‘Leuker dan dit wordt het niet’ | Events

IMG_1021Voor Frank Fraterman is het simpel: het gaat altijd om het kippenvelmoment. Maar hoe ziet dat er eigenlijk uit? Zijn hij en zijn medewerkers altijd bewust op zoek naar die emotie? ‘Ik heb zelf niet het idee dat wij dat anders doen dan andere bureaus, maar jou valt het blijkbaar wel op.’

De Haagse tongval dendert door de telefoon als ik hem bel voor het maken van een afspraak. ‘Ja joh, voor Events? Jeetje joh, wat gaaf zeg. Echt hartstikke gaaf!’ En wanneer ik een week later bij Festivents binnenstap, is het enthousiasme onverminderd groot. Frank Fraterman, oprichter en directeur-eigenaar van Festivents, vindt het leuk, dat is wel duidelijk. Achttien jaar geleden startte hij met het evenementenbureau en nog altijd spat de liefde voor het vak er aan alle kanten vanaf. Hij beaamt het meteen. ‘Ik gebruik ‘m al jaren niet meer, maar toen Festivents nog niet zo lang bestond, heeft iemand een slogan voor het bureau bedacht: ‘Organizing is all about passion’. Ik vroeg die man toen hoe hij daarop gekomen was en hij zei: ‘Frank, die passie, dat hoort bij jou, jij doet echt alles met passie en overgave.’ Had-ie wel gelijk in eigenlijk.’

Hoe lastig is het voor jou met al je enthousiasme om rustig te luisteren naar wat je opdrachtgever wil?
‘Nou, je moet dit vak natuurlijk niet gaan doen als je vooral je eigen dingetjes wilt laten zien. Als een opdrachtgever een puur zakelijk evenement neer wil zetten, moet je goed luisteren naar het waarom. Is het de aard van het evenement, wordt het betaald met gemeenschapsgeld, dat soort dingen moet je wel meenemen. Dus ja, ik luister daar goed naar. Maar het gebeurt me wel eens hoor, dat ik ergens zit en dat zo’n man dan zegt: ‘Nee Frank, die slingers en die ballonnen doen we de volgende keer, als het echt feest is!’ Ik kan er heus wel eens in doorschieten: dan doen we dit, en dat en oh, dat is ook gaaf! En dat raakt kant noch wal. Gelukkig heb ik medewerkers die me dan op tijd terugfluiten. Kijk, vanuit mijn expertise kan ik echt alles uit de kast trekken, maar dat hoeft dus niet altijd. De kunst van het weglaten, hè. Weet je wat het ook is? In die achttien jaar heb ik alles al een keer gedaan en daardoor leg ik de lat steeds hoger. Maar zo’n opdrachtgever heeft nog lang niet alles gezien. Dat moet je als bureau goed onthouden, vind ik. Uiteindelijk gaat het altijd om het kippenvelmoment, maar voor een kippenvelmoment hoef je niet per se alle registers open te trekken. Klein en subtiel kan ook kippenvel opleveren. Te veel en te groot kan zelfs averechts uitpakken; dan overdonder je de gasten zo dat ze de boodschap niet meer voelen of begrijpen.’

Wanneer ik de filmpjes van jullie werk bekijk, valt me op dat dat kippenvelmoment mensen – en ook mij – echt raakt. Hoe komt dat, denk je?
‘Goh, lastige vraag. Ik vind sowieso dat je altijd op zoek moet gaan naar de emotie, naar de lach of de traan. Ik heb zelf niet het idee dat wij dat anders doen dan andere bureaus, maar jou valt het blijkbaar wel op.’

Ja, het viel mij op. Speelt jouw eigen enthousiasme, jouw passie zogezegd, daar een rol in?
‘Ja, misschien toch wel. Alles wat ik doe, doe ik tot het uiterste. En ik ben toch de drijvende kracht achter Festivents, dus ik zal heus invloed hebben op hoe we werken. Ik vind het belangrijk om iets teweeg te brengen, hoe groot of klein ook. Daardoor onthouden mensen het. Tegelijkertijd verkopen wij het woord ‘emotie’ nooit. Het is niet iets wat wij als ‘unique selling point’ van Festivents neerzetten, nee. Het is zelfs niet iets wat we heel bewust nastreven, maar het zit blijkbaar in ons DNA. Onderhuids is het altijd aanwezig, ja. Ik denk dat het daardoor raakt.’

Kun je een voorbeeld geven?
‘Nou, stel je wilt dat er meer mensen naar je winkeltje komen. Neem Schiphol, een mooi voorbeeld. Dan kun je ervoor kiezen om kortingen weg te geven, mensen zijn daar altijd gevoelig voor. En dat is ook al een emotie, hè; korting triggert een gevoel van hebberigheid. Maar Schiphol wil ook dat mensen zich hun bezoek aan Schiphol blijven herinneren. Daarom hebben wij flashmobs bedacht, en entertainment tijdens de drukste vertrekdag van het jaar. Maar ook een Valentijnsactie en de mistletoe met kerst. Afgelopen jaar sprak een van onze mensen een ouder echtpaar bij die mistletoe. Die mensen waren speciaal daarvoor naar Schiphol gekomen, omdat ze het een jaar eerder zo mooi hadden gevonden! Dus die mensen hebben hun auto geparkeerd voor vijf euro per uur. Ze hebben een lekkere kop koffie gedronken. En let wel: dat is thuis goedkoper, hè! Maar die mensen kwamen voor die mistletoe. Kijk, dat is wat wij willen en wat Schiphol ook wil. Ontroering, een lach, een traan, mensen die hun reis vervolgen, maar wel met een grote glimlach op hun gezicht. Dat onthouden ze!
Nog een voorbeeld: de ondertekening van een hoogbouwconvenant. Saai, denk je dan! Want wat moet je regelen? Soep-sla-koffie en een flip-over voor de handtekeningen, bij wijze van spreken. Maar het kan ook anders. Ik had net een gozer gezien die iets leuks deed met digitale graffiti. Die wilde wel komen en dus hebben die ondertekenaars hun handtekening in digitale graffiti gezet, was hartstikke gaaf. Wij laten hen iets anders meemaken dan ze verwacht hadden. Dat gevoel, dat zoeken wij, ja. En het leverde de bouwer bovendien een leuk artikel in een bouwblad op – helemaal top!’

Hoe komt het eigenlijk dat dit werk jou nog steeds doet stuiteren van enthousiasme? Waar doe je het voor?
‘Op verjaardagen zeg ik altijd: ‘Leuker dan dit wordt het niet!’ Ik vind eigenlijk elke dag leuk, ja. Maar waar ik het echt voor doe, is toch het applaus. Toen ik jong was, kluste ik een beetje bij op het North Sea Jazz Festival. Dat was nog in de tijd dat Miles Davis bij organisator Paul Acket thuis logeerde. Na afloop van het festival – ik weet niet meer welk jaar – zag ik Acket zitten, op de rand van de fontein voor het congrescentrum. Hij zat gewoon te kijken naar al die mensen die naar huis gingen. Dát is het dus. Dat moment. En ik kan alleen maar hopen dat ieder mens een keer zo’n moment ervaart. Ons werk heeft die zichtbaarheid in zich, het applausmoment, zo’n zaal die leegstroomt en de crew die elkaar na afloop feliciteert: ‘Dit was er weer een!’ Daar doe ik het voor.’

verschenen in Events, zomer 2013

In het wiel van Wilco | Wielerland Magazine

IMG_1074Als twintigjarige debuteren in het profpeloton, dat is niet veel wielrenners gegeven. Voor Wilco Kelderman zelf is het een logische stap: hij besloot als twaalfjarig jochie al dat hij prof wilde worden. Hij maakt zijn debuut in de Tour Down Under, de eerste ProTourwedstrijd van dit seizoen. Wielerland Magazine ontmoet hem in Barneveld en kruipt in zijn wiel in Australië. ‘Ik leef mijn droom.’

Uitgestrekte weilanden, een rij strak uitgelijnde bomen en in de verte twee kerktorens; ziehier het uitzicht van Wilco Kelderman als hij na zijn trainingsrondje op de bank neerstrijkt. Als we elkaar spreken, heeft hij zijn koffer voor Australië al gepakt – de volgende ochtend wordt hij op Schiphol verwacht. ‘Nee, bang ben ik niet. Wel gespannen, een beetje.’

Mollema, Gesink, Boom, Kruijswijk; het rijtje namen waarin Piet Kuijs, ploegleider van Rabobank Continental Team, Wilco Kelderman plaatst, is aansprekend genoeg. Keldermans stappen verraden talent en ambitie. Na twee jaar UWTC De Volharding stapt hij in 2010 over naar de continentals van de Rabo, om nog eens twee jaar later waar te maken wat hij zich als twaalfjarige al voornam. Hij zal dit jaar nog geen grote ronde rijden, maar hij wil zich wel laten zien. In mei en juni bijvoorbeeld: dan staan de Ronde van Californië en het NK op de agenda. En hij neemt alvast een voorschotje op de maand september: ‘De ploegentijdrit op het WK. Ja, die zit wel in m’n achterhoofd.’

In de Tour Down Under zal hij in dienst van de ploeg rijden. Dat wil echter niet zeggen dat de debutant geen aspiraties heeft: bij de vijfde etappe, van McLaren Vale naar Old Willunga Hill met finish bergop, staat al een klein kruisje. ‘Ik heb de klim op YouTube opgezocht en als het kan, ga ik het zeker proberen.’ Even laat Kelderman zijn blik over de drassige weilanden gaan. ‘Ik heb er superveel zin in,’ lacht hij dan.

