jongedame die zich op een even keurig borduurwerkje concentreert, op de foto rechts poseert diezelfde jongedame in een shirt met korte mouwen, een korte koersbroek en tot op de enkels afgestroopte kousen. Haar handen rusten op een racefiets. Mien vertelt dat ze ‘Wielerkampioene van Holland’ is geworden. Een officieuze titel, voegt ze er direct aan toe: ‘… omdat bij ons in Holland het dameswielrennen hoegenaamd geen burgerrecht heeft.’ Daarom rijdt Mien in België waar ze tijdens het laatste wereldkampioenschap derde werd; reden voor de wedstrijdjury haar tot kampioene van Holland uit te roepen. Ze schrijft dat ze veelvuldig op de rollen traint en van dorpsgenoot Piet Moeskops adviezen krijgt. Naar de wedstrijden in België gaat ze op de fiets: als ze om zes uur vertrekt, is ze rond een uur of twaalf in Brussel. Haar grootste rivale is haar Belgische vriendin, Mej. De Bruyn… Haar eerzucht heeft zich vertaald naar grote ambities: Mien wil het wereldkampioenschap op de weg en op de korte baan op haar naam zetten. ‘En ik ben er van overtuigd dat ik daardoor een steentje zal bijdragen in de propaganda voor de dameswielersport in ons land. […] het zal op den duur wel zoover komen, dat wij in rennerskostuum op onze rennersfiets niet meer uitgelachen worden, zooals thans nog zoo dikwijls geschiedt. Daar stoor ik mij echter niet aan en ik ga rustig mijn gang met de beoefening van de wielersport, waaraan ik met hart en ziel mij geheel geef.’
Mien is negentien jaar.

Vijf reacties komen er, op het artikel in de Loosduinse huis-aan-huiskrant. Drie mensen komen niet veel verder dan ‘het was een struise vrouw’, maar de andere twee zijn veelbelovender: buurmeisjes van vroeger.
Het eerste buurmeisje doet dubbelgevouwen over haar rollator de deur open en steekt een klein en rimpelig handje uit. Aan de telefoon had ze al verteld dat ze jarenlang tegenover het gezin Van Bree woonde. De oorlog was voorbij en Mien woonde alweer een paar jaar thuis. ‘Ja, die moest voor haar moeder zorgen. Dat mens lag altijd op bed. Zielig hoor.’ De oude dame zucht. Als het gesprek even later op het schilderij komt, veert ze echter op.
‘Dat was wat,’ knikt ze. ‘Ik denk dat ik tien was, ja, dat moet haast wel. In de zomer ging ik altijd naar mijn tante in Brussel. Op een dag zit ik daar de gazet te lezen en wat zien ik? Een foto van Mien! In de gazet in Brussel! Ik begreep er niks van. Ik heb die gazet mee naar huis genomen aan Mien gegeven. Och, ze vond het zo leuk, ze kon er niet over uit. Ze heeft er een schilderij van laten maken hè, dat is dus dat schilderij wat ze vasthoudt op die krantenfoto. Ze had die trui aan, met die strepen erop. Een kampioenstrui, jazeker.’ De bewuste foto stond in 1976 in de plaatselijke krant en was gemaakt ter gelegenheid van het enige publieke optreden dat Mien in haar woonplaats ooit ten deel viel: het in gang schieten van de Loosduinse Wielerronde van dat jaar. De foto laat een inmiddels gepensioneerde Mien zien, met in haar handen het schilderij van een jonge Mien. In de gestreepte kampioenstrui. Het buurmeisje had er indertijd geen idee van dat Mien zo goed had gefietst. Eigenlijk wel logisch ook, vindt ze nu: ‘Daar werd toen niet over gepraat, dat deugde niet. Daarom woonde ze eerst natuurlijk in België.’ Volgens haar was Mien thuis niet gelukkig. ‘Een vrouw hoort niet alleen te zijn, hè. Maar Mien is nooit aan de man gekomen.’ Veel later, als het gesprek eigenlijk al ten einde is, blijkt dat er nog iets meer aan de hand was. Miens vroegere buurmeisje is bijna onverstaanbaar als ze fluistert dat de mensen in het dorp Mien niet accepteerden. ‘Ze zeiden dat ze een kwee was. Erg hoor, dat mens was gewoon hartstikke lief.’ Het andere buurmeisje gebruikt de woorden ‘doodgoed wijf’ om Mien te beschrijven – en totaal seksloos, voegt ze er ook nog aan toe. ‘En daar werd natuurlijk over geluld, je weet hoe dat gaat in kleine dorpjes. Afschuwelijk, dat arme mens!’ Mevrouw Barendse wil er weinig over kwijt, herhaalt alleen dat haar tante vóór alles ontzettend lief was. ‘Ze cijferde zichzelf helemaal weg, altijd.’
Behalve dan in de periode dat ze het lef had tegen haar tijd in te leven.

Toen Mien een gekromd stuur op haar fiets zette en achter de bussen aan begon te jagen, was dat niet iets wat jongedames normaal gesproken deden. Eigenlijk ben ik te vroeg geboren, zegt ze er jaren later zelf een keer over. Want ja, in haar tijd behoorden jongedames te werken, een vriendelijke jongeman tegen het lijf te lopen, zich te verloven, te trouwen en moeder te worden, waarna een bestaan als huisvrouw volgde. Maar niet voor Mien. Mien wilde fietsen, ondanks dat de sportende vrouw in de jaren voor de oorlog onderwerp van felle discussies was. Jongedames mochten best een beetje sporten, zolang dat maar niet ten koste ging van hun natuurlijke gratie. Zwemmen was akkoord, turnen benadrukte de vrouwelijke sierlijkheid ook meer dan voldoende en atletiek was nog net toegestaan. Een te fanatieke aanpak diende echter te worden vermeden: de risico’s voor charme en gezondheid – en in het bijzonder de “specifiek-vrouwelijke organen” – waren te groot. Dat de racefiets uit den boze was, moge duidelijk zijn. De enkele vrouw die zich op een racefiets waagde, werd uitgelachen en nagewezen. Overigens waren het niet alleen de mannen die ervan overtuigd waren dat van die sportende vrouwtjes weinig terecht kon komen. Het Nederlandse sportblad Sport in Beeld publiceerde met enige regelmaat bijdrages van een dame die zich inzette voor vrouwensport. De reacties die zij op haar artikelen ontving, logen er niet om. Zo schreef een zeer bezorgde moeder dat de vrouw naar haar aard in huis hoort: de enige taak die zij heeft te vervullen, is die van echtgenote en moeder. Al die aandacht voor gezondheid is maar malligheid, vond ze. ‘Vindt gij het een smakelijk gezicht om meisjes en getrouwde vrouwen te zien fietsen met bloote benen, leelijk verbrand en met muggebeten?’

Mien is zestien als ze samen met een paar vriendinnen de eerste Nederlandse dameswielerclub opricht. Het is 19 november 1931. Van de wielerclub is slechts een foto bewaard gebleven: “Wielrennen, Dames, Oprichting Dames rennersclub te Den Haag, de dames met geheel links Mien van Bree onderweg tijdens hun eerste wedstrijd, 19 november 1931”, aldus het fotobijschrift. Het is koud: op Miens donkerblonde haar prijkt een gebreide muts en haar handen zijn in dikke handschoenen gestoken. Verder een donkere trui op een iets lichtere plusfour. Effen kousen. En wielerschoentjes in toeclips.
Wielerschoentjes!
Toeclips!
Naast haar nog vier meiden, twee van hen net als Mien in een diepe zit, met de handen in de beugels. De andere twee zitten op een fiets met een recht stuur. Vier broeken, één rok. Halflang haar, alle vier. In de verte staat een groepje mannen te kijken, sommige heren buigen zich zelfs naar voren om een glimp van de dames op te vangen.
VIOS, zo noemen ze hun wielerclub. Vooruitgang Is Ons Streven. En vooruit wilden ze, zo vertelde mede-oprichtster Leni Bulté in 1986 in een interview met WielerRevue. Ze zorgen voor uniforme kleding, met op de achterzijde van de bruingele shirts de letters VIOS. Erbij een mooie bruine plusfour, een echte koersbroek is dan nog net iets te vooruitstrevend. Leni doet ook uit de doeken hoe ze ertoe kwamen in België te koersen. ‘Bij ons thuis lazen we de Gazet van Antwerpen en daar stond in dat er daar dameswedstrijden werden georganiseerd.’ Ze vinden iemand die hen wil contracteren en voilà, daar gaan de meiden van VIOS, op de fiets naar Antwerpen. Koers willen ze, en koers krijgen ze, tot aan de wereldkampioenschappen toe. ‘Er kwam ontzettend veel volk op af. Het was zo serieus dat de tramrails die over het wedstrijdparcours liep, met gips was dicht gesmeerd.’ Ruim vijftig jaar na dato verbaasde Leni zich er nog over.

Het verschil met Nederland was inderdaad groot: afgezien van een ludiek vrouwenwedstrijdje tijdens de jaarlijkse Scheveningse Veldrit was dameskoers absoluut verboden. Maar ook in België hadden de voorstanders van de dameskoers het pleit niet zonder slag of stoot gewonnen. Nadat een eerdere vrouwenkoers uiterst succesvol was verlopen, probeerde het Antwerpse gemeentebestuur in 1927 een vrouwenkoers te verbieden. Met dat verbod waren de rapen gaar. De sportpers bemoeide zich ermee, net als tal van voor- en tegenstanders; de zaak ontaardde in een ware polemiek. Van de weeromstuit wilde zo ongeveer iedere gemeente een dameskoers organiseren, aandacht leek tenslotte al gegarandeerd. En aandacht kwam er, met duizenden en duizenden toeschouwers die allemaal wilden zien waar ‘die sportvrouwtjes’ toe in staat waren. In eerste instantie waren het vooral wedstrijden op de weg, maar het duurde niet lang voor de vrouwenkoers ook voor een opleving van nagenoeg ter ziele gegane wielerbanen zorgde. Toen daarna ook de Antwerpse sportpromotor Jos De Stobbeleire zich voor de dameskoers besloot in te zetten, kregen de wedstrijden nog meer cachet. Maar ook in België waren er journalisten die de wedstrijden afkeurden. Zo trok een journalist van de Geïllustreerde Sportwereld fel van leer tegen het WK van 1934, hetzelfde WK waarover Mien in Het Leven Geïllustreerd vertelt. Volgens de krant was het een schandelijke vertoning geweest, die puur om geldgewin ging: van de 50.000 frank aan prijzen werd maar amper 7.500 uitgekeerd. Ook wond de schrijver zich op over het geknoei met de nationaliteiten van de rensters: de kampioene van Luxemburg was in werkelijkheid gewoon een meisje uit Anderlecht! Overigens had hij daar wel een punt: het aantal deelneemsters uit landen als Frankrijk, Italië, Duitsland, Luxemburg en Groot-Brittannië was relatief klein, terwijl de organisatie wist dat een internationaal deelnemersveld altijd meer publiek trok. Aldus werd bijvoorbeeld Miens clubgenote Leni Bulté eens gepromoveerd tot kampioene van Duitsland; een land waarover haar zoon later vertelt dat zijn moeder er zelfs nog nooit geweest was. Wat de journalist van de Geïllustreerde Sportwereld hierbij vergat te vermelden, was dat de weinige buitenlandse meiden die aan de start verschenen, wel de sterkste wielrensters van hun land waren. Dat feit had zijn mening waarschijnlijk niet doen kantelen; hij vond het simpelweg een ergerlijk en ‘menschonteerend’ schouwspel. En bovendien: zulke prestaties ‘berokkenen oneindig veel schade aan de gezondheid dier schepsels’. Helaas voor deze journalist heeft de vrouwenkoers dan – zeven jaar na de poging van het Antwerpse gemeentebestuur een vrouwenkoers te verbieden – al vaste grond onder de voeten gekregen: tijdens het WK van 1934 staan er duizenden – volgens Sportwereld zelfs tienduizend – toeschouwers langs het parcours.
Mien zelf eindigt tijdens het WK van 1934 als derde, schrijft ze een paar weken later in haar verhaal in Het Leven Geïllustreerd. In Sport in Beeld van 25 september van dat jaar verschijnt een kort bericht over de Loosduinse wielrenster Mien van Bree die te Brussel derde werd bij een internationale wielerwedstrijd voor dames, “waaraan de ietwat hoogdravende titel van wereldkampioenschap verbonden was. Mej. Van Bree kan als kampioene van Nederland beschouwd worden.” En in de kolommen van het Algemeen Handelsblad staat in november van dat jaar een artikel over de opening van de Zesdaagse op de R.A.I.-baan te Amsterdam. Daar moesten de renners voor even plaats maken voor de ereronde van “Mej. Mien van Bree, een Nederlandse wielrenster, […]. Volgens den luidspreker was zij derde aangekomen in het wereldkampioenschap voor vrouwen […]” Dat Mien hier een ererondje mocht rijden, was trouwens uniek en zou – ondanks haar latere successen – nog maar één keer voorkomen.
Maar goed. Derde. Mooi resultaat.

In het Vlaamse weekblad Sportwereld van 17 september 1934 is de top-vijftien van het WK terug te vinden. “Eerste werd onze landgenote Elvire Debruyn, tweede Debock en derde Peelman.” Derde. Peelman. Niet Van Bree. Die werd volgens Sportwereld achtste.
Ook in Nederland verschijnt een verhaal waarin Mien als achtste wordt vermeld. B.v.D., ofwel oud-renner, sportjournalist en medeoprichter van de Nederlandse Wieler Unie jhr. G. Bosch van Drakestein, woont de WK-wedstrijd bij; een kolossaal succes vindt hij het. In Sport-Echo, het ledenblad van de Wielerunie, schrijft hij erover. ‘Vijftigduizend francs aan prijzengeld, veertig deelneemsters uit onder andere België, Nederland, Frankrijk, Engeland en Italië en meer dan honderdduizend mensen langs het parcours. Winster en wereldkampioene werd Elvire Debruyne met een tijd van 2 u. 41 m. 56 s. voor de 90K.M., dat is 33 K.M. 330 M. gemiddeld per uur, een gangetje dus dat respect inboezemt,’ vindt B.v.D., om daarna het lijstje af te maken: tweede mej. De Bock, 3e Peelman, 4e Samijn, …, 8e Van Bree. Achtste.
Is Mien niet tevreden over die achtste plaats? Een combinatie van eerzucht en jeugdige overmoed, met in haar achterhoofd het vermoeden dat de Nederlandse pers haar woorden niet zal controleren, omdat de vrouwenwielersport toch geen bestaansrecht heeft? Of heeft ze die betere uitslag nodig om haar ouders over te halen in te stemmen met het drieste plan waarmee ze dan waarschijnlijk al een tijdje rondloopt?
Want Mien realiseert zich inmiddels wel dat de sport waar ze zich met hart en ziel aan geeft, in Nederland geen toekomst heeft. Ja, er zijn wel wat mensen die haar prestaties op waarde schatten. Zo krijgt ze zelfs een gratis racefiets van Magneet. ‘Een herenmodel, want een damesmodel was voor de wedstrijden veel te slap,’ vertelt ze later. Waarom fietsfabrikant Magneet haar een – zeker voor die tijd niet goedkope – racefiets geeft, ligt vermoedelijk in het feit dat de fabrikant in deze jaren flink aan de weg timmert om de naamsbekendheid te vergroten. Magneet ziet in de wielersport een uitstekend middel om dat te bereiken en zou niet veel later, als eerste Nederlandse fietsfabrikant, een eigen, professionele wielerploeg van de grond tillen.
Trouwens, ook Bosch van Drakestein zelf weet Miens prestaties op waarde te schatten, maar net als Mien beseft hij dat Nederland er nog niet klaar voor is: ‘Bij ons in Holland zou zooiets niet kunnen. Wij hebben immers een wegwedstrijdverbod. Maar al ware er een particulier terrein te vinden, dan nóg zou het hier niet gaan. Wij Hollanders zijn voor zooiets immers veel te deftig! Véél te dàftig zàg!’
Mien legt zich er niet bij neer. Ze heeft een droom en die wil ze waarmaken ook. Ze besluit Loosduinen te verlaten. Alleen. Bij die stap speelt vermoedelijk nog iets mee, maar daar hadden Miens ouders toen geen idee van, denkt mevrouw Barendse. ‘Misschien hebben ze het vermoed. Maar weten? Nee, de schande zou te groot zijn geweest.’
Mien verhuist naar België. Helaas weet de familie niet waar ze in die jaren precies heeft gewoond. Wel weet haar nicht dat Mien een café had. Of in een café werkte. De naam? Geen idee.
‘Er werd nooit over gepraat hè,’ zegt ze opnieuw.
Alsof dat deel van Miens leven onzichtbaar moest blijven.

Uiteindelijk blijkt de familie toch nog wat foto’s te hebben. Foto’s uit België. Mien op een fiets op een wielerbaan. Mien met een bos bloemen, ook op een wielerbaan. In pullover en plusfour en met de fiets aan de hand, poserend voor een café. Gezellige kiekjes zijn het, van die kiekjes die ze misschien wel eens in een envelop stopte en naar Loosduinen stuurde, zodat ze daar wisten dat het goed met haar ging. Het zijn echter geen foto’s die Mien dichterbij brengen. Dat doen de laatste paar foto’s uit de serie wel. Op een van die foto’s staat ze onder een boom. Naast haar een vrouw. Ze hebben de armen schuchter om elkaars middel geslagen. Ze lachen, Mien wat ingetogener dan de vrouw naast haar. Op een andere foto dragen ze allebei hetzelfde shirt, met een klein wybertjesvormig logo op de rechterborst: Alex. De meest veelzeggende foto lijkt in een pasfotohokje te zijn gemaakt. Dicht tegen elkaar aan. De degelijke donkere jassen en de witte kraagjes daaronder contrasteren fel met de blik die ze uitwisselen. Het is de blik die Fausto Coppi en Giulia Occhini elkaar in 1953 toewerpen als zij hem na het behalen van de wereldtitel de bloemen overhandigt. De blik waarin alles gebeurt, terwijl de wereld wegvalt.
Heeft Mien ook deze foto’s in een envelopje gestopt en naar huis gestuurd? Of heeft ze die blik haar leven lang voor zichzelf gehouden? Gekoesterd, als een kostbaar kleinood, slechts gedeeld met de kanaries die ze jaren later in haar keukentje kweekte?
Ook dat weet Miens nicht niet.
Ze weet echter wel wie die vrolijk lachende vrouw naast Mien is. Na de oorlog, toen Mien alweer een paar jaar in Loosduinen woonde, kwam ze wel eens op bezoek. Gewoon als vriendin hoor, voegt ze daar gehaast aan toe.

Maria Gaudens, zo heet ze. Wielrenster. En hoofdrolspeelster in een artikel in het Soerabaijasch Handelsblad, de krant die in augustus 1933 bedenkt dat het ‘kampioenschap van Europa door vrouwelijke wielrenners’ misschien een leuk verhaal voor de vrouwenrubriek kan opleveren. Zodoende reist de journaliste van dienst op zondag 27 augustus 1933 naar Waterloo – niet wetende dat dat uurtje trammen het begin is van een uniek artikel. Als ze in de loop van de ochtend aankomt in het kleine dorp, ziet ze hoe de deelneemsters aan de wedstrijd zich, zittend aan tafels op straat, voorbereiden. Een van die rensters nodigt de journaliste uit aan te schuiven, aan haar tafel is toch nog een stoeltje vrij. Aldus maakt de journaliste kennis met Maria Gaudens, ‘een rossig blonde twintigjarige (natuurlijk met gepermanente haren, er is hier geen vrouw die zónder loopt) een stevige meid met een paar krachtige beenen, een sympathiek gezicht, heldere, blauwe oogen, wat sproeten op de rozig verbrande huid. Met de ellebogen op tafel zat ze op haar gemak met de vingers een bleekvleezig gebraden kippetje te beplukken.’ De journaliste besluit Maria de rest van de dag te volgen. Maria blijkt zich gedegen voor te bereiden op de koers. Haar broer komt zo om haar benen te masseren, vertelt ze de journaliste, maar eerst moet ze zich nog omkleden. Als ze even later terugkomt, heeft ze haar gekleurde trui en haar bruine plusfour ingeruild voor een blauw truitje en een korte, zwarte broek. Op haar rug prijkt een groot vierkant stuk stof. Nummer tweeëntwintig is ze vandaag. Na de massage vult ze de voorop haar shirt genaaide zak met druiven, een fles drinken verdwijnt in een zijzak. Tot slot breekt ze twee rauwe eieren stuk en giet ze achter elkaar naar binnen. Dan is het tijd. Koers!
Bijna zestig deelneemsters staan aan de start van dit EK en ze hebben vijfenzeventig kilometer voor de boeg, verdeeld in veertien rondjes om het dorp. Langs de gehele route staat het publiek, dicht opeengepakt. De rensters maken er een harde koers van; in de eerste paar rondes ziet Maria nog kans haar familie in het voorbijgaan toe te knikken, maar al in de vijfde ronde is het volle bak. De gezichten worden roder, de gepermanente kapsels zakken per ronde verder in en de grimassen worden steeds krampachtiger. Dertig kilometer per uur, schreeuwt de speaker. Ook het publiek schreeuwt, Vlaamse en Franse uitroepen galmen door de straat. ‘Elvire, Elvire, c’est Elvire!’ Elvire De Bruyn – de grote ster van het peloton – wint, afgetekend.
Na afloop vindt de journaliste haar hoofdpersoon terug in het café, met haar familie in een kringetje om haar heen.
‘Se is weir gefalle,’ zegt moeder Gaudens.
Maria trekt een grimas terwijl ze nog wat aangekoekt zand van haar benen probeert te vegen. Ze is al bij de dokter geweest, vertelt ze. ‘Me tande stonde heilemaol scheif en die het de dokter weer recht geslaoge. En d’ne bult op het vourhoufd heit ie met een leige bierflesch weer gladgerold.’
Zich verbazend over de aanpak van de dorpsdokter geeft de journaliste Maria nog een glas bier en besluit dan terug te gaan naar Brussel. Daar zal ze later die week haar verhaal over de dameskoers op papier zetten, een verhaal waarmee ze de lezers van het Soerabaijasch Handelsblad een uniek inkijkje in het leven van een wielrenster geeft. Tachtig jaar later kleuren haar woorden ook het leven van Mien van Bree weer wat verder in.

De zoektocht naar Miens woonplaats in België heeft nog niets opgeleverd. Een tijd lang lijkt het antwoord binnen handbereik te zijn, vanwege de foto waarop ze met haar fiets aan de hand voor een café poseert. De wegwijzer op de foto wijst naar Erembodegem, inzoomen maakt zelfs de naam van het café zichtbaar: Het Houten Hand. Een café dat nog altijd bestaat. Aan de buitenkant verraden slechts de auto’s op de parkeerplaats de sprong in de tijd. Ook binnen is er weinig veranderd, vertelt de eigenaar van het etablissement. Houten lambrisering, uitgesleten houten planken op de vloer, houten hekjes die de grote ruimte in gezellige hoekjes opdelen en achterin de zaak een strak gelakte bar met glanzende bierpompen. Heeft Mien op deze zelfde planken rondgelopen, rennend van de ene bestelling naar de andere? Een wit schortje voor, misschien zelfs een gesteven kapje op haar hoofd? Best mogelijk: Erembodegem ligt in het toenmalige centrum van de vrouwenkoers en volgens het register van notaris De Vuyst, die café Het Houten Hand in 1940 per openbare verkoping aanbiedt, beschikt het pand over ‘vier groote slaapkamers en ruime zolders’; ruimte genoeg voor een inwonende serveerster. Helaas heeft de huidige eigenaar nog nooit van Mien van Bree gehoord. En nee, de foto heeft hij ook nog nooit gezien.
Miens nicht maakt resoluut een einde aan het beeld van Mien met een dienblad vol bier in Het Houten Hand. Ze schudt nee terwijl ze met haar vinger op de foto tikt. ‘Het café heette Holland. Of zoiets. Holland kwam in ieder geval in de naam voor. Ja, dat weet ik zeker, hoor. Ik heb er nog een foto van gehad, het was zo’n café met een terras ervoor.’
Holland? Ze knikt. Holland, ja. En trouwens, de naam Aalst heeft ze ook wel vaker gehoord. Waarom ze zich dat eerder niet eerder herinnerde, weet ze niet.
De cafénaam Holland in Aalst leidt echter tot niets. Ja, er waren wel een paar cafés met Holland in de naam, ook in Aalst. Maar van Mien van Bree geen spoor.