Voor Kelderman is de Tour Down Under ‘slechts’ een nieuwe stap op weg naar het volgende doel. ‘Natuurlijk, ik leef mijn droom. Maar dat wil niet zeggen dat ik nu klaar ben met dromen. Binnen vijf tot zes jaar wil ik in de top tien van een grote ronde rijden.’ Hij verwacht dat dit jaar vooral in het teken van leren zal staan. ‘En ik ben benieuwd waar ik sta.’ Zijn ogen glimmen. ‘Volgende week! Dan weet ik meer.’

Dagboek van een debutant

Zondag 15 januari 2012, criterium: Adelaide (51 km)
Het opwarmertje voor de eigenlijke wedstrijd die dinsdag start. André Greipel wint, Rabo’s Mark Renshaw zit er goed bij, maar rijdt in de finale lek.
‘We zijn hier inmiddels alweer een week, sommige jongens zelfs al langer. Hoewel ik al in Nederland steeds vroeger naar bed ging, kostte het me vanwege de jetlag wel moeite om in m’n ritme te komen. Maargoed, nu slaap ik prima. De afgelopen dagen hebben we lekker getraind. Verder hebben we een wijnhuis bezocht en zijn we gezellig uit eten geweest. De sfeer in het team is hartstikke goed en iedereen had zin in dit criterium.
We hebben als ploeg goed gereden vandaag. Ik heb zelfs nog een tijdje op kop gereden voor Mark Renshaw, maar achteraf zaten we daar eigenlijk te vroeg. Mark reed lek in de finale, daar was hij wel even goed chagrijnig van. Het mooiste van deze dag was het publiek; het was ontzettend druk. Gaaf, daar krijg je moraal van!’

Dinsdag 17 januari 2012, etappe 1: Prospect – Clare (149 km)

Na een spannende finale wint André Greipel opnieuw. Rabosprinter Mark Renshaw wordt negende, ploeggenoot Michael Matthews twaalfde. Wilco Kelderman finisht in het peloton.
‘42 Graden vandaag! Ik heb twaalf bidons leeggedronken, niet normaal. Mijn benen zijn goed, maar die hitte nekt me. De jongens die hier al wat langer zijn, hebben er minder last van en de Spanjaarden vinden het alleen maar lekker. Vandaag heb ik de andere jongens uit de wind gehouden, ik hoefde niet mee te draaien. Vanwege de wind reden we bijna continu in waaiers. En iedereen wilde van voren zitten, de sfeer was nerveus. Wat dat betreft merk ik wel dat dit een ProTourwedstrijd is.
Dit was inderdaad m’n eerste wedstrijd als prof, maar eerlijk gezegd stond ik niet anders dan anders aan de start. Het enige verschil is dat ik veel nieuwe gezichten zie, verder gaat het gewoon vanzelf. Nee, ik heb nog niet zoveel andere jongens gesproken, ik praat vooral met m’n ploeggenoten. De rest komt wel, denk ik.’

Woensdag 18 januari 2012, etappe 2: Lobethal – Stirling (148 km)

De Australiër William Clarke bouwt een voorsprong van elf minuten op en houdt er op de streep nog eentje over. Michael Matthews sprint naar een knappe tweede plaats. Wilco Kelderman finisht in het eerste peloton en is de beste Nederlander in het algemeen klassement.
‘Ja, het gaat best goed eigenlijk. M’n benen waren veel beter dan gisteren, dus ik ben goed hersteld van de hitte. Vandaag was het niet zo warm, dat scheelt ook. Het was een lastige etappe: het ging op en af. Na anderhalve ronde kopwerk was ik behoorlijk leeg, maar ik finishte wel in het eerste peloton. Wel een verschil met andere jaren: bij de continentals was ik meestal een van de klassementsrenners en hoefde ik maar weinig kopwerk te doen. En als ik wel een keer op kop moest, was ik toch een van de sterkste renners. Het is nu echt zwaarder. Maar ik vind het wel leuk om voor Michael Matthews en Luis Leon Sanchez te rijden. Daarom zegt mijn eigen klassement me ook niet zoveel. We zijn met het team bezig, niet met de beste Nederlander. Of ik het bijzonder vind dat ik nu naast jongens als Boasson Hagen rijd? Nee, eigenlijk niet. Ik kijk tegen niemand op, het zijn toch ook maar gewoon renners?’

Donderdag 19 januari 2012, rit 3: Unley – Victor Harbor (134,5 km)

Opnieuw een zege voor André Greipel. Raborenner Mark Renshaw wordt vierde. Wilco Kelderman is nog steeds de beste Nederlander in het algemeen klassement.
‘Ik had weer een goede dag, vergelijkbaar met gisteren. In het begin van de wedstrijd heb ik samen met Stuart O’Grady een tijdje voor het peloton uit gereden. Er waren wat renners weg en ik moest in de gaten houden of er nog meer mannen weg wilden springen. Haha, nee, het was geen chasse patate, het peloton zat in ons wiel. We controleerden, meer niet.
Ik voel me nog steeds goed en dat geeft vertrouwen. Mijn niveau valt me mee: als ik goed oplet kan ik prima volgen. Ik ben wel benieuwd waar ik sta als we gaan klimmen. Dat is toch meer mijn specialiteit, maar ik heb het tot nu toe nog niet kunnen testen. Ik voel geen druk, niet vanuit de ploeg en ook niet vanuit mezelf. Ik zou ook niet weten waarom ik mezelf onder druk zou zetten: ik weet nog helemaal niet wat er komen gaat.
Morgen krijgen we weer een redelijk vlakke etappe, alleen in het begin gaat het wat omhoog. Als er een goed groepje wegrijdt, wil ik mee zitten. Maar met een te klein groepje spring ik niet mee, ik wil mezelf niet slopen.’

Vrijdag 20 januari 2012, rit 4: Norwood – Tanunda (130 km)
Op twintig kilometer van de streep fungeert Mengler Hill als scherprechter: er blijft een kopgroep van veertig renners, onder wie Kelderman, over. Oscar Freire wint de etappe, Michael Matthews stijgt naar de tweede plaats in het algemeen klassement, op twee seconden van leider Martin Kohler. Wilco Kelderman staat op twaalf seconden.
‘Het was best een lastige etappe. Het eerste uur werd er vol gekoerst, tot een paar jongens wegreden die voor het klassement niet zo belangrijk zijn. Aan de voet van de laatste klim werd het even hectisch, iedereen wil natuurlijk van voren zitten. Wij zaten te ver van achteren, dus ik moest met de mannen in het wiel naar voren, langs de geloste renners om het gaatje dicht te rijden. Ik begon daardoor redelijk kapot aan de klim, maar het lukte me gelukkig wel om bij te blijven. Ondanks dat de klim best pittig was, heb ik nog geen duidelijkheid over m’n klimniveau; daar was de klim toch te kort voor. Morgen wordt het een ander verhaal: aankomst bergop, dus iedereen zal er vol voor gaan. Ik denk dat ik na die etappe wel iets kan zeggen over hoe ik ervoor sta. Ik heb zin in morgen: Michael, Louis en ik mogen volle bak en we gaan kijken waar het schip strandt. Of ik nerveus ben? Nee, niet echt eigenlijk. Het ligt niet op mijn schouders, hè.’

Zaterdag 21 januari 2012, rit 5: McLaren Vale – Old Willunga Hill (151,5 km, finish bergop)

Zoals verwacht wordt de koers op Old Willunga Hill beslist. Movistar trekt het peloton op de kant waarna hun kopman Alejandro Valverde wint. Simon Gerrans is de nieuwe leider in het algemeen klassement, Michael Matthews levert 29 seconden in en staat nu negende. Wilco Kelderman is met zijn 22ste plaats de beste Nederlander. Zijn achterstand bedraagt tweeënhalve minuut.
‘Als ik goed van voren had gezeten, had ik top tien gereden. Zonde, en zo stom! Ik heb me laten verrassen op de eerste beklimming, en dat terwijl ik heel makkelijk reed. Er was zijwind, alles ging op de kant en ik zat te ver van achteren. Het lukte me nog wel aan te haken, maar er gingen steeds renners tussenuit waardoor ik telkens gaten dicht moest rijden. Op den duur redde ik dat niet meer.
Op de laatste klim heb ik een tijd vol op kop gereden, ik moest mijn frustratie kwijt. Zat ik daar, met m’n goede benen, in zo’n groep met mannen die kapot zaten. Ik baalde zo dat ik niet bij de voorsten zat. Mijn niveau is heel goed, en wordt alleen maar beter, dus ik denk dat ik dit seizoen nog wel wat moois kan laten zien. Nee, de teleurstelling van vandaag heeft geen invloed op mijn zelfvertrouwen. Het is gewoon stom dat ik het nu heb laten liggen.’