In de stilte achter de zware getraliede deuren van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel komt Mien toch weer wat dichterbij. Op 4 augustus 1934 bericht Het Laatste Nieuws over het kampioenschap van België dat de volgende dag in Leuven wordt verreden. Op de lijst der deelneemsters prijkt Miens naam, direct na die van Elvire De Bruyn. In de krant van 5 augustus wordt de uitslag vermeld: Elvire wint, op de vijftiende plaats staat ene Vanbrie – de journalist had waarschijnlijk haast. Het verslag van het “Championnat du Monde” te Schaarbeek verhaalt over Elvire De Bruyn die op onbetwistbare wijze wereldkampioene wordt; men schat de massa op honderdduizend mensen. Mien staat in de uitslag als achtste vermeld. In juli 1935, op het kampioenschap van Antwerpen, wordt Mien derde. Maria Gaudens wint de koers. Ook in andere uitslagen komt Mien voor: tijdens een koers van vijfenzeventig kilometer in Lessen wordt ze zevende, tijdens het kampioenschap van België in 1935 wordt ze vijfde, tijdens een wegrit in Moustier tweede. Ook andere kranten maken melding van Mien. De Schelde vraagt zich op 29 juli 1934 af wat Elvire De Bruyn en haar Belgische collega’s gaan doen tegen de kampioene Van Bree die zich ook heeft ingeschreven voor het baankampioenschap van Antwerpen. En op 5 september van datzelfde jaar besteedt Sportwereld aandacht aan Mien: “Alphonse Schada [hier wordt waarschijnlijk ‘Strada’ bedoeld, MT] heeft haar uiterste best gedaan, leverde puik werk, maar toch dient de Hollandsche Mien voor alle het meest geloofd!” De koers, het Europees kampioenschap voor dames, trok een publiek van duizenden, ondanks dat de regen halfkoers bij beken neerviel. “We moeten lang terugdenken om nog zulke reuzenstrijd te herinneren. Wat emotie!” vindt de journalist. Elvire De Bruyn wint de sprint. Mien wordt vijfde.
Uitgebreide wedstrijdverslagen zijn er echter niet en naarmate de gloriejaren van Mien naderen, worden ook de uitslagen schaarser. Wel is er een serie verhalen over Elvire De Bruyn: “Hoe ik van vrouw man werd”. In april 1937 laat dagblad De Dag Willy – voorheen Elvire – aan het woord over zijn nieuwe leven en de wanhoop, schaamte en verwarring waaronder hij tot zijn geslachtswisseling gebukt ging. Hij wil het opnieuw gaan maken, vertelt hij, als wielrenner, in plaats van als wielrenster. Maar terwijl het mannenpeloton er een renner met een verhaal bij heeft, verliest het vrouwenpeloton met Elvire een populaire publiekstrekker. Daar komt bij dat de Belgische Wielrijders Bond BWB zich al in 1935 begint af te zetten tegen de vrouwenkoersen. De bond verbiedt velodrooms koersen voor vrouwen in te richten, op straffe van schorsing. Veel velodrooms leggen het verbod naast zich neer; de vrouwenkoersen zorgen voor volle tribunes, een zegen voor de vele velodrooms die het hoofd maar ternauwernood boven water weten te houden. Het lijkt er echter op dat dit verbod, in combinatie met het verdwijnen van de absolute ster van de vrouwenkoers, ervoor heeft gezorgd dat de aandacht van het Belgische sportjournaille na 1937 verflauwt.

De geslachtsverandering van Elvire biedt Mien nieuwe kansen. In 1937 wordt ze Europees kampioene, maar haar grootste ambitie – de wereldtitel – weet ze niet te verwezenlijken. Ze wordt tweede. Op zondag 16 oktober 1938 probeert ze het opnieuw. Dat WK vindt plaats in La Louvière, zo’n vijftig kilometer onder Brussel. Het weer is redelijk goed: zo’n dertien graden, weinig zon, droog. Net als altijd controleert Mien haar fiets zelf en houdt ze de Magneet angstvallig bij zich, beducht voor de supporters van haar concurrentes die haar fiets al eens eerder onklaar maakten. Ze is geconcentreerd en weet dat ze alert moet koersen; winnen lukt alleen als ze zowel het peloton als de pech voorblijft; het zou niet voor het eerst zijn dat het halve peloton lek reed op uitgestrooide kopspijkertjes.
Een paar uur later staat Mien van Bree op het hoogste treetje van het podium, de overwinningspalm tegen de borst gedrukt. Misschien heeft ze zelfs een medaille om haar hals. Het Zaans Volksblad plaatst later die week een klein berichtje: de Loosduinse Mien van Bree is in La Louvière wereldkampioene wielrennen geworden. Ook de rubriek ‘Eigenwijze overwegingen’ van Sport in Beeld gaat kort in op Miens wereldtitel: ‘Alle respect voor Mien van Bree, maar ik moet toch eerlijk bekennen dat ik daar niet van houd. Niet alle sporten kunnen tenslotte door vrouwen beoefend worden en het wegrennen is daar een van.’ Voor de propaganda van de dameswielersport is een Nederlandse wereldtitel niet genoeg.
In 1954 reist Bosch van Drakestein af naar Loosduinen, voor een interview met oud-wielrenster Mien van Bree. Hij schrijft dat Mien haar wereldtitel van 1938 in het daarop volgende jaar weet te prolongeren en dat ze in 1939 ook weer Europees kampioene wordt. Het wonderlijke is echter dat Mien haar eerste wereldtitel volgens hem in Roucourt behaalde, terwijl de twee korte artikelen die vlak na die overwinning verschenen, La Louvière vermeldden. Ook de derde plaats op het WK van 1934 komt in het verhaal weer voorbij – ondanks dat Bosch van Drakestein zelf in 1934 nog schreef dat Mien achtste was geworden. Van de overwinningen die Mien in 1939 behaalde is tot nu toe in de archieven niets te vinden.

Als het Duitse leger in mei 1940 Nederland en België onder de voet loopt, blijft Mien in België wonen. Een jaar later gaat ze echter alsnog terug naar Loosduinen. Haar moeder lijdt al jaren aan reuma en de ziekte heeft haar gestel zo aangetast dat ze niet langer voor haar man en nog thuiswonende zoon Aad kan zorgen. Per brief vraagt ze haar enige dochter naar huis te komen. Mien zegt haar leven in België vaarwel, neemt haar fiets mee en zet deze naast haar opklapbed, in de kleinste slaapkamer van de bovenwoning aan de Tramstraat waar haar ouders dan wonen. Vanaf dat moment lijkt ze af te rekenen met de hartstochten die haar eerder richting het zuiden joegen; ze verstikt ze in een onvermoeibare zorg voor haar moeder en het huishouden. Haar nicht herinnert zich dat haar tante tijdens de oorlog nog wel eens op de fiets sprong en naar België reed. ‘Ging ze sigaretten halen voor haar broers. Nou ja, ze kende de weg natuurlijk.’
In 1944 wordt Miens oudste broer Jan – de vader van mevrouw Barendse – tijdens een razzia opgepakt. Hij wordt afgevoerd naar Drenthe, verdwijnt naar Duitsland en wordt in Hamburg tewerkgesteld. Tijdens een van de vele geallieerde bommenregens die de stad in maart 1945 teisteren, komt Jan om; hij was te ziek om een schuilkelder op te zoeken. De familie weet lange tijd van niets en na de oorlog gaan Miens vader en Jans vrouw iedere dag naar het Rode Kruis, op zoek naar een teken van leven. Maanden later staat er een kleine groep jongens voor de deur. Ze hebben samen met Jan in Hamburg gezeten.
En zo hebben Miens ouders opnieuw een kind te betreuren. In 1919 hadden ze Miens zus Nelly al moeten laten gaan – het meisje stierf op dertienjarige leeftijd in een inrichting in Oegstgeest. Maar met haar dood konden ze nog iets van vrede hebben; Nelly leed aan het syndroom van Down en haar ouders wisten al vroeg dat ze niet oud zou worden. Jans dood is een ander verhaal: hij had nog een heel leven voor zich. Miens moeder komt de klap niet meer te boven. In maart 1952 overlijdt ze, waarna Mien bij haar vader blijft wonen. Wel gaat ze weer werken, eerst als verpakster op de veiling, later als verpleeghulp in Rosenburgh, een psychiatrische kliniek op nog geen tien minuten fietsen van de Tramstraat. Zeven jaar na Miens moeder sterft ook Miens vader. Miens broers besluiten dat ze in de bovenwoning mag blijven wonen, als dank voor haar jarenlange zorg voor hun ouders. Mien geeft haar fiets een plekje in de achterkamer en boven de bank hangt ze het schilderij dat ze aan haar buurmeisje te danken heeft. Maar praten over haar fietscarrière, dat doet ze niet. Als iemand ernaar vraagt, verandert ze zo snel mogelijk van onderwerp. Alsof ze zich schaamde, zeggen haar vroegere buurmeisjes. Mevrouw Barendse vraagt zich dat af; haar tante praatte er gewoon niet over. Punt. Wel herinnert ze zich de affaire rondom Foekje Dillema, daar wond Mien zich enorm over op, vertelt ze. Foekje – concurrente van Fanny Blankers-Koen, die samen met haar echtgenoot een niet al te frisse rol in deze episode speelde – moest in 1950 een geslachtstest ondergaan, waarna ze gedwongen werd zich terug te trekken uit de Nederlandse ploeg. De Nederlandse Atletiek Unie schorste Foekje voor het leven, waarna de atlete zich gekwetst en beschaamd terugtrok uit het openbare leven. ‘Tante Mien vond het zo verschrikkelijk voor die vrouw. Ze heeft haar zelfs nog een brief geschreven.’ Of dat dan was omdat Mien in Foekjes verhaal iets van zichzelf herkende, dat weet mevrouw Barendse niet. Foekje heeft Miens brief in ieder geval nooit beantwoord. ‘Anders had tante Mien dat heus wel verteld, toch?’

Het contact met haar wielervriendinnen uit België is dan allang verwaterd. In de eerste jaren na de oorlog krijgt ze nog wel eens bezoek; volgens mevrouw Barendse kwam Maria Gaudens meerdere malen naar Loosduinen. Ook Willy De Bruyn bracht wel eens een bezoek aan Mien, herinnert ze zich als ze een foto van Willy ziet. ‘Met zijn vrouw, die herken ik ook nog wel.’ Dat Willy tot 1937 als Elvire door het leven ging, daar hadden de mensen volgens haar geen idee van. ‘Het was gewoon een aardige man. Miens vader nam hem altijd even mee, gingen ze tuinen. Zo noemden we dat hè, als we de tuin gingen bekijken.’
In Loosduinen heeft Mien niet veel contact met de mensen om haar heen. Naast haar werk als verpleeghulp doet ze de was voor een aantal winkeliers uit de straat, maar het zijn contacten die zich beperken tot het werk wat ze voor hen doet.
Ergens aan het begin van de jaren zeventig gaat Mien samenwonen met de twaalf jaar oudere Annie, een zus van Miens bovenbuurvrouw. Mien is dan al jaren vaste klant van Zandvliet, de slijter aan het einde van de straat – jenever blijkt een goed medicijn om herinneringen weg te spoelen en gefrustreerde gevoelens aan het zicht te onttrekken. Of Mien ook tijdens haar jaren met Annie ommetjes naar Zandvliet maakt, is niet bekend, maar de relatie loopt halverwege de jaren zeventig wel spaak. Als Mien, na een korte vakantie bij vroegere buren op de Veluwe, thuis de deur opendraait, staat ze oog in oog met een echoënde stilte. Annie is weg en heeft het hele huis leeggehaald. De klap komt hard aan. Zo hard zelfs dat Mien moet worden opgenomen in de psychiatrische instelling waar ze zelf jaren heeft gewerkt. Volgens mevrouw Barendse was haar tante in die eerste weken totaal niet aanspreekbaar. ‘Tot ze me op een dag vroeg of ik haar kon vertellen hoe ze daar terechtgekomen was. Arme ziel, ze wist het echt niet.’ Uiteindelijk overwint Mien haar zware inzinking. Ze keert terug naar haar bovenwoninkje aan de Tramstraat, waar ze kanaries gaat kweken. Ook haalt ze vissen in huis, en een kat. Maar helemaal de oude wordt ze niet meer. Ze laat zich door haar schoonzus Marie, een fanatiek aanhangster van de Jehova’s Getuigen, overhalen zich bij deze geloofsgemeenschap aan te sluiten. Al te fanatiek wordt ze niet; de vergetelheid die de jeneverfles biedt, blijkt haar beter te passen. De liefde voor de koers blijft. In 1976 vertelt ze in een interview met de plaatselijke krant – het interview dat plaatsvindt omdat ze de plaatselijke ronde in gang mag schieten – dat ze hypernerveus van spanning wordt van de Tour de France. ‘Ik zit dan volop mee te trappen en gil het uit, zo van: Nou wegsprinten en pak die cours toch!’ Eddy Merckx en Joop Zoetemelk zijn haar favorieten.
In de zomer van 1983 vraagt Mien haar nicht of die haar wil helpen met het regelen van haar uitvaart – je weet immers maar nooit. ‘Alsof ze toen iets voelde.’ Een paar weken later gaat bij Miens broer Aad de telefoon. Het is Miens buurvrouw: ze heeft Mien al een paar dagen niet gezien. Aads vrouw Jannie gaat ernaartoe en vindt de oud-wereldkampioene. Mien is dan al overleden, gestikt in haar eigen braaksel. Ze is achtenzestig jaar geworden. Als enige tijd later het huis leeg moet worden gehaald, is mevrouw Barendse er ook bij. ‘Toen maakte de huisbaas nog een opmerking over de hoeveelheid lege flessen. Daar was ik wel boos om. Dat verdiende tante Mien echt niet.’

In 1959 gaf de Nederlandse Wielerbond de eerste officiële wielerlicenties aan vrouwen uit, eenentwintig jaar na Miens eerste wereldtitel. Het officiële Nederlandse kampioenschap voor vrouwen stond in 1965 voor het eerst op de agenda.

Geraadpleegde bronnen:
Nederland
Algemeen Handelsblad; De Randwijk; Het Leven Geïllustreerd; Het Vaderland; Soerabaijasch Dagblad; Sport in Beeld / De Revue der Sporten; Sport-Echo; Sportief; WielerRevue; Zaans Volksblad
België
De Dag; De Schelde; De Sportweek; De Volksstem; Geïllustreerde Sportwereld; Het Laatste Nieuws; LiNiAal (tijdschrift van Culturele Vereniging Nieuwerkerken); Sportrevue; Wereldrevue

Het verwoeste leven van Foekje Dillema, door Max Dohle; uitg. De Arbeiderspers, 2008
In het wiel van de Flandriens, door Roger Quaghebeur, uitg. De Klaproos, 2011
Sportgeschiedenis.nl
Stuyfssportverhalen.wordpress.com

Het schrijven van dit verhaal werd mede mogelijk gemaakt door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Met dank aan de familie van Mien van Bree en alle mensen die hun herinneringen aan Mien met mij wilden delen. Ook dank aan Fredy De Schryver, Dries De Zaeytijd, Pascal Delheye, Jos Verschueren, Jurryt van de Vooren, André Stuyfersant, Paul van der Meulen, Sander Peters, Eric Hennekam, Marijn de Vries, Maarten Boers, Henk van Schaijik, Bap van Breenen en iedereen van Het Is Koers.

verschenen in De Muur, september 2013

Op 12 maart 2014 interviewde Radio 1 mij over Mien van Bree.

‘Trots is het verkeerde woord’ | Events

IMG_1147Toen hij zo’n dertig jaar geleden het bedrijf van zijn vader overnam, was een faillissement bijna onafwendbaar. Toch hield hij het bedrijf overeind. Sterker nog: tegenwoordig is de Libéma Groep een van de grootste leisure-organisaties van het land en heeft zo ongeveer iedere Nederlander er wel een keer geld uitgegeven. De plannen die directeur Dirk Lips dertig jaar geleden aan het papier toevertrouwde, vormen nog altijd zijn belangrijkste leidraad.

Dirk Lips, de directeur en grootaandeelhouder van Libéma komt keurig op tijd aangereden. Hij doet dat in een inmiddels niet meer zo piepjonge en Spartaans uitziende Landrover en weerspreekt daarmee meteen al het cliché dat een plekje in de Quote 500 garant staat voor een auto ter waarde van een gemiddeld rijtjeshuis. Verfrissend. Wanneer hij even later wordt gecomplimenteerd met het prachtig verbouwde Congrescentrum 1931 – voorheen de veemarkthallen van ’s-Hertogenbosch – glimlacht hij op een manier die verraadt dat complimenten ontvangen niet zijn sterkste kant is. Opnieuw verfrissend.

Libéma is met ruim twintig bedrijven een van de grootste leisurebedrijven van Nederland, met namen als het Safari- en Vakantiepark Beekse Bergen, het onlangs aangekochte Aviodrome en evenementen- en congreslocaties als de IJsselhallen en de Brabanthallen. Het bedrijf telt negenhonderd medewerkers, maakt een omzet van tachtig miljoen euro en ontvangt jaarlijks meer dan 5,1 miljoen gasten. Geen geringe cijfers dus. Toch vormen die mooie cijfers niet eens Lips’ grootste succes, zal hij in de loop van het gesprek vertellen. Dirk Lips blijkt zo zijn eigen kijk op zijn rol in het succes van Libéma te hebben.

Duidelijk plan
Dertig jaar geleden nam Dirk Lips Autotron over van zijn vader. Het bedrijf was op sterven na dood, maar Lips junior had er goed over nagedacht. Hij was dertig jaar, had al de nodige ervaring opgedaan in het bedrijfsleven en de studies bedrijfskunde en economie completeerden zijn bagage. Autotron paste naadloos bij zijn ambities, vertelt hij. ‘Het was altijd al mijn bedoeling een keer voor mezelf te beginnen. Toen deze mogelijkheid zich voordeed, heb ik een plan gemaakt dat ik eigenlijk tot aan de dag van vandaag tot op de letter heb uitgevoerd. Ik had een hele duidelijke visie, ja.’ Daar hoef je dus echt geen vijftig voor te zijn, wil hij maar zeggen: ‘Eerder andersom: als je dat op je dertigste niet kan, gaat het je op je vijftigste ook niet lukken.’

Lange termijn
Al vanaf het begin was het Lips’ bedoeling er zo’n groot bedrijf van te maken. Hij vond en vindt ondernemen een activiteit voor de lange termijn; snel je slag slaan past niet bij zijn karakter. ‘Daarom stelde ik een aantal randvoorwaarden op. De leisuremarkt was een goede en stabiele markt met meer dan voldoende groeipotentie. Daarnaast koos ik bewust voor de binnenlandse markt. Bij mijn vader, die een scheepsbouwbedrijf had, had ik gezien hoe besluiten op duizenden kilometers afstand het bedrijfsresultaat beïnvloedden, en dat wilde ik niet. De binnenlandse markt is stabieler en overzichtelijker, dat zie je nu ook weer. Verder wilde ik dat het bedrijf multifunctioneel werd; vandaar de verdeling in dagrecreatie, verblijfsrecreatie en beurzen en evenementen. Hierdoor spreid je de risico’s en ben je minder gevoelig voor de seizoensinvloeden.’ Nu de crisis huishoudt, blijkt opnieuw hoe verstandig deze keuzes waren; Libéma heeft relatief weinig last van de malaise, vertelt Lips. ‘We zijn nog steeds gezond. Onze strategische keuzes en de randvoorwaarden zorgen ervoor dat we crisisbestendig zijn.’

‘Het is topsport’
Het waren overigens niet alleen de harde zakelijke uitgangspunten waar Dirk Lips in zijn plan rekening mee hield. ‘Nee, dan had ik het niet gered. Als je onderneemt, moet je wel een bepaalde passie hebben. Als je je werk niet leuk vindt, straal je niet en dan werkt het niet, daar ben ik van overtuigd.’ Hij laat een korte stilte vallen, neemt een slokje thee en vervolgt dan: ‘Alles wat ze over ondernemen zeggen, is waar: je moet organisatietalent hebben, je moet mensen en middelen samen kunnen brengen, verstand van geld hebben en doelen kunnen stellen en bij kunnen sturen. En je moet heel hard willen werken, maar dat kan alleen als je een innerlijke drive hebt.’ Hij lacht: ‘Vergis u niet: het is topsport!’ Die passie komt later nog een keer ter sprake, als Lips over zijn kinderen praat: ‘Ik vind het belangrijk dat ze doen wat ze gelukkig maakt. Als je iets leuk vindt, word je er goed in, dan groeit het. Dat is wat passie doet.’

Discipline
Dirk Lips blijkt een gedisciplineerd mens te zijn, zowel zakelijk als privé. Hij rookt niet, hij drinkt niet, hij slaapt weinig – ‘maar ik zorg wel voor voldoende rustmomenten’ – en hij sport veel. Discipline en jezelf beperkingen opleggen zijn wat hem betreft onlosmakelijk verbonden met ondernemen. ‘Kijk naar Libéma: we hebben weinig geld van de bank en we hebben de afgelopen jaren uit eigen middelen geïnvesteerd. Als je bepaalde zaken in geld of mankracht niet aankan, moet je ze ook gewoon niet doen. Als ondernemer moet je weten wanneer je gas kunt geven, maar je moet ook weten waar de rem zit en daarop trappen als dat nodig is. En daar moet je consequent in zijn, anders werkt het nog niet.’ Maar hoe doet hij dat zelf dan? Dirk Lips lacht: ‘Het is een kwestie van pure discipline. Als je zegt dat je iets niet doet, moet je gewoon niet zeuren en het ook niet doen. Niet twijfelen. Nee is nee. Punt!’ Als hem wordt gevraagd of er dan helemaal geen verleidingen zijn, hoeft hij nog geen seconde na te denken: ‘Nee! En weet u hoe dat komt? Ik put veel kracht uit níet toegeven; die kracht is vele malen groter dan de vreugde van het wel bezwijken. Als je de kracht hebt om nee te zeggen, voel je misschien teleurstelling omdat je iets niet meemaakt. Maar je realiseert je tegelijkertijd dat je het eigenlijk helemaal niet nodig hebt.’ Dan, stellig: ‘Ik wil niet afhankelijk zijn. Niet van drank, niet van geld, niet van status. Ik wil vrij zijn. Daarom valt die discipline mij ook helemaal niet zwaar.’

Grootste uitdaging
Libéma is een succesvol bedrijf geworden, maar het woord ‘trots’ zal Dirk Lips niet snel over de lippen rollen. Toen hij dertig jaar geleden begon, was zijn grootste onzekerheid of het hem zou lukken een organisatie neer te zetten die ook zonder zijn leiding verder kan. Dat was de grootste uitdaging, vindt hij. ‘Als je van een soort eenmanszaak naar een bedrijf met meer dan negenhonderd medewerkers gaat, moet je door verschillende fases heen. Iedere nieuwe fase betekende dat ik het oude los moest laten en dat kostte me soms best moeite.’ Uiteindelijk staat er nu een organisatie met verschillende dochterbedrijven en een stafafdeling die al deze bedrijven bedient. Een bewuste keuze, vertelt Lips. ‘Doordat we een professionele stafafdeling hebben, kunnen de dochterbedrijven zich helemaal richten op hun gasten en medewerkers. De day-by-day-kwaliteit voor gasten en medewerkers moet goed zijn, daar moet de focus op liggen. Zonder een goede stafafdeling zou de directeur van een dochterbedrijf zich ook nog eens bezig moeten houden met maandrapportages, ICT-zaken en twintig andere dingen. Dan ga je dingen half doen en daar bereik je niets mee.’ Door de organisatie op deze manier in te richten, heeft Lips nu bereikt waar hij dertig jaar geleden zo onzeker over was. ‘Als ik stop, kan Libéma verder.’ Hij glimlacht voorzichtig: ‘Ja, daar ben ik dan wel trots op. Dat me dat is gelukt.’

Achilleshiel
Hij stipte het al even aan: de moeite die hij had om dingen los te laten toen Libéma steeds groter werd. Op de vraag wat er zo moeilijk was aan loslaten, blijft het even stil. Hij schuift wat papieren heen en weer en steekt dan van wal: ‘Eigenlijk vind ik het nog steeds het leukst om gewoon voor onze gasten te zorgen. Het is heel eenvoudig: onze gast verwacht dat het park schoon is en dat de olifanten er staan. Maar of hij ook echt een leuke dag heeft gehad, hangt van ons af. De gast is niet gek, die voelt heus wel of wij gemeend hartelijk zijn of een toneelstukje opvoeren. De omgang met gasten is het mooiste van ons vak, maar het is tegelijkertijd onze achilleshiel.’ Lips geeft dan ook grif toe dat hij het directe contact met de gasten soms mist: ‘Ja, dat is een nadeel van groot worden inderdaad. Juist vanwege die gasten heb ik voor dit vak gekozen. Ik vind mijn huidige werk ook leuk hoor, begrijp me niet verkeerd. Maar ik als hiermee ophoud, mogen ze me best weer achter de receptie of achter de bar zetten. Gewoon gezellig met de gasten bezig zijn.’
Het belang van die gastgerichtheid staat wat hem betreft dan ook haaks op de huidige trend om mensen puur op competenties te beoordelen. ‘Bij de werving en selectie moet je mensen eigenlijk een hartslagmeter omdoen om te kijken of hun hart op de goede plek zit. Dat is het eigenlijk, hè. Als je die gastgerichtheid in je genen hebt, komt de rest vanzelf. Ons vak is niet zo moeilijk, dat kun je allemaal leren. En als je het niet weet, kom je het maar vragen. Wij hebben hier iemand werken, die doet bij wijze van spreken alles fout, maar beschikt wel over de Brabantse warmte en hartelijkheid. Daardoor komt het altijd goed.’