Zondag 22 januari 2012, rit 6: Elder Park Adelaide (90 km)
De laatste etappe is opnieuw een prooi voor André Greipel. Mark Renshaw zit in zijn wiel, maar redt het niet. Met Simon Gerrans heeft de Tour Down Under een Australische winnaar. Wilco Kelderman eindigt in het algemeen klassement op de 21ste plaats (op 2,33) en in het jongerenklassement wordt hij vijfde. De debutant is de beste Nederlander in de Tour Down Under van 2012.
‘Ondanks de 36 graden van vandaag voel ik me goed. Het was een kort rondje, maar nog lastig zat: veel bochten, veel brede wegen. Het ene moment zit je goed van voren, maar als je dan even niet goed oplet, zit je zomaar weer achterin. Omdat er een groep weg was hebben we flink op kop moeten rijden om het gat te dichten. Dat kostte veel energie, misschien net iets te veel voor een goede finale.
Als ik terugkijk op deze week ben ik heel tevreden, ik houd er een goede moraal aan over. Voor ik naar Australië kwam, wist ik al dat ik goed was, maar heb ik mezelf op verschillende momenten verrast. Gisteren bijvoorbeeld, toen ik in de eerste beklimming zo makkelijk naar boven reed en ook aan het einde nog goede benen had. Toch was dat niet m’n mooiste moment van de week, hoor. Dat was woensdag, na afloop van de tweede etappe. De dag daarvoor had ik door de hitte niet lekker gereden. In de tweede etappe waren de benen toch weer goed en dat was een enorme opluchting.
Nog meer verrassingen? Nou ja, op de momenten dat ik mee op kop reed, verbaasde het me te zien dat sommige andere renners het moeilijk hadden. ‘Goh,’ dacht ik dan, ‘voor mijn gevoel kan ik er nog wel een tandje bij steken.’ Het gevoel dat ik ze eraf zou kunnen rijden, ja, dat heeft me verbaasd. Ik heb nu al zin in de volgende koers!’

verschenen in Wielerland Magazine, februari 2012

‘Jouw tomatensoep is toch ook elke keer anders? | Diversey

IMG_1013Hoe zorg je ervoor dat bewoners van een zorginstelling of kinderen in het kinderdagverblijf iedere dag smakelijk en gevarieerd eten? En hoe houd je rekening met het eetpatroon van al die verschillende mensen? Voedingsservice Heuvelrug in Soesterberg ontzorgt de zorg: ‘De zorgorganisatie moet er gemak van hebben.’ En passant realiseerde deze maaltijdbereider samen met Diversey een enorme kostenbesparing.

Gemiddeld maken ze bij Voedingsservice Heuvelrug (VSH) zo’n drieduizend maaltijden per dag. Maaltijden op maat zijn het, omdat het bedrijf het ontzettend belangrijk vindt dat hun cliënten lekker, gezond en gevarieerd eten. Directeur Wim Kruithof legt uit waarom: ‘Ons bedrijf heeft zijn wortels in de zorg en wij weten als geen ander dat zorgcliënten ook gewoon lekker willen eten. Sommige cliënten wonen jarenlang in een zorginstelling, die geef je toch niet iedere week dezelfde tomatensoep?’

Vers op maat
VSH doet veel onderzoek naar eetbeleving, eetpatronen en menupatronen, onder meer door regelmatig bij de cliënten aan te schuiven. ‘Dan zie je pas hoe het reilt en zeilt in zo’n organisatie,’ vindt Kruithof. ‘Geen cliënt is hetzelfde. Een autistische cliënt gebruikt het liefst zijn eigen bord en weer een andere cliënt heeft een specifiek dieet. En dan zijn er nog vijftien bewoners die bami willen eten, dat zelf willen koken én tegelijk met die twee andere cliënten aan tafel willen. Doordat wij af en toe mee-eten, zien we precies hoe we op al die behoeftes in kunnen spelen.’
De koks van VSH koken ambachtelijk, vers en zonder kunstmatige toevoegingen; tussen koken en eten zitten nooit meer dan zes dagen. ‘Vers is gewoon gezonder en smakelijker, zo simpel is dat,’ lacht Kruithof. De gerechten worden volgens vaste recepturen gemaakt, maar krijgen wel de zogeheten “handtekening van de kok” mee, vervolgt hij. ‘Jouw tomatensoep is toch ook iedere keer anders? De ene keer wat meer basilicum, de andere keer meer peterselie. Zo werken wij ook; wij willen de smaakpapillen van onze cliënten blijven verrassen.’

Enthousiaste ouders
Naast maaltijden voor zorginstellingen verzorgt VSH ook maaltijden voor kinderdagverblijven, vertelt Kruithof. ‘Het gaat dan om kinderdagverblijven die ’s middags warm eten en willen koken op het kinderdagverblijf. Wij zijn samen met deskundigen gaan kijken hoe kleine kinderen leren eten en dat resulteerde in uitgebalanceerde menu’s. Kinderen moeten namelijk wennen aan nieuwe smaken en nieuwe structuren. Daarom is het belangrijk dat je die smaken met enige regelmaat laat terugkomen. De ouders van die kinderen zijn heel enthousiast, omdat ze zien dat hun kinderen makkelijker worden met eten.’ Overigens geeft VSH op de kinderdagverblijven ook kookles. ‘Eigenlijk heel logisch,’ zegt Kruithof, ‘niet alle medewerkers van een kinderdagverblijf hebben ervaring met het koken van grote hoeveelheden. Onze lessen komen de kwaliteit van de maaltijd alleen maar ten goede.’

Dagelijks gemak
VSH ziet het als een van zijn belangrijkste doelen om het dagelijks werk in de zorgorganisaties te vergemakkelijken. Daarom werkt het bedrijf continu aan innovaties. De digitale supermarkt is er een goed voorbeeld van: een online winkel waar de klant niet alleen de dagelijkse boodschappen bestelt, maar ook klinische voeding en grootverpakkingen. MenuPlus is nog zo’n voorbeeld, vertelt Kruithof: ‘Dat is een nieuw concept voor de thuiszorg, met straks een eigen website. De ouderen van nu zijn veeleisender, die willen meer dan boerenkool of andijvie met een bal gehakt. Met MenuPlus hebben ze straks de keuze uit een breed scala van bijzondere maaltijden en dat kan de cliënt combineren met het reguliere assortiment. Dus op maandag boerenkool en op dinsdag een zalmmoot op een bedje van spinazie.’ Een andere innovatie van VSH is het digitale voedingskundig handboek (http://issuu.com/voedingsserviceheuvelrug) ‘Het gaat over voeding, maar ook over lekker eten, bewegen, diëten, eten en religie, voedingsgewoontes, e-nummers; eigenlijk alles wat met voeding te maken heeft, staat erin.’

Iedere euro telt
Niet alleen voor zijn opdrachtgevers wil VSH het werk zo makkelijk mogelijk maken – ook intern houden ze bij VSH niet van ingewikkelde oplossingen. Gemak was dan ook een van de eisen in de aanbesteding voor schoonmaak die VSH ruim twee jaar geleden uitschreef. Het bedrijf koos voor de oplossingen van Diversey en werkt nu onder meer met Ditelli, een online managementinformatiesysteem dat aan de vaatwasser is gekoppeld. ‘Ditelli biedt inzicht in het water- en chemieverbruik en brengt afwijkingen heel snel aan het licht,’ legt Wilco Visser, Regionaal Account Manager bij Diversey, uit. Al snel na de installatie van Ditelli bleek dat het vaatwassysteem van VSH te veel water verbruikte. ‘Een kapotte waterklep bleek de boosdoener. Sinds de reparatie zien de grafieken van de vaatwasser er heel wat vriendelijker uit,’ lacht Kruithof.
Ook alle andere schoonmaakoplossingen zijn van Diversey. Bij iedere wastafel hangen handzeep- en handdesinfectiedispensers en voor de schoonmaak koos VSH voor Divermite en QuattroSelect; eenvoudig te bedienen wanddoseersystemen die zijn aangesloten op de waterleiding. ‘Ideaal,’ vindt Kruithof, ‘we hebben nu een overzichtelijk basisassortiment schoonmaakmiddelen. Altijd het juiste product en overdoseringen zijn niet eens meer mogelijk. Bovendien vind ik het wel een prettig idee dat onze medewerkers niet met de chemie in aanraking komen.’ De doseerapparatuur en het Ditelli-systeem hebben VSH al veel geld bespaard, besluit Kruithof: ‘Op jaarbasis praten we over een besparing van 15 duizend euro! Dat is niet gering, hè.’

verschenen in Diversey’s relatiemagazine Forum, zomer 2012

THUIS BIJ… Wim Stroetinga en Roxane Knetemann | Wielerland Magazine

IMG_1070Toen ze de sleutels van hun huis kregen, was het wielerseizoen net begonnen; niet zo gek dus dat Wim Stroetinga (27) en Roxane Knetemann (25) nog niet veel tijd op de bank hebben doorgebracht. Er hangen nog geen gordijnen, de peertjes bungelen nog aan het plafond en de snoeren zijn ook nog niet weggewerkt. En nee, eigenlijk hebben ze ook geen bijzondere voorwerpen waar ze meer over willen vertellen; het meeste zit nog in de verhuisdozen. Trouwens: ze willen sowieso geen fietsspul in hun huiskamer. Strak moet het zijn, zonder tierelantijnen en gedoe.

Roxane: Ons eerste eigen huis, ja. Dat had ik niet gedacht toen we vierenhalf jaar geleden wat met elkaar kregen. Toen dacht ik: ach, leuk, en we zien het verder wel. Maar dat we nog eens een huis zouden kopen? Maar we waren er aan toe. We zaten altijd bij mijn moeder of bij Wims ouders en we hadden behoefte aan een eigen plek. Ik vind het wel jammer dat we nog maar zo weinig tijd hebben gehad om het in te richten en echt te wennen. Tijdens het seizoen heb je amper de tijd om je koffers uit te pakken en dit jaar had ik daar voor het eerst moeite mee. Toen ik nog bij m’n moeder woonde, stond ik daar niet eens bij stil. En ik merk wel dat we nu alles zelf moeten doen. Als je iets neerlegt, ligt het er morgen nog. Dat is best even wennen.
Wim: We kenden elkaar al heel lang van naam en gezicht, maar kwamen elkaar tijdens wedstrijdjes niet tegen. We schelen twee jaar, hè.
Roxane: Hij noemde mij altijd schreeuwlelijk.
Wim: Haha, zoiets ja. Roxane is altijd wel aanwezig hè.
Roxane: We zijn heel verschillend; hij is veel rustiger dan ik. In het begin liepen we altijd te hakketakken, vooral over het vrouwenwielrennen. Hij wist precies hoe hij me op de kast moest krijgen.
Wim: Dat weet ik nog steeds!
Roxane: Nou ja, inderdaad. Maar goed, we gingen toch daten. Uit eten, naar het strand, dat soort dingen. En Wim zat toen in de voorbereiding op de Spelen van Beijing, dus we kwamen elkaar vaak tegen op de baan in Alkmaar. We spraken steeds vaker met elkaar af en uiteindelijk kwamen we niet meer van elkaar af. En nu zitten we hier. Best leuk toch?
Wim: Of we veel over wielrennen praten? Nou, dat valt best mee. Het is natuurlijk ons werk, en net als andere mensen praten wij ook over ons werk. Maar het gaat hier zeker niet alleen over fietsen, dat zou nogal saai worden. Koers kijken doen we wel vaak, als we tenminste thuis zijn. Ik zie het liefst veldrijden, dat is vaak spectaculair en duurt ook niet zo lang. Bij koersen die uren duren, val ik soms in slaap.
Roxane: Da’s best apart trouwens, dat Wim graag naar veldrijden kijkt, want hij heeft een hekel aan koersen in België.
Wim: Ja, dat klopt, ik rijd daar niet graag. De wegen zijn vaak beroerd, maar vooral de poeha staat me een beetje tegen. In België wordt zo’n beetje iedere Belgische renner aanbeden en sommige renners gedragen zich daar ook naar. Ik zit anders in elkaar, ben daar waarschijnlijk te veel de nuchtere Fries voor. ‘Doe maar rustig’, denk ik al gauw.
Roxane: Als we in het buitenland zitten, bellen we elkaar niet zo vaak. Dit jaar reed ik de Giro en hebben we elkaar helemaal niet gesproken. We weten wat we aan elkaar hebben, ja.
Wim: Geen bericht is goed bericht.
Roxane: Ook op de fiets is Wim heel anders dan ik. Hij luistert heel goed naar zichzelf en dat vergeet ik soms nog een beetje. In het begin moest ik daar enorm aan wennen. We kregen een relatie in het jaar dat ik niet veel fietste. Wim stapte altijd met een lach op zijn gezicht van z’n fiets af terwijl ik het fietsen in die tijd helemaal niet meer zo tof vond. Dat had te maken met de ploegen waarin ik tot dan toe had gereden; het fietsen en alles daaromheen was een moeten geworden. Door die ontspannen houding van Wim ben ik weer gaan fietsen. Met plezier, ja.
Wim: Zonder plezier presteer ik niet. Dat merkte ik heel goed toen ik prof werd bij Milram. Ineens moest ik van alles van mezelf, ik raakte mijn ontspanning kwijt. Ik heb fietsen altijd leuk gevonden, maar toen was het plotseling niet leuk meer. Toen Milram stopte, klopte er geen andere ploeg aan m’n deur, dus ik dacht: ik stop ermee.
Roxane: Tot Schep belde.
Wim: Ja, Peter belde me, of ik zin had om Olympia’s Tour te rijden. Dat leek me wel leuk, maar ik had al een tijdje niet getraind. Dus ik ging weer fietsen, reed een paar koersjes. In de eerste etappe van Olympia’s Tour werd ik al tweede en de dag erna won ik.
Roxane: Hij belde en echt, ik had hem in tijden niet zo vrolijk aan de telefoon gehad. Het plezier was terug en daardoor won-ie ook nog. Geweldig! Zelf rijd ik sinds dit jaar voor de Rabobank en daar zit ik goed op mijn plek. Volgend jaar wil ik graag wedstrijden winnen, dat zou echt een mooie stap zijn. Ik wil me meten met de wereldtop. Ik weet dat ik het in me heb, maar het komt er gewoon nog niet uit. Daarom is het ook zo fijn dat ik vorige week mocht bijtekenen: daar spreekt vertrouwen uit. Ik ben er wel trots op dat ik voor een van de beste vrouwenploegen ter wereld rijd. Maar ik moet wat meer vertrouwen in mezelf krijgen, en ik denk dat dat begint met het winnen van een wedstrijd. Soms mis ik net het laatste beetje winnaarsdrive, terwijl veel andere meiden dat wel hebben. Ja, dat zit tussen mijn oren. De komende winter ga ik daar samen met de ploegleiding verder aan werken.
Wim: Ik wil het komende seizoen wel weer een zesdaagse winnen, samen met Schep. Amsterdam, Gent en Rotterdam staan in ieder geval in de planning. En het WK baan in Minsk is een belangrijk doel.
Roxane: Daar moet Wim gewoon goud halen!
Wim: Nou, dat zou mooi zijn.

verschenen in Wielerland Magazine, oktober 2012

Oog in oog met de Krekel | Het is Koers

IMG_1101Of hij nog regelmatig op de fiets zit, vraag ik hem. Vanuit een gebruind gezicht kijken twee blauwgrijze ogen me vrolijk aan: ‘Maar natuurlijk! Fietsen moet je goed bijhouden, dat houdt je gezond. Iedereen zou dat moeten doen.’ Dat het WK wielrennen dit jaar in zijn provincie neerstrijkt, vindt hij fantastisch: ‘Goed voor de provincie, goed voor de sport.’
Het is 2 oktober 2011 en ondanks dat het loof al goudgeel kleurt, schijnt de zon alsof het hartje zomer is. Ik ben een dagje in Limburg, voor de WK Promotietocht waarmee de organisatie van het WK wielrennen alvast een voorschotje neemt op 2012. Voor mijn artikel wil ik een aantal meefietsende prominenten spreken en de PR-man heeft me beloofd me bij iedere stop even bij iemand te introduceren. Ook in Bemelerberg doet hij dat: ‘Zie je dat groepje mannen, daar onder die boom?’ zegt hij terwijl zijn arm richting de bomenrand naast het restaurant wijst. ‘Die tweede van rechts, dat is Jan Krekels. Olympisch kampioen ploegentijdrit in 1968, met Joop Zoetemelk. Het is misschien wel leuk om even met hem te praten.’ Ik knik en laat niet merken dat de naam Krekels me niets zegt. 1968, het jaar van Jan Janssen, dat weet ik wel. Maar een Olympische medaille? Thuis maar even opzoeken, neem ik me voor, terwijl ik naar het groepje mannen toe loop. Vier paar ogen kijken me aan. Grijze koppen, de gerimpelde gezichten nat van het zweet. Strakke rennerstricootjes over minder strakke buiken, in de gehandschoende handen flesjes fris en bruine bolletjes kaas en ham. Een van de mannen ziet mijn notitieblok en begint meteen zijn buurman op de schouder te slaan. ‘Dit is Jan Krekels,’ zegt hij tegen mij, ‘weet u dat wel? Olympisch kampioen hoor, da’s niet niks hè!’ Jan Krekels grinnikt een beetje en ik voel me ineens wat ongemakkelijk. Oog in oog met een Olympisch kampioen wielrennen, denk ik ineens, dit had mijn vader moeten zien. Ik slik een keer. En vraag Jan Krekels dan of hij nog regelmatig op de fiets zit.

Het gesprek duurt maar een paar minuten; de promotietocht moet verder. Ik stap in de volgbus en maak een paar extra aantekeningen voor ik weer naar het open gedeelte van de bus loop om de bewegingen in het peloton te volgen. Als we de Cauberg oprijden, zie ik dat Limburgs bekendste heuvel ook vandaag de jongens van de kerels scheidt. Krekels en zijn vrienden trappen fier naar boven terwijl sommige jongere renners zich wanhopig aan een paar meerijdende auto’s vastklampen om er bovenaan de heuvel alsnog als een speer vandoor te gaan, op weg naar de WK-finishzuil. Ik onderstreep de naam Krekels in mijn notitieblok, vastbesloten hem thuis meteen te googelen.

Het eerste Googleresultaat is – hoe kan het ook anders – de Wikipedia-pagina over Jan Krekels, bijnaam De Krekel. Er wordt gerept over de vele overwinningen die hij als amateur bij elkaar reed. Het hoogtepunt in zijn carrière, zo vervolgt Wikipedia, is de Olympische gouden medaille die hij in 1968 in Mexico won op de 100 kilometer ploegenachtervolging. Zijn ploeggenoten waren niet de minsten: Joop Zoetemelk, Fedor den Hertog en René Pijnen. Het was de tijd waarin de Olympische gedachte zich slechts uitstrekte tot amateursporters; mannen als Jan Janssen hadden er dus niets te zoeken. Ik zoek verder en lees ergens dat de kenners Krekels een grote toekomst als prof voorspelden. Al die overwinningen in het amateurpeloton en het Olympisch goud konden niets anders dan de opmaat naar een machtig profbestaan zijn. Maar dat pakte anders uit.