Bescheiden
In een eerder interview vertelde Lips al eens dat hij niet van geld houdt, maar van ondernemen. Voor hem is het niet meer dan logisch: ‘Als je gaat ondernemen om heel veel geld te verdienen, gaat je dat waarschijnlijk niet lukken. Plezier is een veel sterkere succesfactor dan geld.’ Het grootste plezier is de uitdaging, vindt hij. ‘Zoals eerder dit jaar, toen we Aviodrome overnamen; daar geniet ik van.’ Het plan voor Aviodrome werkte Lips in slechts drie dagen uit. ‘Visie, marktpositionering, productontwikkeling, investeringen, exploitatieopzet, planning. Alles, ja. Het geeft een kick als tijdens besprekingen en later tijdens de uitvoering blijkt dat zo’n plan klopt. Daar krijg ik een blij gevoel van.’ Als het woord ‘trots’ opnieuw valt, schudt hij echter meteen het hoofd. ‘Nee, nee, trots is het verkeerde woord. Ik vind mezelf niet geweldig omdat ik dit kan.’ Veeleer ziet Lips zichzelf als de persoon die de zaak slechts tijdelijk beheert. ‘Die bescheidenheid, die nederigheid vind ik belangrijk. Ik ben me ervan bewust dat ik hier tijdelijk ben, en dat ik de dingen die ik hier doe, zowel zakelijk als privé, tijdelijk mág doen. Ik ben heel blij dat ik het mag. Het is niet van mij, ik ben slechts een schakel. Veel meer moet je ook niet willen. Als je dat besef hebt, ben je ook niet gevoelig voor geld of status. Natuurlijk, het is hartstikke leuk dat je ervan kunt profiteren. Maar vaak is het idee dat het kán nog leuker dan het daadwerkelijk doen. Als je het zo ziet, is geld of status of egotripperij niet het hoogste goed. Vanuit die bescheidenheid beleef ik er ook veel genoegen aan om dingen voor onze gasten te doen. Ik ben er voor de gast, van binnenuit. En de gast is er niet voor mij, snapt u? Als je dat besef van binnenuit voelt, voel je je nooit te groot of te klein en is gastvrijheid vanzelfsprekend.’ Even is het stil. Daarna legt hij beide handen voor zich op tafel. ‘Ja, dat is wie ik ben.’

verschenen in Events, winter 2012

Renner op de Cauberg | Soigneur

IMG_1105Een sprieterig meisje van negen was ik toen ik voor het eerst van de Cauberg hoorde. Het was 1979, mijn wielerliefde was nog pril en in Valkenburg streden de renners om de wereldtitel. Vanaf onze donkerbruine corduroy bank zagen mijn vader en ik hoe de geblokte Jan Raas van zijn ploegmaats duwtjes kreeg om boven te komen. “Een echte klootzak hoor, die Cauberg”, gniffelde mijn vader. Later begreep ik dat Raas krachten wilde sparen, maar als negenjarige was ik vooral onder de indruk: dat zo’n kerel die berg niet zonder hulp op kon. Dat mijn vader het een klootzak van een berg vond, zei trouwens ook wel wat. In de jaren daarna sloeg mijn geheugen talloze beelden van de Cauberg op, allemaal even heroïsch. De blikkerende tanden van Michael Boogerd. Boogerds postbode, op z’n degelijke damesfiets. De geaderde kuiten van Lance Armstrong. De demarrages van Philippe Gilbert. Touretappes. De Vuelta. Wereldkampioenschappen. De Amstel Gold Race. De Cauberg, dat is onze eigen Alpe d’Huez, inclusief het bier en het schreeuwende publiek, maar exclusief de haarspeldbochten waar geen einde aan lijkt te komen. Ruim dertig jaar na mijn eerste kennismaking met de Cauberg ben ik een fietser die graag wielrenner wil zijn. Het materiaal voldoet al: de Wilier met Campagnolo-groepen, het roze shirt met bijpassende broek van Castelli, de witte lakschoentjes van Sidi, zelfs mijn helm en bril komen uit Italië. Maar mijn zweet valt slechts op vlakke polderwegen en mijn fiets heeft nog nooit een berg van dichtbij gezien. Tot vandaag. Vandaag word ik wielrenner. Op de Cauberg.

Toen ik vanmorgen opstond was de wereld grijs, maar nu schijnt de zon. Ik zit al bijna twee uur op mijn fiets, volgens de wegwijzer is het nog vijftien kilometer tot Valkenburg. Nog een half uurtje. Ik voel een kriebel in mijn onderbuik en neem een paar slokken water. Het wordt steeds drukker op de weg en ik voel een lichte misselijkheid opkomen. Auto’s razen voorbij. Een rotonde. Even later een stoplicht. Ik kijk om me heen. Te veel knipperende lichtreclames, te veel verwaarloosde huizen en te veel verkeer door te nauwe straatjes. Het licht springt op groen en ik rijd weer verder, langs geparkeerde auto’s en zoemende terrassen. Vanuit een zijweg duikt een man de weg op. Ook een fietser, grijs haar, behaarde benen en vetrolletjes boven de rand van zijn fietsbroek. De weg buigt naar rechts, aan een lantaarnpaal zie ik twee bordjes hangen. Het bovenste is helblauw, met witte letters: Cauberg. Het onderste wit, met zwarte letters: Cauberg 12%. Mijn ogen volgen de weg omhoog, mijn hart legt hetzelfde traject af. Ik slik een paar keer. In mijn benen voel ik de weerstand toenemen, maar nog niet genoeg om te schakelen. Voor mij rijdt de grijze renner. Een zware truck dendert langs, een smerige blauwzwarte dieseldamp achter zich aan slepend. Als hij voorbij is, geeft de zuiging me een kleine zwieper. Even dreigt mijn voorwiel in het gootje tussen asfalt en trottoir te belanden, maar ik weet nog net op tijd terug te sturen. Mijn hart gaat als een razende tekeer en jaagt benauwde tintelingen door mijn lijf. Ik trek de rits van mijn shirt een stukje naar beneden. Mijn adem wordt zwaar, gejaagd. De kont van de grijze wielrenner deint voor me uit. Alles aan hem beweegt. Hij staat op zijn pedalen, zijn brede rug zwoegt tegen zijn fiets in. Links, rechts, links, rechts. Lijkt het nu zo, of kom ik dichterbij? Ik zet aan. Ga ook op mijn pedalen staan. En verlies mijn cadans. Ik ga weer zitten, kijk snel om me heen. Niemand. Gelukkig. Als ik weer voor me kijk, zie ik de grijze renner nog altijd dichterbij komen. Opnieuw zet ik aan en net voordat de weg naar links zwenkt, haal ik hem in. Ik knik even en ga dan voor hem rijden. In gedachten zet ik een vinkje: man ingehaald. Dat hij misschien wel twintig jaar ouder is dan ik en een bierbuik met zich meetorst, doet er niet toe. Inmiddels stuurt iedere ademhaling felle steken naar mijn longen. Ik wil schakelen. Achter me hoor ik het zachte rateltje van een ketting die op het volgende kransje valt. Ik wacht er nog even mee. Focus. De eerste namen doemen op, in grote witte blokletters. Even later rijden mijn dunne bandjes over de K van Gesink. Twee trappen verder de E van Philippe, gevolgd door het uitroepteken achter Andy’s naam. Hier reden ze vorige week, over dezelfde blokletters. Mijn hoofd registreert het. Ik wil blij zijn, euforisch zelfs. Hier rijd ik, op hetzelfde asfalt! Maar mijn lijf werkt niet meer mee.

Ik duw de pedalen naar beneden, trek ze weer omhoog. Behalve mijn stuur en het asfalt onder me zie ik helemaal niets meer. Een jongen komt langszij, haalt me in alsof ik stilsta. Geschoren benen. Heel even lijkt het alsof ik aan kan klampen, maar na een paar seconden moet ik hem al laten gaan. Ik schakel terug. Mijn benen doen pijn, mijn ademhaling raspt en piept. Ik wil opnieuw terugschakelen, maar de derailleur reageert niet meer. Mijn cadans is verdwenen, ik begin te slingeren. Ik knijp mijn ogen dicht. Zwarte vlekken. Ik kan niet meer. Ik kan echt niet meer. Mijn longen staan in brand. Alles trilt. Mijn vingers bewegen zich naar de remmen, sluiten zich eromheen. Willen knijpen. De pijn stoppen. Maar dan denk ik aan die grijze renner achter me. Aan Michael Boogerd en zijn postbode. En aan mijn vader, die zei dat de Cauberg een klootzak van een berg was. Ik laat de remmen los, leg mijn handen op het stuur. Duw! Rechterbeen. Duw! Linkerbeen. Mijn vader juicht. Mijn lijf schreeuwt. Onder mijn wielen verschijnt een brede schaduw. Het viaduct. Ik zet nog eens aan en kan weer ademhalen. De grijze renner rijdt me voorbij, maar het kan me niet schelen. Voor me doemt het bushokje op. Ik houd mijn benen stil en luister naar de fluistertikjes van de naaf. Ik ben wielrenner! Op de top van de Cauberg. Als ik op mijn tellertje kijk, realiseer ik me dat het niet zoveel voorstelde. Nog geen kilometer. Een paar minuten. Twaalf procent max. Eigenlijk best te doen.

verschenen in Soigneur, zomer 2012

De grote liefde van Kenny van Hummel | Wielerland Magazine

IMG_1047Twaalf jaar was hij toen hij naast zijn vader op de bank stond te springen toen Jeroen Blijlevens zijn eerste Tourzege behaalde. Zijn eigen debuut in 2009 verliep niet helemaal zoals hij wilde, maar als hij dit jaar voor de herkansing mag, wil hij de wereld laten zien dat hij wel degelijk veel in zijn mars heeft. Kenny van Hummel houdt namelijk van de Tour en zou zijn 21 profzeges zo inruilen voor één etappezege in de Tour de France. Een liefde in zes filmpjes.

De zon schijnt uitbundig en de eerste tafeltjes op het terras van het Arnhemse grand café Dudok zijn al bezet. Voor vandaag staan er echter een paar Tourfilmpjes op het menu en het felle licht noopt dus tot een tafeltje binnen. Kenny van Hummel heeft de tijd, zegt hij als hij koffie heeft besteld. Het lijf zakt wat onderuit, de benen gaan gestrekt onder het kleine tafeltje. ‘Ik zit hier prima, ik heb toch vrij vandaag.’ De dagen voorafgaand aan het interview reed hij de Ronde van Picardië – en won een etappe nadat de Fransman Nacer Bouhanni was gediskwalificeerd vanwege onreglementair sprinten. Hij is er blij mee; zijn eerste overwinning voor zijn nieuwe ploeg Vacansoleil. ‘Ik wil naar de Tour, dus ik moet nu laten zien dat mijn conditie goed is en nog beter wordt. Het is dan wel lekker als dat ook lukt’

Vloeken in Verbier, 2009 – Van Hummel; 2009
De Kenny van 2012 is niet dezelfde Kenny als die van 2009, toen hij zijn eerste Tour de France reed in dienst van Skil-Shimano. Die Tour maakte hem beroemd, maar niet op de manier die hij graag wilde. ‘Toen wilde ik zo graag naar de Tour, het was een jongensdroom. Dus ik piekte al in mei, omdat ik die selectie moest en zou halen. Toen de Tour van start ging, was ik al over mijn piek heen.’ Gevolg was dat hij in de bergetappes niet goed meekon en uiteindelijk steeds net binnen de tijd binnenkwam. Hij werd een held in Nederland en Lance Armstrong noemde hem een super hero, maar Kenny zelf had het graag anders gezien. ‘Ik ben een winnaar, een sprinter, maar er waren genoeg mensen die dat niet eens wisten. Die zagen alleen die Kenny die in zijn eentje over die cols ging.’ Hij is er wel klaar mee, wil hij maar zeggen. Maar goed, als we dan toch een filmpje aan die Tour moeten plakken, dan ziet hij het liefst de beelden van zijn reactie na afloop van de etappe naar Verbier. ‘Al na acht kilometer kwam ik alleen te zitten, en ik moest nog tweehonderd kilometer. De gedachte aan mijn oma, die vlak voor de Tour was overleden, heeft me er die dag doorheen gesleept. In mijn kop moedigde zij me aan, maar toen ik over de finish kwam, was ik zo kapot. En dan zo’n microfoon onder je neus, hè. Vloeken natuurlijk, zoveel emotie, daar kan geen mediatraining tegenop.’ Hij schaamt zich er niet voor. Dat was 100 procent puur Kenny. Punt. Hij lacht.