Meteen in 1969 tekende Jan Krekels een profcontract, bij de Nederlandse Caballero-ploeg. Geen gelukkige keuze, geeft hij veertig jaar later in een interview met het Limburgs familiemagazine Nummer 1 toe. Eigenlijk had hij gewoon voor een buitenlandse ploeg moeten kiezen, vertelt Krekels in datzelfde gesprek, net als Joop toen deed. Dan had hij meer uit zijn carrière gehaald, véél meer zelfs. In een ander artikel lees ik dat zijn keuze voor een Nederlandse ploeg alles te maken had met angst voor de Franse taal en een grote liefde voor het Limburgse land. Hij reed altijd voor Nederlandse ploegen, met wat korte tussenstops bij een paar Belgische teams. Ondanks dat hij voor kleine ploegen reed, fietste hij – zeker in zijn eerste profjaren – een paar mooie overwinningen bijeen: een etappe in de Tour de France – die hij overigens drie keer uitreed – , een etappe in de Ronde van Zwitserland en het eindklassement in de Ruta del Sol. Er zijn renners die het met minder moeten doen. Krekels’ profcarrière besloeg uiteindelijk tien jaar. Toen zijn oude ploegmaat Joop Zoetemelk in 1980 de Tour won, was De Krekel al prof-af.

Na zijn profcarrière bouwde Jan Krekels in Sittard een eigen bedrijf op. Geen fietsenwinkel, zoals veel van zijn generatiegenoten deden, maar een bedrijf in de warmtetechniek. Als ik de naam intik, ontdek ik dat VOF Jan Krekels nog altijd bestaat. Ik zie het voor me: de oud-Olympisch kampioen en winnaar van een rit in de Tour de France, die dag in dag uit cv-installaties inregelt. Bij hoeveel Limburgse gezinnen zal de verwarming snorren dankzij de vaardige handen van De Krekel? Hier een kop koffie, daar een mooi verhaal, de ogen altijd even vrolijk twinkelend. En aan het einde van de dag, na de aardappels, de groente en het karbonaadje, nog even een rondje op de fiets. Want dat fietsen, dat moet je goed bijhouden.

verschenen op Het is Koers, juni 2012

Ondernemer, kom uit je hok! | LUIDER

IMG_1131Het is wat afgezaagd in deze tijd van het jaar, dat weten we ook wel. Maar ja, we zijn eigenwijs en doen het daarom tóch: terugblikken en vooruitkijken. Met Michaël Kortbeek, voorzitter van de Kamer van Koophandel en met Helga Brenninkmeijer van MKB Midden-Nederland. Maar bovenal met de mensen die het doen: de ondernemers.

En…, hoe bent u het afgelopen jaar doorgekomen? Veel last gehad van de voortwoekerende eurocrisis, of viel het eigenlijk wel mee? Hoe we het ook wenden of keren, we hebben er in ieder geval allemaal mee te maken. Maar hoe gaat ondernemend Utrecht ermee om?

Zwaar weer
‘Ondernemers zijn normaal gesproken positief en optimistisch, maar in de laatste Conjunctuurenquête (COEN) zagen we toch een somberder beeld. In de loop van dit jaar is de stemming omgeslagen,’ zegt Michaël Kortbeek. De COEN, een onderzoek dat ieder kwartaal landelijk wordt uitgevoerd, laat in het derde kwartaal zien dat het grootste deel van de ondernemers nog wel verwacht dat de omzet min of meer gelijk blijft, maar die groep neemt in omvang af. Terecht, vindt Kortbeek: ‘Ik denk dat ondernemers zich moeten voorbereiden op zwaar weer.’

Kijkje in de keuken
‘Wij hebben een goed jaar gedraaid, mede door fiscale maatregelen waarvan wij met een aantal van onze auto’s profiteerden.
In 2012 willen we ons op een andere manier profileren: we gaan de mensen een kijkje in onze keuken geven. Echt laten zien hoe we ons werk doen, met als achterliggende gedachte dat we geen auto’s verkopen, maar een totaalpakket, dus mét persoonlijke aandacht, mét service en mét die goede auto.
Of ik nerveus word van de huidige omstandigheden? Nee, ze triggeren mij juist om mezelf en mijn omgeving te verbeteren. Uiteindelijk waait het weer over, maar de vraag is of jij daar als ondernemer ook goed uit komt. Het is in ieder geval heel belangrijk dat je je aanpast aan de nieuwe structuren, want anders wordt het lastig.’
Sjef ten Berge – directeur Škoda Center Utrecht

Utrecht heeft alles
Michaël Kortbeek ziet het ook niet alleen maar somber in. Utrecht heeft een grote aantrekkingskracht op ondernemers en mensen willen hier graag wonen. Dat heeft alles te maken met de evenwichtige verdeling van cultuur, natuur en economie. ‘De provincie Utrecht heeft alles, dat is onze grote kracht. Gevolg is dat de bevolking blijft groeien en dat is weer goed voor de bedrijvigheid. Tegelijkertijd moeten we oppassen dat de werkgelegenheid voor hoger en lager opgeleiden wel in evenwicht blijft.’

Talenten benutten
‘Dit jaar hebben we dat wat we hadden geconsolideerd. Maar ik moet zeggen: er zit wel weer groei in. Enerzijds is dat het gevolg van onze lokale aanpak: we besteden veel aandacht aan ons netwerk. Anderzijds heeft AutoRent een aantal mooie nationale accounts binnengehaald.
De afgelopen periode hebben we de organisatie opnieuw ingericht. Vroeger zorgde je voor een leuke vrijdagmiddagborrel, maar daarmee red je het nu niet meer. Mensen willen hun talenten benutten en daarom zitten onze medewerkers nu zoveel mogelijk op de plek waar ze het beste tot hun recht komen. Dat motiveert enorm en dat is ook weer goed voor het eindresultaat.
Voor 2012 ben ik toch wel licht optimistisch, ja. Natuurlijk is het hard werken, maar dat doen we met hart en ziel. En bovendien, van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan. Van stress wel. Die moet je dus voorkomen; enerzijds door je bedrijf goed te profileren en anderzijds door de juiste mensen op de juiste plek te zetten.’
Theo Hanssen, directeur AutoRent Vitesse

Social media
De ondernemer zal de komende tijd vooral goed op de kosten moeten letten. Maar daarmee is hij er niet, denkt Kortbeek. ‘Hij moet een prima product hebben en zijn marketing moet perfect in orde zijn. En dan heb ik het niet alleen over advertenties, maar zeker ook over social media en internet. Iedere ondernemer zou zich daar goed in moeten verdiepen.’

Bouwen aan duurzame relaties
‘Uiteraard hebben wij last van de economische omstandigheden; het bedrijfsleven is een stuk trager in het nemen van beslissingen. Maar goed, we mogen niet klagen, want ondanks dat de rendementen onder druk staan, groeien we nog steeds. Hoe dat komt? Tja, toch door onze manier van werken: transparant, goede kwaliteit en betrouwbaar. We bestaan al 71 jaar hè, dat feit spreekt juist nu veel opdrachtgevers aan. En het komt waarschijnlijk ook door de manier waarop we met onze opdrachtgevers omgaan: we hechten aan duurzame en eerlijke relaties die zijn gebaseerd op vertrouwen en bewezen kwaliteit en service.
Voor 2012 verwachten we veel van one-stop-shopping, daar hebben we de afgelopen jaren veel in geïnvesteerd. De opdrachtgever kon voor alle werkzaamheden in en om zijn pand al jaren bij ons terecht, maar we hebben onze werkstromen nu ook zo ingericht dat hij altijd dezelfde contactpersoon heeft. Bovendien kan hij alles online regelen en inzien; transparantie staat voorop. En we willen nog meer werk maken van de zichtbaarheid van onze medewerkers, want zij zijn de mensen die het iedere dag doen.’
Kevin de Kroon, directeur De Kroon Facilitaire Diensten

Kom uit je hok!
Een goed product, slimme marketing; jazeker, maar dat is niet alles, vindt Helga Brenninkmeijer, regiomanager bij MKB Midden-Nederland. ‘Ondernemers moeten hun comfortabele hok uit,’ stelt zij. MKB Midden-Nederland ziet samenwerking als dé manier om de crisis het hoofd te bieden. ‘En dan hebben we het niet alleen over de samenwerking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het gaat er juist om dat je met je concurrent of met kennisinstellingen en overheden aan tafel gaat zitten. Of vraag er een paar jongeren bij; dat levert gegarandeerd nieuwe impulsen op. Benen op het bureau, brainstormen: welke nieuwe producten of diensten kunnen wij samen verzinnen?’
Ook de Kamer van Koophandel stimuleert en ondersteunt verschillende samenwerkingsverbanden en netwerken, vertelt Kortbeek. ‘Sterke ondernemingsclusters dragen de economie. Kijk bijvoorbeeld naar de zorg en de ICT. Door die twee clusters te combineren, ontstaan er veel nieuwe en vooruitstrevende ideeën voor de ouderenzorg. Dat soort samenwerkingsverbanden hebben de toekomst.’