Energie sparen
Van Hummel heeft veel van zijn Tourdebuut geleerd. Hij heeft dit jaar gekozen voor een andere seizoensopbouw en hij is afgevallen, zes kilo maar liefst. Vroeger lette hij niet op zijn voeding. Was ook niet nodig, hij won zijn wedstrijden toch wel. Maar toen hij de overstap naar Vacansoleil maakte, deed hij dat omdat hij het gevoel had dat er nog meer in zat. Hij kreeg gelijk, vindt hij nu al. ‘Al tijdens Brussel-Kuurne-Brussel merkte ik het verschil. Waar ik andere jaren in de derde groep moest blijven hangen, reed ik nu rond in de eerste groep. In de Tirreno-Adriatico hetzelfde; ik zat zonder af te zien in de bus.’ Hij geniet ervan en hij is ervan overtuigd dat het zich gaat uitbetalen. ‘Kijk, als je zonder afzien in de eerste groep kan blijven zitten en in een beklimming op je gemak mee kan peddelen in de bus, dan betekent dat simpelweg dat je energie spaart. Energie voor de sprint, precies!’ Misschien nog wel het mooiste aan de Kenny van 2012 is het plezier dat van hem af spat. Hij is weer het kind van vroeger dat stuiterend van enthousiasme naar de koersjes ging.

‘Zie je die finishlijn?’ – Van Poppel; 1988
Op het moment van het interview weet Van Hummel nog niet of hij naar de Tour mag. Hij grinnikt: ‘Kun jij de ploeg niet even bellen om het te vragen?’ Hij neemt een slok koffie. Dan: ‘Nee hoor, da’s een geintje. Ik moet mijn benen laten spreken, maar ik ga er niet om vragen. Mijn resultaten zouden genoeg moeten zeggen.’ Niet dat hij dit jaar al veel heeft gewonnen, maar dat verbaast hem ook niet: het niveau ligt hoger en Kenny’s biologische klok heeft de zon en de energie van de zomer nodig. Maar zoals gezegd, de vorm is er. ‘Vanaf nu moet ik uitslagen pakken, ja. Daarom was ik ook zo blij met die rit in Picardië.’
Hij kan zich nu al verheugen op de mogelijke voorbereiding op de Tour. Sprints analyseren met ploegleider Jean-Paul van Poppel, Van Hummel ziet het helemaal voor zich. Want ja, hij wil er wel graag eentje winnen. Sterker nog, hij zou er al z’n profzeges zo voor inruilen. ‘Het is de Tour, hè.’ De liefde voor de Tour zat er al vroeg in bij Van Hummel. Zijn vader was behept met het wielervirus en stak de jonge Kenny aan. ‘Ik keek de Tour samen met mijn vader. Tegen de tijd dat de finish in zicht kwam, zat mijn vader zo ongeveer in die tv. Daar begon mijn liefde voor de Tour mee.’ De overwinningen van zijn ploegleider Van Poppel weet hij zich niet zo goed meer te herinneren, hij was net te jong. Tijd dus om zijn kennis wat bij te spijkeren, met de beelden van Jean-Paul van Poppel die in 1988 de prestigieuze laatste etappe naar Parijs wint. De kleuren zijn vaal en het beeld is gruizig, maar Van Hummel haalt zijn ploegleider er meteen uit. ‘Ja, mooi man, zoals hij daar buitenom komt en toch wint. En zie je die meterbordjes, en die finishlijn? Zo’n ouderwets smal simpel lijntje, prachtig!’

Tumultueuze sprinten de frustraties van een sprinter – Blijlevens; 1997 | Blijlevens en Julich; 2000
De overwinningen van die andere grote Nederlandse sprinter herinnert Van Hummel zich nog wel: ‘Als Jeroen Blijlevens won, stonden mijn vader en ik op de bank te springen!’ Als we hem nu een filmpje van Blijlevens laten zien, blijft Van Hummel rustig zitten, ondanks de tumultueuze sprint op het beeldscherm. Blijlevens wint, nadat Erik Zabel wordt gedeclasseerd vanwege onreglementair sprinten. ‘Ik herken dat wel, da’s toch de drang om te winnen. Als je midden in zo’n sprint zit, denk je niet na over de officials die je naderhand kunnen diskwalificeren. De belangen zijn zo groot in die Tour, iedereen wil winnen. Niet-sprinters veroordelen dat soms, maar ik denk dat veel sprinters het wel herkennen.’ Ook de beelden van Jeroen Blijlevens die de Amerikaan Bobby Julich na afloop van de laatste etappe van de Tour van 2000 belaagt, herinnert Van Hummel zich. ‘Het is niet goed te praten, zeker niet. En toch begrijp ik hem wel een beetje. Hij had dat jaar een slechte Tour gereden terwijl de verwachtingen hooggespannen waren. Zoals ik al eerder zei; de belangen in de Tour zijn zo groot… Als het dan niet goed loopt, is de frustratie ook enorm. Dat is misschien wel wat de Tour ook doet.’

De kunst van het juichen
Het ging de jonge Van Hummel overigens niet alleen om de Nederlandse etappezeges. Leergierig als hij was lette hij goed op tijdens de sprintduels: het loeren, het gekwak, de ellebogen, de slinkse manoeuvres; de kleine Kenny sloeg het allemaal op. Fanatiek, toen al. Hij lacht als hij vertelt dat hij zelfs op het juichen lette. ‘Ik denk dat ieder jochie dat doet, toch? En dan later nadoen hè. Die van Dekker in de Tour van 2000, met die zwaaiende armen over de streep, die heb ik zelf ook wel een paar keer gedaan.’

Doodsangsten in de ploegleiderswagen
Van Hummel weet niet precies wat het is met die Tour. Hij weet wel dat hij het niet eens is met Mario Cipollini, als die zegt dat het de kampioenen zijn die het verschil maken in de Tour. Voor Van Hummel is de Tour veel meer dan alleen die kampioenen; het gaat ook om de mooie plaatjes, de organisatie, de verhalen, het drama en het complete circus eromheen. ‘Het is een van de grootste sportevenementen ter wereld en binnen iedere ploeg is er veel druk om aandacht te trekken. De hele wereld kijkt mee.’ Zijn eigen liefde voor de Tour zorgde ervoor dat hij meer risico’s nam dan in andere wedstrijden. Met 120 kilometer met uur de Tourmalet afsuizen; levensgevaarlijk, dat weet hij ook wel. En hij begrijpt best dat de cabaretier Guido Weijers, die als gast in de ploegleiderswagen zat, doodsangsten heeft uitgestaan. ‘En toch zou ik het zo weer doen,’ geeft Van Hummel toe. ‘Door het ongeluk van Wouter Weylandt ben ik wel wat voorzichtiger geworden. Maar toch, als puntje bij paaltje komt…’ Hij grinnikt: ‘Maar nu hoeft het niet meer. Ik ben nu goed genoeg om in de bus te blijven!’

verschenen in Wielerland Magazine, mei 2012

Altijd gezellig op de Tolsteegbrug | LUIDER

IMG_1131Het Louis Hartlooper Complex (LHC) is een markante verschijning in de Utrechtse binnenstad. Het rijksmonument, bouwstijl Amsterdamse School, is tegenwoordig misschien wel het populairste filmhuis van Utrecht. Nog niet eens zo lang geleden maakte de politie hier de dienst uit.

Tegenwoordig schakel je een hip architectenbureau in als je een bijzonder gebouw neer wilt zetten. In het Utrecht van de jaren twintig van de vorige eeuw was dat anders. Veel van Utrechts monumentale gebouwen uit die tijd zijn ontworpen door een architect die ‘gewoon’ in dienst was van de Dienst Gemeentewerken van de gemeente Utrecht. Johannes Izak Planjer (1891-1966) bleef zijn leven lang ambtenaar en ontwikkelde als zodanig heel wat bekende bouwwerken, waaronder in 1926 een politiebureau aan de Tolsteegbrug. Het pand werd al snel bekend onder de naam Bureau Tolsteeg, een naam die niet zou misstaan als titel voor een spannende tv-serie.

Kneuterig
Ruim zeventig jaar nadat het politiebureau officieel werd geopend, verliet de Utrechtse politie Bureau Tolsteeg. ‘Met pijn in ons hart,’ vertelt Thomas Aling, woordvoerder bij de politie Utrecht. ‘Het was een geweldige plek, maar we waren er echt uitgegroeid.’ Oud-districtschef Lex Mellink is al even lovend over zijn oude werkplek. ‘We voelden ons er thuis, ondanks dat het te klein werd en allerlei gebreken vertoonde. Het hek van de binnenplaats weigerde bijvoorbeeld regelmatig dienst. Als je dan met de auto weg wilde, kon je het mooi vergeten! Het was maar goed dat er nooit meer dan zes auto’s op die binnenplaats pasten. Bureau Tolsteeg was ook heel kneuterig en laagdrempelig. De mensen liepen zo naar binnen, gewoon voor een gezellig praatje poep.’
Bureau Tolsteeg was populair, vervolgt Mellink, iedereen wilde er werken. ‘De sfeer was bijzonder. Dat had inderdaad te maken met het gebouw, maar met ook de locatie. De wacht zat bijvoorbeeld in de ruimte waar nu het restaurant van het Hartlooper zit, met uitzicht op de terrassen van het Ledig Erf.’ Thomas Aling kan erover meepraten: ‘Daar gebeurde vaak genoeg hoor, als de drank in de man is dan weet je het wel! Kwamen ze weer langslopen, een beetje uitdagen, een beetje dollen. Soms moesten we ingrijpen, maar meestal ging het goed.’

Stellings droom
Vanaf 1999 stond het unieke gebouw aan de Tolsteegbrug leeg en de Utrechtse filmregisseur, scenarist en producer Jos Stelling zag mogelijkheden. Een eerbetoon aan cinema kon het worden, een mausoleum voor de filmkunst zelfs. Stelling daagde de architecten uit tot creatief denken, want het oude politiebureau bood eigenlijk te weinig ruimte voor het realiseren van zijn droom. In de documentaire ‘Van Bajes tot Bios’ vertelt architect Otto Trienekes hoe hij ruimte creëerde: ‘We zijn ondergronds gegaan én we hebben het dak over een oppervlakte van honderd vierkante meter een meter omhoog gebracht.’ De grootste filmzaal van het LHC bevindt zich zodoende ondergronds, met daarbovenop nog een filmzaal en de karakteristieke foyer met het glazen dak. Deze foyer bevindt zich op de oude binnenplaats van het bureau – de buitenmuur is nog altijd duidelijk zichtbaar. En ja, dit is dezelfde binnenplaats waar eerder de dienders voor niets stonden te wachten tot het hek openging. In het Louis Hartlooper Complex liggen de contrasten voor het oprapen: de oude rode bakstenen en de ronde hoeken tegenover de zwarte coating en de strakke lijnen. Het waren bewuste keuzes van de architect; de oudbouw en de nieuwbouw worden hierdoor ieder hun waarde gelaten. ‘De contrasten maken er een spannend gebouw van,’ vindt Otto Trienekes.