Focus
‘We hadden een lastige start dit jaar, maar nu gaat het toch weer beter. Wij profiteren van het feit dat bedrijven op een slimme manier toegevoegde waarde willen leveren, zonder dat dat extra kosten met zich meebrengt. Omdat we landelijk opereren en met heldere tarieven werken, kunnen we aan die vraag voldoen.
Steeds meer ondernemers focussen op waar ze goed in zijn, de rest kopen ze in. Dat doen wij zelf ook; voor een sterke onderneming is het belangrijk dat je je niet laat verleiden door randverschijnselen waar je minder goed in bent. Dus voor de zaken die buiten onze focus vallen, gaan we altijd op zoek naar partners. Je moet je daarvoor wel kwetsbaar op durven stellen en vertrouwen hebben, want samenwerken houdt ook in dat je elkaar business toeschuift. Ja, focussen en samenwerken; daar zal het ook in 2012 om draaien.’
Wilma van Dijk, directeur MSO BV

Een ding is zeker: ondernemers die op hun eiland blijven zitten, krijgen het zwaar. Gelukkig zijn de meeste ondernemers mensen die er helemaal voor gaan, ziet ook Michaël Kortbeek. ‘Bijna alle ondernemers die ik ontmoet, hebben een echte ‘ze-krijgen-me-er-niet-onder’-instelling. Dat stemt toch weer positief.’

Juist leuk
‘Ondernemen in slechte tijden is juist leuk, dan kun je écht laten zien hoe inventief je bent. Kijk, je hebt ondernemers die ondernemen en je hebt ondernemers die alleen een nummer bij de Kamer van Koophandel hebben. Een echte ondernemer zorgt ervoor dat zijn kernactiviteiten goed lopen en vanuit die basis zet hij nieuwe concepten in de markt. Hij is alert, stuurt bij en aan het eind van het liedje schrijft hij keurige zwarte cijfers. Daaraan herken je een echte ondernemer, zeker nu!
Eerder dit jaar draaide een van onze divisies wat minder. We hebben direct bijgestuurd en de aandacht naar een andere divisie verlegd, met als gevolg dat ons eindresultaat er prima uitziet.
In januari verhuizen we naar ons nieuwe bedrijfspand, dat levert vast weer ook weer nieuwe impulsen op. Ja, ik zie 2012 heel zonnig in.’
Martijn van der Kroef, directeur Van Rhijn Taxivervoer, FC Utrecht Travel, NewKit Media B.V.

verschenen in Luider, december 2011

Serieus dromen | Het is Koers

IMG_1101Het zag er allemaal heel leuk uit hoor, maar ik geloofde er helemaal niets van. Een droom in duigen, maar hij zei doodleuk – en nog meerdere keren ook – dat er niets aan de hand was, dit was toch een prima resultaat? Sterker nog, als je Andy’s blijmoedige grijns bekeek, had je zelfs kunnen geloven dat het laatste rondje over de Champs Elysees meteen ook het startsein van een gezellig avondje stappen was. Misschien was dat ook echt zo trouwens. De mannen van Leopard, het nachtleven van Parijs te lijf met stoppelige benen en een even stoppelige kin, de teamsjaaltjes fladderend om de nek. In de teambus vast lekker indrinken. De muziek op tien, de heupen voorzichtig laten wennen aan iets anders dan fietsen, in de ogen de weerspiegeling van ritmische lichteffecten – jazeker, de bus van de gebroeders Schleck is voorzien van lichten die in een gemiddelde nachtclub niet zouden misstaan. En toen, toen iedereen prettig aangeschoten was, kreeg de chauffeur een teken van Andy: rijden maar, op naar de hotste club van de stad. Tweede en derde, ha, als dat geen feestje waard is!

Misschien ging het echt zo. Of zag het tafereel er toch zo uit? Aan alle plichtplegingen voldaan, de huldiging overleefd, de busdeuren die bijna geluidloos dicht gleden en de teleurstelling aan het oog van de wereld onttrokken. Net daarvoor, op het trapje van de bus, vertelden ze de bengelende microfoons nog een keer over hun grote geluk. Zo fantastisch, samen op dat podium. Ja, papa is ook heel trots op ons. Ja, natuurlijk had ik dat geel ook mooi gevonden, maar we hebben ons best gedaan, meer zat er niet in. Maar hé, het voelt niet als verliezen hoor, echt niet. De bruine ogen van Andy keken nog een keer op z’n allertrouwhartigst de wereld in: nee, écht niet. Zijn smalle bekkie grijnsde. Niet dat dat zoveel betekent trouwens: wanneer je de laatste kilometers van de etappe naar de top van de Galibier bekijkt, zie je dat Andy ook grijnst als hij op breken staat.

Andy lijkt nog altijd op een dartel veulen dat per ongeluk in een peloton echte mannen terecht is gekomen. Maar vergis je niet. De hele winter heeft hij zich erop voorbereid, dit werd zijn Tour, van niemand anders. Hij liet er zelfs al een documentaire van maken: Andy’s Tour. Samen met zijn broer bouwde hij een team om zich heen dat ervoor moest zorgen dat de zege hem niet kon ontgaan. Aan werkelijk alles was gedacht: de schoentjes, de fietsen, de sjaaltjes, de website, de discolichten in de bus. En ja, vooruit dan maar: hij zorgde er ook voor dat hij een goed pak renners om zich heen verzamelde. En hij trainde hard. Als een Eskimo zat hij er soms bij, jagend langs de Luxemburgse sneeuwhopen. Ook neersabelende regendruppels konden niet voorkomen dat Andy zijn anorectische lichaam rond zijn fiets slingerde en de kilometers wegtrapte. Om zijn droom te verwezenlijken, had hij een paar doelen gesteld: beter worden in afdalen en tijdrijden, want daar viel nog wel wat te winnen. Hij zei het echt!

Andy trainde op de afzink van een paar grote bergetappes. Sterker nog: hij trainde erop in de regen. Het viel met bakken uit de hemel en hij glibberde langs plassen en vervaarlijk meanderende asfaltscheuren. Niet te snel, het ging erom dat hij wist hoe de bochten liepen. Zijn benen sloegen het op, zijn hoofd maakte er filmpjes van voor straks, in juli. Verkennen doe je niet voor niets, tenslotte. Of hij bang was? Nee, angst kost te veel energie. Wouter Weylandt leefde nog.

Andy deed nog meer. Ingesnoerd in een strak pak, met bijpassende helm, dook hij de windtunnel in. Ach, dat vederlichte lijfje tegen de loeiende windturbine. Er werd wat aan zijn fiets gesleuteld en daarna mocht hij opnieuw gaan oefenen, op de wielerbaan. De rug moest wat meer gebogen, het hoofd omlaag. Het wattage moest dan weer omhoog, maar – de Tour win je tenslotte niet zomaar – het lichaamsgewicht moest juist omlaag. Seconde voor seconde werd gewonnen.

Andy trainde zich suf, werkelijk waar. Weliswaar was het dartele veulen nooit ver weg – ‘c’est la vie, c’est la vie’ grijnsde hij naar zijn ploeggenoten nadat hij zich had verslapen voor de verkenning van Luik-Bastenaken-Luik – maar hij nam zijn Tourdroom wel degelijk serieus. En precies daarom geloofde ik hem niet toen hij zei dat het een fantastisch resultaat was, tweede in Parijs. Hij verloor de Tour op een afdaling en een tijdrit. Als je verliest op de onderdelen waarop je nu juist heel hard hebt getraind, dan ga je niet zeggen dat het fantastisch is. En dan ga je al helemaal niet zo blijmoedig staan grijnzen alsof je zodadelijk nog even lekker gaat stappen met je vrienden. Nee, dan ga je vloeken en tieren. Dan spuwen je ogen vuur, ook al zijn ze nog zo schattig reebruin. Dan sloop je de discolichten uit de bus als het echt niet anders kan. En geef je trouwens ook die klotefiets van je nog even een rotschop. Je scheldt je broer verrot omdat hij je liet zitten toen het er echt toe deed. Je scheurt al die idiote ploegsjaaltjes aan gort. En daarna ga je je eens goed afvragen waarom je die verdomde tijdrit niet goed verkend hebt. En waarom je je na 9 mei niet in nog veel meer afdalingen hebt gestort, om het verdriet een uitweg te gunnen en de angst voor eens en voor altijd te bezweren.

Dat doe je, als je je droom tenminste echt serieus neemt.

verschenen op Het is Koers, augustus 2011

Te lang bescheiden geweest | Events

IMG_1005Volgens hun medewerkers vormen ze zeker geen twee-eenheid en zelf vinden ze eigenlijk ook dat zoiets als twee handen op een buik totaal niet op hen slaat – integendeel zelfs! De een kan wakker liggen van de cijfers, de ander rijdt rustig driehonderd kilometer voor een luttele millimeter ledscherm. De gemene deler is hun betrokkenheid, en vlak ook hun perfectionisme niet uit. In gesprek met Diederik Verwiel en Dorine van der Bruggen.

Nog geen minuut nadat de eerste vraag is gesteld, schiet Dorine van der Bruggen al overeind om met een ‘Ik ga toch even kijken waar de thee blijft’ door de deur te verdwijnen. Diederik Verwiel lacht: ‘Nu zie je direct hoe we het hebben verdeeld. Dorine is dus van de catering!’ Even later komt ze terug, met in haar kielzog een medewerker met een dienblad met thee en alles wat daarbij hoort. Pas als we allemaal van thee zijn voorzien, gaat ze weer zitten. ‘Sorry hoor, maar anders heb ik geen rust.’ Haar compagnon lacht.

Discussies
Hoewel Diederik het zo-even nog gekscherend zei, blijkt er wel degelijk een duidelijke werkverdeling te zijn tussen beide oprichters van het succesvolle bureau Bruggen Verwiel Eventmarketing. Dus ja, als er over vijf minuten iemand zou bellen met de mededeling dat er over een paar uur een bijeenkomst van honderd mensen plaats gaat vinden, hoeven Diederik en Dorine eigenlijk niet eens te overleggen, vertelt Dorine. ‘Ik zorg dan voor de opstelling, de catering, het parkeren, het overleg met de buren, dat soort dingen. En Diederik regelt wie er gaat spreken en wat er op het podium gaat gebeuren. Ja, dat gaat automatisch.’ Dat wil echter niet zeggen dat er geen overleg plaatsvindt, vult Diederik meteen aan. ‘We kunnen leuke discussies hebben, hoor, tijdens het productieproces, maar ook al als we een klus net hebben binnengehaald. Dan moeten we keuzes maken en dan sta ik er bijvoorbeeld op dat er een bepaald type lamp moeten komen. Dorine wil altijd weten waarom. Maar als ik goed weet uit te leggen dat iets nodig is voor een bepaald effect dat we op dat podium willen bereiken, vertrouwt ze daar ook op. En andersom is het precies hetzelfde.’ Dorine lacht en vertelt dat haar compagnon morgen in de auto stapt om drie uur verderop te kijken of de ledschermen vijf of zes millimeter moeten zijn. ‘Ik begrijp dat niet, maar ik weet wel dat het belangrijk is voor de voorstelling die we straks neerzetten. Dus dan hebben we het daar verder ook niet meer over.’

Naïef
Toen Verwiel en Van der Bruggen in 2001 met hun bureau startten, lag de aanslag op de Twin Towers nog vers in het geheugen. De wereld was in de war en wat de invloed daarvan op de economie zou zijn, was nog niet duidelijk. Maar op de een of andere manier lieten ze zich daar niet door weerhouden, vertelt Dorine. ‘Misschien waren we wel een beetje naïef, ja, maar we waren ook wat jonger natuurlijk.’ Diederik schiet in de lach, vertelt dat zijn vrouw net zwanger was van hun tweede kindje toen hij thuis kwam met de mededeling dat hij en Dorine voor zichzelf zouden beginnen. ‘Ja, dat was best een spannende timing!’ Hij en Dorine waren er vanaf het begin dan ook van overtuigd dat het zou werken. ‘Bij De Otter & De Vries hadden we al een paar jaar leiding gegeven aan de Nederlandse tak van dat bureau; Dorine was verantwoordelijk voor de commerciële kant en ik voor het creatieve stuk. Samen met een eigen team hadden we het echt goed voor elkaar, totdat het bedrijf werd verkocht aan een groot Amerikaans evenementenbureau.’ Die overname bleek de opmaat voor Bruggen Verwiel, want al snel voelden Dorine en Diederik zich bekneld door het Amerikaanse keurslijf dat puur uit cijfers bestond. Maar, dachten ze allebei, dat zou na een tijdje heus wel weer veranderen en dan zou het gewoon weer net zo worden als vroeger. Een gesprek met de directie in Londen hielp hen uit die droom; de verplichte handtekening voor de inkoop van kantoorartikelen bleek nog maar het begin. Ook daarin waren we een beetje naïef, zegt Dorine nu. Niet lang na dat verhelderende onderhoud werd Bruggen Verwiel ‘geboren’.

Ondernemen
Ondanks dat Bruggen Verwiel alweer ruim twaalf jaar zeer succesvol aan de weg timmert, zien de oprichters zichzelf niet als echte ondernemers. We zijn eigenlijk atypische ondernemers, vindt Diederik. ‘We waren er bij de start binnen een uur uit: we wilden een klein team, zelf betrokken blijven en plezier hebben in wat we doen. De ondernemerswetten zeggen dat het steeds groter moet, maar wij vonden – en vinden – dat het ook anders kan.’ Dat deze manier van werken inmiddels de kracht van het bedrijf is, ja, dat kunnen ze alleen maar volmondig beamen. ‘Onze betrokkenheid is heel groot en onze opdrachtgevers waarderen dat. Maar dat geldt net zo goed voor onze leveranciers, die gaan inmiddels wel voor ons door het vuur.’ Dorine neemt een slokje thee, lijkt even na te denken en neemt dan opnieuw het woord. ‘Ik vind dat heel belangrijk. Stel dat ik er morgen niet meer zou zijn… Als mensen het dan nog hebben over de projecten die we samen hebben gedaan, en dat ze daar zulke goede herinneringen aan hebben… Ja, dát.’ Diederik knikt. ‘Ik heb heel veel bewondering voor echte entrepreneurs, voor de De Otters en de De Vriesen, de Arjan van Dijks en de Frank Wentinks van deze wereld. Mensen die tegen de stroom in dingen op poten zetten. Maar zo moet je wel zijn, en wij zijn niet zo. Wij willen gewoon heel goed worden in de dingen waarvan we weten dat we er goed in zijn.’ Maar dat betekent ook dat het bureau wel eens nee moet zeggen, toch? ‘Ja, dat klopt,’ zegt Dorine. ‘Wij zijn heel erg van de coproducties; de klant aanvoelen en andersom. In de loop van de jaren hebben we met een aantal klanten een preferred suppliership opgebouwd en tegen zulke klanten zullen we nooit nee zeggen. Maar als er tegelijkertijd een ander groot project binnenkomt, tja. Dan moeten we nee zeggen, omdat we anders niet de betrokkenheid en de kwaliteit kunnen leveren waar we voor staan.’ Grinnikend geeft ze toe dat ze dat wel ontzettend lastig zou vinden. ‘Ik kom uit de Wentinkschool hè, nee zeggen bestaat echt niet!’

Twee-eenheid…
Ze weten na al die jaren precies wat ze aan elkaar hebben. Maar laat de wereld vooral niet denken dat Diederik Verwiel en Dorine van der Bruggen samen een onlosmakelijke twee-eenheid vormen. Ja, ze zijn heel betrokken en allebei perfectionistisch. Soms zelfs te, vindt Dorine. ‘Nouja, dan spreek ik wel voor mezelf, hoor. Het is nooit goed genoeg, begrijp je? Ik ben zelfs zo kritisch dat het soms ten koste van het genieten gaat. Dat vind ik jammer. Daar komt bij dat loslaten voor mij nog wel een dingetje is. Een voorbeeld? Nou, ik ben verantwoordelijk voor het commerciële stuk en ik kan me in september al druk maken over het nieuwe jaar, daar lig ik dan zelfs wel eens wakker van. Diederik niet, die zegt dan gewoon dat we het al zo lang goed doen, dus waarom komend jaar niet. Ik zou daar meer op willen vertrouwen, ja.’ Ook Diederik is perfectionistisch, hoewel hij er niet wakker van ligt. Maar snel tevreden, nee, dat is hij zeker niet. ‘Er is altijd wel iets. Daarom zit ik in de repetitiefase rustig tot diep in de nacht met een lichtman te programmeren om ervoor te zorgen dat het licht helemaal perfect is. Het moet kloppen, helemaal.’ Het zijn zaken waar Dorine zich dan weer niet mee bemoeit, net zoals Diederik zich niet bemoeit met dingen als contracten. Sterker nog: die gaan volstrekt aan hem voorbij. Hij lacht voluit: ‘Het is eigenlijk heel simpel: Dorine is degene die het geld verdient, en ik geef het weer uit.’ Dan, serieus: ‘Ik vind dat dus knap, ik kan dat zelf helemaal niet, die cijfers, dat papierwerk. Of zo’n gesprek met een opdrachtgever als een project budgettair uit de rails dreigt te lopen; dat kan ze ook heel goed. Op de een of andere manier weet ze het altijd zo op te lossen dat het voor iedereen weer een win-win is.’ Andersom vindt zij het dan weer knap dat hij altijd weer een goed creatief concept weet te ontwikkelen. ‘Af en toe komt er zo’n vraag binnen waarbij ik meteen denk: oh, hoe gaan we hier nu weer iets bijzonders van maken? Daar kan ik echt stress van krijgen. Diederik niet, dat is gewoon helemaal zijn ding.’ Ze kijken elkaar veelbetekenend aan en vinden dan eensgezind dat het nu wel wat te klef wordt. ‘We zijn heel verschillend en vullen elkaar gewoon perfect aan, dat is eigenlijk het hele verhaal. Wat ik niet leuk vind, vindt zij leuk en andersom,’ zegt Diederik. ‘Maar twee-eenheid, nee, dat vind ik niet. Misschien denken onze medewerkers daar anders over, maar dat zou je ze moeten vragen.’