Euforisch gevoel
Ondanks een paar tegenslagen – onvermijdelijk bij zo’n groot project – kostte de metamorfose van het oude politiebureau betrekkelijk weinig tijd. In de zomer van 2003 togen de slopers aan het werk, in september legde Louis Hartlooper jr. de eerste steen en in het voorjaar van 2004 verscheen de nieuwe naam op de gevel en werden de in plastic verpakte rode bioscoopstoelen naar binnen gedragen. Jos Stelling kwam in de dagen voor de opening maar weinig aan slapen toe, vertelt hij in eerder genoemde documentaire: ‘Het is zo’n euforisch gevoel; Hartlooper is precies wat het zijn moet!’ Op 22 juli 2004 gingen de deuren open voor publiek. Stellings droom is uitgekomen: anno 2011 is het LHC hét Utrechtse centrum voor film en cultuur. En, ook niet onbelangrijk, het Louis Hartlooper Complex zit op een van de gezelligste punten van Utrecht – maar dat wisten ze bij de politie allang.

Explicateur – een vergeten beroep
In het begin van de twintigste eeuw zag ‘een filmpje pikken’ er anders uit dan nu. De films in die tijd hadden geen geluid; er liep een explicateur door de zaal die de film in woord en gebaar uitlegde aan het publiek. Louis Hartlooper was zo’n explicateur, de populairste van Utrecht zelfs. De bioscopen Rembrandt en Vreeburg kochten hem verschillende keren bij elkaar weg en toen hij eens werd ontslagen, eiste het publiek zijn onmiddellijke terugkeer. Louis Hartlooper leefde van 1864 tot 1922.

verschenen in LUIDER, juli 2011

Dilemma van een wielerfan | Het is Koers

IMG_1101Het duurde tot en met de tiende etappe. De ene dag dacht ik het een, de andere dag het ander. Sterker nog; mijn voorkeur veranderde soms binnen het uur. Vroeger, met Lance in het peloton, had ik het een stuk makkelijker. Mijn ogen hadden dezelfde voorkeur als de vele camera’s in de koers, dus drie weken ongegeneerd genieten was jarenlang mijn deel. Zelfs toen hij de koers niet meer naar zijn hand wist te zetten, verloren de camera’s hem niet uit het oog. En eerlijk gezegd genoot ik daar ook weer van, van die teloorgang, juist omdat hij zo menselijk viel en door het ijs zakte. Maar sinds Lance niet meer meedeed, was ik zoekende. Een nieuwe held is niet zomaar gevonden.
Met de Schleckjes heb ik niets. Die iele muizenkopjes, dat gekweel over hoe fantastisch het is om samen op het podium te staan, het geklungel in de afdaling; het is allemaal net niks. Ze nemen hun vak gewoon niet serieus genoeg en dat irriteert me mateloos. Vorig jaar dacht Andy de Tour te kunnen winnen, maar hij was te beroerd om het parcours van de laatste tijdrit goed te verkennen. Dan verdien je het gewoon te verliezen. En wat te denken van dat gekrakeel met Johan Bruyneel, een paar weken geleden? Ik kreeg bijna medelijden met Bruyneel, en dat terwijl Bruyneel bepaald geen man is om medelijden mee te hebben. Maar potverdorie, het zal je maar gebeuren hè; heb je je jarenlang met freaks als Lance en Alberto opgehouden en prijs na prijs gewonnen en dan wordt je opgezadeld met twee van die verwende snotneuzen uit Luxemburg. Een mens zou van minder wanhopig worden. Nee, de Schleckjes zijn niet mijn helden.

Helaas heb ik ook niets met hun Spaanse kompaan met wie ze op Curaçao zulke gezellige onderonsjes hebben. Die donkerbruine ogen die je veel te hondstrouw aankijken, die voorzichtige glimlachjes, die puntige bakkebaardachtige begroeiingen langs zijn kaaklijn, die veel te vlezige lippen. En dan heeft Alberto Contador, want over hem heb ik het natuurlijk, zijn mond nog niet eens open gedaan. ‘Zzzero, zzzero, zzzero, zzzero…’, nouja, u kent dat typische slisje inmiddels wel. En dan dat pistoolgebaar als hij winnend over de streep komt. Waarom moeten die renners überhaupt allerlei gekke fratsen uithalen als ze winnen? Sinds wanneer is dat? Waarom niet gewoon een of twee armen in de lucht, met hoogstens een snel gebaar naar de hemel als daar iemand is aan wie ze de zege op willen dragen? Ik ben niet van die ludieke gebaartjes, als ik daarvan zou houden, was ik wel voetbalfan geworden. Natuurlijk is Alberto een machtig wielrenner en zijn zijn dansjes bergop onnavolgbaar. Maar ik word er niet warm of koud van. Geen kriebels in mijn buik, geen geschreeuw naar de tv als hij dreigt te verliezen. Hij maakt helemaal niets in mij los en als potentiële held heb je de wedstrijd dan eigenlijk al verloren.

Maargoed, genoeg over Alberto, hij rijdt dit jaar niet eens mee. Dit jaar beleven we de Tour van de Angelsaksische renners. Dat de Union Jack in grote of verkleinde vorm in de top-3 zou prijken, hadden we een paar jaar geleden ook niet kunnen verzinnen. Ik vind het wel mooi, maar tot aan de tiende etappe stelde het me ook voor een groot dilemma. Want vorig jaar dacht ik mijn nieuwe held te hebben gevonden. Het kuiltje in de kin is wat te geprononceerd en die hoge stem is ook niet je-van-het, maar Cadel Evans had mijn wielerhart toch veroverd. Het stoïcijnse lachje, het enigszins autistische gedrag – ik houd van renners bij wie het net niet helemaal klopt. En hij ging er helemaal voor, vorig jaar – eerst in de bergen en daarna in de tijdrit. Zijn bonkige lijf martelde de fiets, zijn dijen vormden de machtige zuigers van de motor waarmee hij het scharminkel uit Luxemburg verpulverde. Uit iedere pedaalslag sprak de wil om nu eindelijk die Tour eens te winnen. Nee, met Lance was hij niet te vergelijken, maar de eerste stap was zeker gezet.

Voorafgaand aan deze Tour was ik dus geheel en al voor Cadel. Maar na anderhalve week koersen wist ik het niet meer. Want ik begon Bradley Wiggins steeds leuker te vinden. En Wiggo’s team ook. Die vanzelfsprekende overheersing, al die Sky’tjes sleurend aan kop. Ze geselen het peloton alsof ze nooit anders gedaan hebben. Wiggins schijnt een keer te hebben gezegd dat hij zich soms een laboratoriumrat voelt omdat hij precies doet wat hem wordt opgedragen. Ik vraag me af of dat werkelijk zo is. Echte kampioenen laten zich de wet niet voorschrijven, daar zijn ze veel te eigenwijs voor. En als ik hem daar zo soeverein rond zie rijden, als een generaal tussen zijn troepen, weet ik het bijna zeker: Wiggo deelt de lakens uit en dat doet hij zonder scrupules. Kijk, daar houd ik dus van.
Een nieuwe Lance? Ja en nee. Bradley is vuige Britse rock & roll in plaats van poenerige Amerikaanse jetset. De bakkebaarden, de tatoeages, zijn zwak voor de fles, het driftige ‘fucking wankers’ tijdens de persconferentie; denk er een bierbuik, een morsig t-shirt en een afgezakte spijkerbroek bij en je hebt een van de kansloze hoofdpersonen uit een film van de Britse regisseur Mike Leigh. Maar kijk dan nog eens naar een tijdrit van Wiggins. Daar is niets kansloos aan. Zie hoe hij dat lange lijf rond zijn fiets drapeert. De rug die scherp als een mes door de luchtstroom snijdt. Het is pure magie, het is fietsen zoals onze lieve Heer fietsen ooit bedoeld moet hebben.
Mijn dilemma loste zich als vanzelf op, want iedere dag dat ik Wiggo zag fietsen werd mijn hart wat weker. Mijn oog werd automatisch naar het geel getrokken. Dus toen Nibali er in de tiende etappe, in de afdaling van de Col du Grand Colombier, vandoor ging, spoorde ik de mannen van Sky aan hem zo snel mogelijk terug te halen. En toen Cadel vlak voor de finish nog een paar seconden probeerde te pakken, hoopte ik dat hij lek zou rijden. Door die kinderachtige hoop wist ik het zeker: ik heb een nieuwe held. Een lelijke Brit met tochtlatten en een alcoholprobleem. En de komende anderhalve week ga ik ongegeneerd van hem genieten.

De vele levens van een Utrechtse buitenplaats | LUIDER

IMG_1131Het is een nogal rommelig en weggefrommeld hoekje van Utrecht: de wijk Pijlsweerd, tussen de Vecht en de Oudenoord. De vervallen loodsen doen in helemaal niets denken aan een statige buitenplaats met weelderig groen. Toch kwam tsaar Peter de Grote zich hier ooit verlustigen aan de mooiste lusthof van Nederland. Binnenkort breekt er een nieuwe levensfase aan voor dit gebied.

De Amsterdamse zijdehandelaar Jacob van Mollem was bepaald niet dom. Toen hij in Utrecht de boomgaarden en moestuinen tussen de Daalsedijk en de Vecht bekeek, zag hij mogelijkheden: veel ruimte en – door het verval tussen de Vecht, de Westerstroom en de stadsgrachten – waterkracht. Werkelijk een uitstekende locatie voor een zijdefabriek, zo dacht Jacob. In 1681 werd de fabriek geopend: negen twijnmolens met in totaal waarschijnlijk zo’n tienduizend haspels die voor het afwinden van de cocons zorgden. Het geproduceerde zijdedraad ging weer naar de Amsterdamse weverijen. Een prima handel, bleek al snel.

Statussymbool
Jacob van Mollem had het naar zijn zin in Utrecht en al snel na de oprichting van zijn zijdefabriek liet hij op hetzelfde terrein een mooie buitenplaats met uitzicht op de Vecht bouwen. In Jacobs tijd was zo’n buitenplaats een beetje hetzelfde als de villa op Ibiza anno 2011; een jaloersmakend statussymbool voor de hardwerkende en succesvolle zakenman. Dat er in de Gouden Eeuw veel succesvolle handelaren waren, zie je als je een stukje langs de Vecht rijdt; de ene 17e-eeuwse buitenplaats is nog mooier dan de andere. Jacobs handel floreerde en toen zoon David de zaak overnam, was dat nog altijd zo. David voegde een geheel nieuwe dimensie toe aan de buitenplaats. Hij bouwde de omringende tuin uit tot een van de grootste en rijkste lusthoven van Nederland. In totaal werd er zestig jaar gewerkt aan een fantastische oase vol prieeltjes, loofgangen, vijvers, geurende bloemen, lanen en een doolhof. David verfraaide het geheel met talloze tuinvazen en beelden van grote beeldhouwers. Zijdebalen werd internationaal geroemd en zelfs de Russische tsaar Peter de Grote wist de weg naar Zijdebalen te vinden: in 1767 bracht deze hervormingsgezinde tsaar een bezoek aan de fabriek en buitenplaats.

Tuinders en bakkers
Helaas, aan alle mooie dingen komt een eind en dat gold ook voor het succes van de familie Van Mollem: in 1816 sloot de fabriek haar deuren. De sluiting betekende ook meteen het einde van de lusthof; David van Mollem wilde het verval voor zijn en had in zijn testament bepaald dat de buitenplaats en de tuinen moesten worden gesloopt als de familie Van Mollem er niet langer de scepter zwaaide. Er volgde een herverkaveling en het gebied begon aan een nieuw bestaan als tuindersgebied. Het witte pand aan de Zijdebalenstraat 2 herinnert daar nog aan: deze oude tuinmanswoning is tegenwoordig een gemeentelijk monument.
De industriële revolutie sloeg Utrecht niet over en het leven van de buitenplaats van de familie Van Mollem ging in de 19e eeuw weer een nieuwe fase in. Houtzagerij Jongeneel bouwde zijn zagerij aan de Zeedijk, andere bedrijven volgden al snel. Omdat de arbeiders ook een dak boven hun hoofd wilden, ontstond er een kleinschalige arbeiderswijk in hetzelfde gebied. In de loop van de 20ste eeuw verdwenen de kleine arbeiderswoningen weer omdat Jongeneel steeds meer ruimte nodig had voor de houthandel. Ook de Utrechtse bakkerijen kregen toen in de gaten dat het oude Zijdebalen-terrein een uitstekende vestigingsplaats was: de Korenschoof vestigde zich aan de Kaatstraat en toen bakkerij Lubro aan de Utrechtse Abel Tasmanstraat uit zijn jasje groeide, bouwde het bedrijf een grote fabriek aan de Hogenoord. De Lubro-fabriek werd een beeldbepalend gebouw dat tegenwoordig als industrieel erfgoed wordt aangemerkt.

Nieuw leven voor oude allure
Met al die bedrijfspanden werd het gebied er bepaald niet fraaier op. Een dichte verzameling van loodsen, blinde muren en nauwe straatjes, kleine woningen, nauwelijks groen en nog minder licht; meer was het niet toen de gemeente Utrecht besloot het terrein een nieuw leven te gunnen. De Lubro-fabriek stond al sinds 2004 leeg en Jongeneel was nog wel actief maar bereid het terrein aan de gemeente te verkopen. De ambtelijke raderen malen echter niet zo snel als de watermolens van de familie Van Mollem: in de zomer van 2007 werd de eerste structuurvisie bepaald, ruim drie jaar later keurde de gemeenteraad het bestemmingsplan goed. De nieuwe woonwijk Zijdebalen – bijna vijfhonderd etagewoningen, lofts en penthouses – moet de oude allure van het gebied herstellen. Er komen drie dwarsgrachten en de Westerstroom keert terug, net als het zicht op de Vecht. Er is helaas geen ruimte voor een nieuw lusthof, maar het vele groen en de binnentuinen zijn wel een bescheiden knipoog naar wat eens de mooiste lusthof van Nederland was. Ook op andere manieren knipoogt de nieuwe wijk naar het roemrijke verleden: een deel van de Lubro-fabriek blijft staan en biedt straks waarschijnlijk ruimte aan een grand café en vergaderlocatie. Ook de oude tuinmanswoning aan de Zijdebalenstraat 2 blijft intact. Het lijkt erop dat het rommelige hoekje van nu zich straks niet meer laat wegfrommelen en dat is een ontwikkeling waaraan Jacob en David hun zegen waarschijnlijk wel zouden hebben gegeven.

verschenen in LUIDER, september 2011

Eenzaam in de Tour | Het is Koers

Vroeger, ach, vroeger. Vroeger slofte mijn vader ’s morgens vroeg al naar boven om het witte campingtafeltje achter de zolderluiken vandaan te halen. Rond een uur of twaalf klapte hij dat tafeltje buiten uit, schroefde de pootjes goed vast, slofte weer naar binnen om even later steunend en inmiddels zwetend weer naar buiten te komen, met in zijn armen de loodzware televisie. Met een goed gemikt “godverdomme!” zette hij het apparaat voorzichtig op het campingtafeltje. De stekker ging in de haspel, de kabel slingerde zich door de huiskamer een weg naar buiten. Het zonnescherm was zo ver mogelijk uitgedraaid. Achter de televisie installeerde mijn vader twee parasols; de televisie moest niet te heet worden, wist ik wel hoe link dat was? Naast de tv zette mijn vader een beugeltje Grolsch en een glas limonade. Daarna gingen wij zitten, op witte kunststof stoelen met synthetische kussens die na vijf minuten al aan je benen plakten. Mijn vader had een petje op. Op de klep stond RALEIGH, in vette, zwarte letters. In stilte keken we hoe de slaven van de weg vastbesloten berg na berg beklommen. Vanuit de tuin van de buren klonk gespetter van water op plastic; de buurvrouw vulde het badje voor de kinderen. Mijn vader en ik keken elkaar even aan – dat werd weer gegil straks – , en richtten onze blik daarna weer op het scherm. Eensgezind sloten we de wereld buiten. We zagen de doorweekte petjes op de zwetende rennershoofden, de witte sokken boven de zwarte fietsschoentjes, de fladderende wielershirtjes rond de tanige rennerslijven. De fietsframes leken in die tijd nog op elkaar, de lijnen waren recht, de buizen perfect rond. Tegen de tijd dat de finale aanbrak, schoven we als afgesproken tegelijk naar voren. Soms wees mijn vader me ergens op, maar nog vaker zat hij gewoon nagelbijtend naast me. Aan het einde van de middag won Hinault, of Winnen, of Lemond, of Roche, en soms Fignon of Jalabert. ‘Goh, dat was weer mooi,’ zeiden we na afloop tegen elkaar. Daarna gingen we naar binnen, mijn moeder had het avondeten al klaar. Morgen weer zo’n dag. En overmorgen weer. En als het dan eindelijk afgelopen was, wist ik dat het volgend jaar weer zo zou zijn. En het jaar daarop ook weer.

Tot in lengte van jaren.

Dacht ik te weten.

Nu zit ik middag na middag alleen op de bank. De zomer is verder weg dan ooit en op de televisie worstelen de slaven van de weg zich door de dichte mist of in de zinderende hitte de bergen op. Ik begrijp inmiddels veel meer van ploegentactiek, linkeballen en al die andere zaken waar het wielrennen een patent op heeft. Ik weet dat het handje schudden tussen Valverde en Nibali waarschijnlijk gepaard ging met een financiële afspraak en ik weet zelfs wat een chasse patate is. Ik kijk naar de zwanenzang van Cadel Evans en vind dat mooi, omdat hij zo vol overgave onderuit gaat. Heel zijn lijf gaat erin mee: zijn zware benen zijn nog zwaarder, de rimpels in zijn karakteristieke kop worden nog dieper, de grimas is nog grimmiger.

Maar als ik zeg dat ik zo met hem te doen heb, zegt niemand iets terug.

Ook zie ik hoe de Britten zonder enige gêne de Tour overnemen. De machtige trein van Sky die maar doordendert. De knecht die zich ternauwernood aan de gemaakte afspraken houdt, maar wel wil laten zien dat hij zich sterker acht. Daartussendoor fietst dan nog een Luxemburgse renner die denkt te zijn vergiftigd, terwijl veel wielervolgers zich afvragen hoe dom je kunt zijn. Ik zie een Fransman die twee weken voor de start nog zwaar geblesseerd leek te zijn, maar nu de bolletjestrui naar Parijs brengt. Verder kijk ik naar de lange kwijldraden die zich een weg banen door de baard van Laurens ten Dam.

Maar als ik zeg dat ik het allemaal weer zo mooi vind, zegt niemand iets terug.

IMG_1101voor mijn heit, die mij de liefde voor de wielersport bijbracht

verschenen op Het is Koers.nl, juli 2012

Alles voor de piepers | Diversey

IMG_1013Aardappels, aardappels en nog eens aardappels; bij CêlaVíta draait alles om de pieper. Het bedrijf houdt zich al sinds 1967 met aardappels bezig, en hoewel er tegenwoordig ook wel eens wat worteltjes voorbij komen, blijft de aardappel het belangrijkste product. Voor de reiniging werkt het bedrijf in Wezep al jaren nauw samen met Diversey. Forum nam een kijkje.

‘Hoeveel ton aardappels wij per jaar verwerken? Nou, toch wel zo’n 120.000 ton. En in een vrachtwagen gaat ongeveer dertig ton, om de verhoudingen maar even aan te geven.’ Gerard Meiberg, Manager QC bij CêlaVíta, vindt zulke hoeveelheden de normaalste zaak van de wereld; hij werkt al jaren bij het bedrijf dat de Nederlandse pieper in de jaren ’70 in een nieuw jasje stak.

Honderden variaties
Het huidige CêlaVíta ontstond in 1967 en hield zich toen bezig met het wassen, sorteren en verpakken van grote aardappels. De kleine aardappels werden tot veevoer verwerkt, totdat iemand opperde dat daar toch meer in zat, in die kleine aardappeltjes. Zo gezegd, zo gedaan en in 1972 lagen de eerste krieltjes in de supermarkt. Tegenwoordig is CêlaVíta in Nederland de grootste speler als het gaat om aardappelvariaties, terwijl ook andere Europese landen de aardappels van CêlaVíta omarmen. Er zijn inmiddels enkele honderden CêlaVíta -variaties: van krieltjes tot partjes, van gemarineerd tot kant-en-klaar, van koelvers tot lang houdbaar en van kleinverpakking voor de consument tot grootverpakking voor onder meer hotels en instellingen. ‘We zijn continu in beweging, er is altijd wel wat nieuws. Mensen denken vaak dat je met aardappels niet zoveel kan. Maar wij bewijzen dat je er juist heel veel mee kunt. Ja, dat vind ik mooi,’ lacht Meiberg trots. CêlaVíta ontwikkelt de nieuwe variaties in eigen huis en betrekt daar al het personeel bij. ‘Alle ideeën zijn welkom. Wij hebben hier een open bedrijfscultuur, dus die ideeën komen ook werkelijk van alle kanten. Iedereen kan een goed idee hebben hè, of je nou in de productie werkt of een managementfunctie hebt.’

Altijd kwaliteit
Vanaf het begin van haar bestaan is kwaliteit een essentiële waarde voor CêlaVíta. ‘De laatste jaren is goedkoop, goedkoper, goedkoopst de trend, maar wij doen daar bewust niet aan mee, omdat het ten koste van de kwaliteit gaat. Wij kiezen voor kwaliteit, altijd! De consument mag rekenen op het allerbeste, daar staan wij voor.’ Metingen zijn onontbeerlijk in de kwaliteitsborging van de aardappelvariaties van CêlaVíta. Zo vinden er dagelijks microbiologische tests plaats en worden de aardappels voor verwerking twee keer gekeurd. ‘De eerste keer bij het inschuren, en de tweede keuring doen wij in de fabriek, voor ze in productie gaan.’

Net als thuis
Iedereen die wel eens aardappels kookt, stampt, bakt of pureert, weet het: als je de pannen en borden niet eerst in de week zet, blijft er altijd zo’n korrelige zetmeelaanslag achter. Thuis zijn weken en een goed afwasmiddel voldoende om weer blinkende pannen en borden in de kast te kunnen zetten. Bij een bedrijf dat jaarlijks 120 duizend ton aardappels verwerkt, is reinigen wel iets ingewikkelder. ‘En tegelijkertijd werkt het net als thuis,’ lacht Robin Huisman, Account Manager bij Diversey. ‘Het begint met het aanbrengen van de reinigingsmiddelen. Dat moet inweken en daarna start het spoelen. Na afloop van deze werkzaamheden is de fabriek voor 95 procent schoon. Maar 95 procent is niet genoeg, het moet 100 procent schoon zijn! Om dat te realiseren, herhalen we het hele proces met desinfectiemiddelen. Pas als dat klaar is, is alles 100 procent schoon.’

Vinger aan de pols
Voor de reiniging en desinfectie is Diversey al jaren een belangrijke partner van CêlaVíta. Diversey zorgt voor de middelen, de machines en de adviezen en het schoonmaakbedrijf voert het werk uit. Tussen CêlaVíta en het schoonmaakbedrijf vindt wekelijks werkoverleg plaats en een keer in de zoveel tijd schuift ook Diversey aan. ‘Ideaal,’ vindt Huisman. ‘Op deze manier zijn we steeds op de hoogte en kunnen we bijsturen waar nodig.’ Huisman bezoekt zijn klant twee keer per maand, omdat hij het belangrijk vindt een vinger aan de pols te houden. ‘De reiniging en desinfectie is heel complex en CêlaVíta werkt dagelijks aan verbeteringen en innovaties. De reiniging moet daar wel in mee blijven lopen.’

Veiligheid
Naast kwaliteit is ook veiligheid bij CêlaVíta essentieel; en dat geldt niet alleen voor de productie, maar ook voor de reiniging en desinfectie. De reiniging van de blancheurs – ketels ter grootte van een paar huiskamers – is daar een goed voorbeeld van. Tot nu toe worden deze ketels uitgekookt, maar CêlaVíta zou dat liever anders zien, vertelt Meiberg. ‘Vanwege de veiligheid inderdaad, maar ook omdat deze manier van reiniging te veel water verbruikt.’ Sinds enige tijd testen Diversey en CêlaVíta daarom met reinigingsmiddelen waardoor kokend water niet meer nodig is. ‘Zo’n testfase duurt wel een paar maanden, hoor. Ook hier moet het weer 100 procent zijn,’ aldus Huisman.

Géén verkooppraatje
CêlaVíta werkt al jaren met Diversey samen. Logisch, vindt Meiberg: ‘Ze hebben gewoon goede middelen, hun ondersteuning is heel goed en de samenwerking verloopt prettig.’ De toegevoegde waarde van Diversey zit ‘m wat Meiberg betreft dan ook in het totaalplaatje. Huisman hoort het trots aan: ‘Wij willen er zijn als het nodig is. En dat betekent wat ons betreft dus niet dat we ons gezicht alleen maar laten zien als er iets mis gaat.’ Meiberg lacht: ‘Dit lijkt misschien een verkooppraatje, maar dat is het zeker niet. Zo zitten wij van CêlaVíta niet in elkaar!’

Verschenen in Diversey’s relatiemagazine Forum, zomer 2012