Trots
De meeste ondernemers hebben bij de start van hun onderneming een bepaald beeld voor ogen: daar ga ik naartoe, daar wil ik over een paar jaar staan. Maar ja, Bruggen Verwiel wordt geleid door atypische ondernemers – hadden die wel zulke toekomstvisioenen? Ja, toch wel, zeggen ze allebei. Maar de laatste vier jaar is er als gevolg van de crisis veel veranderd. De vraag nu beantwoorden is anders dan de vraag vijf jaar geleden beantwoorden, wil Diederik maar zeggen. ‘Toen wilden we doorgroeien naar tien, maximaal twaalf mensen. Maar toen de crisis begon, hebben we afgesproken dat we ons zouden gaan focussen op dat wat er is en dat we daar oké mee zouden zijn. Dat is gelukt, maar persoonlijk had ik wel net iets groter willen zijn, net iets meer body om projecten aan te kunnen.’ Het is echter het enige punt dat anders is gelopen dan ze van tevoren hadden bedacht. Verder overheerst vooral de trots op alle grote en kleine projecten die ze samen met hun team al hebben neergezet. ‘Daar zijn dit soort interviews toch ook wel weer goed voor,’ vindt Dorine. ‘We kijken soms te weinig naar wat we allemaal hebben gedaan en dat is jammer. We gaan maar door, maar we moeten er ook van genieten. Toch?’ Diederik knikt instemmend. Ze zijn te lang bescheiden geweest, vinden ze eigenlijk. Het heeft alles te maken met het perfectionisme waar ze allebei ‘last’ van hebben, denkt Dorine. ‘Pas waren we bij de uitreiking van de Gouden Giraffes. Toen dacht ik ineens: goh, we hadden ook best iets in kunnen sturen. Maar op de een of andere manier hebben we tot nu toe allebei het idee dat het evenement dan toch wel zó ongelooflijk goed en bijzonder en uniek moet zijn geweest. Terwijl we gewoon hartstikke mooie dingen maken. Daar mogen we best wel eens wat trotser op zijn.’

Naschrift
Na afloop van het gesprek kan ik het niet laten… Want hoe zit het, wat vinden de medewerkers van Bruggen Verwiel er eigenlijk van – vormen Diederik en Dorine echt geen twee-eenheid? Projectmanagers Charlotte en Linda en producer Vera vinden van niet. Charlotte: ‘Ze zijn juist heel verschillend. Hun kracht is dat ze elkaars talenten goed kennen en weten uit te buiten.’ De drie weten dan ook precies bij wie ze moeten zijn, vertelt Vera. ‘Het een is een Diederik-ding en het ander is juist een Dorine-ding. Ja, zo werkt het inderdaad.’

verschenen in Events, zomer 2013

Je doet het vooral zelf | FietsActief

IMG_1041Vorig jaar legden we vijftien miljard kilometer op de fiets af en daarmee streefden ‘wij fietsers’ voor het eerst het aantal treinkilometers voorbij. Fantastisch, want gezond, goed voor het milieu en we zien nog eens wat. Maar is het nog wel veilig?

De zon schijnt uitbundig en ondanks de wind besluit ik op de fiets naar het kantoor van de Fietsersbond in Utrecht te gaan. Het is slechts een half uurtje, maar tijdens dat halve uurtje maak ik weer heel wat mee. Een fietspad dat plotseling eindigt, een onoverzichtelijke rotonde, een stuk fietspad dat ten onder dreigt te gaan aan de kracht van de wortels van de huizenhoge populieren die erlangs staan te ruisen en een stoplicht dat tenenkrommend lang op rood blijft staan. En als ik netjes bel om een mevrouw met keurig gekapt grijs haar in te halen, kijkt zij welwillend over haar linkerschouder, daarbij haar stuur een flinke zwieper naar links gevend – met het nodige kunst- en vliegwerk weet ik er nog net voor te zorgen dat ik niet in de goedgevulde bloembakken naast het fietspad beland.
Tja, zegt Hugo van der Steenhoven wat later terwijl hij me een kop koffie inschenkt, het is nog wel eens behelpen op het fietspad. Wat hij zegt!

De feiten
In 2011 steeg het aantal verkeersdoden voor het eerst sinds jaren weer: van 640 in 2010 naar 661 in 2011. Opvallend is dat bijna één op de drie verkeersslachtoffers een fietser was, terwijl dat vroeger één op de vijf was. Maatregelen als gordelgebruik, alcohollimieten en rotondes hebben dus weinig invloed op de fietsveiligheid. Sterker nog, het aantal gewonde fietsers stijgt de laatste jaren sterk, mede door het toenemende fietsgebruik en het groeiende aantal ouderen in het verkeer. Inmiddels heeft de overheid de bescherming van kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals fietsers, tot speerpunt van beleid gebombardeerd. Kanttekening hierbij is dat de meeste fietsongelukken op lokale wegen gebeuren en dat het verbeteren van de fietsveiligheid een lokale aangelegenheid is. Dat is trouwens ook de reden waarom de voorrangsregel voor fietsers op rotondes per gemeente kan verschillen. Uiterlijk dit jaar moeten gemeenten lokale fietsknelpunten in kaart hebben gebracht, inclusief voorstellen om deze knelpunten op te lossen. Verder werkt de overheid nauw samen met diverse maatschappelijke partners, waaronder dus de Fietsersbond. Samen met deze partijen probeert de overheid de verkeersveiligheid verder te verbeteren.

Wat zijn wat jullie betreft eigenlijk de belangrijkste knelpunten?
Kees Bakker: ‘Ik denk toch de tweerichtingsfietspaden die vaak te smal zijn. Te weinig ruimte op het fietspad is gevaarlijk, dus wij zouden graag zien dat de fietspaden breder worden, met een duidelijke belijning en zonder gevaarlijke goten langs de zijkanten. Sommige mensen denken dat vooral de oudere op de e-bike veel gevaar oplevert, maar dat valt echt mee. Het risico zit ‘m niet in die e-bike, maar eerder in de oudere die nu eenmaal wat minder snel is in zijn reacties. Daar staat echter tegenover dat de gezondheidsvoordelen voor de oudere die blijft fietsen enorm zijn.’
Hugo van der Steenhoven: ‘De ongelukken binnen de gemeentegrenzen mogen wel wat meer aandacht krijgen, vind ik. Natuurlijk is het prima dat er op de snelwegen veel op snelheid wordt gecontroleerd, maar men lijkt te vergeten dat tweederde van de dodelijke verkeersslachtoffers binnen de gemeentegrenzen vallen. Daar valt dus veel winst te behalen.’

Hoe zou je die winst binnen kunnen halen?
HvdS: ‘Nou, om te beginnen met zoveel mogelijk 30-kilometerzones binnen de bebouwde kom, inclusief voldoende handhavingsmaatregelen. Je kunt zelfs denken aan aan satellieten verbonden kastjes in de auto die ervoor zorgen dat je binnen bepaalde zones niet eens harder kúnt rijden. Verder is een goede inrichting van het stratenplan natuurlijk essentieel. En het zou mooi zijn als de fietsersairbag zo snel mogelijk wordt ingevoerd. Samen met het ministerie van Infrastructuur en Milieu, TNO en airbagproducent Autolive hebben we daar onderzoek naar en tests mee gedaan en daaruit blijkt dat zo’n airbag op de voorruit dertig tot veertig slachtoffers per jaar kan schelen.’

Wat is er nog meer nodig om het almaar toenemende aantal fietsers in goede en vooral veilige banen te leiden?
HvdS: ‘Beleidsmakers zouden zich moeten realiseren dat recreatief fietsen economisch zeer interessant is. In de landen om ons heen ontdekken ze dat ook en wij moeten oppassen dat die landen ons straks niet voorbijstreven als het gaat om een prettige en veilige fietsinfrastructuur. Dan denk ik, net als Kees inderdaad, aan brede fietspaden, maar ook aan meer fietsstraten. Kijk naar de Oudegracht in het centrum van Utrecht, daar rijden en parkeren nog altijd auto’s terwijl dit typisch zo’n locatie is waar je de fietser heel gemakkelijk voorrang zou kunnen geven. Maar dat betekent dat de gemeente een keuze moet maken tegen de auto, en dat ligt nog altijd gevoelig.’
KB: ‘Binnen de fietsbranche mag ook nog wel wat gebeuren, hoor, die zijn helaas nog niet zo actief als het om veiligheid gaat. Met bijvoorbeeld goede spiegels, anti-slippedalen, een lage instap, een krachtige koplamp en bredere banden ondervang je al een deel van de risico’s. Helaas richt de fietsbranche zich vooral op hippe fietsen voor de jongere doelgroep en die willen geen spiegels of anti-slippedalen. Plus, zeggen sommige fabrikanten, zulke spiegels en pedalen maken de fiets alleen maar duurder. Maarja, juist het aantal fietsende  ouderen neemt toe en koopt een e-bike die al niet goedkoop is. De kosten voor zo’n spiegel of pedalen maken dan het verschil niet meer.’

Hebben fietsers nog meer mogelijkheden om het fietsen veiliger te maken?
KB: ‘Een goede bril! Veel mensen denken dat zo’n sportbril alleen voor wielrenners is, maar ook voor de recreatieve fietser is een bril die schittering vermindert en de ogen goed afsluit, hartstikke prettig. Hij beschermt tegen rijwind, vliegjes, stof, noem maar op. Je kunt daarbij het beste kiezen voor gele of oranje glazen, die verminderen de schittering en verhogen het contrast, waardoor je er ook in de schaduw goed mee ziet. Verder moet je bij de aanschaf van een e-bike goed op de wijze van elektrische ondersteuning letten. Wanneer die ondersteuning direct bij het wegrijden op een geleidelijke wijze start, zit je goed. Maar je hebt dus fietsen die bij wijze van spreken wat pittiger optrekken en dat kan gevaarlijk zijn.’
HvdS: ‘En laat kinderen weer lekker met de fiets naar school gaan! De gemiddelde leeftijd waarop kinderen zelfstandig naar school fietsen, is de laatste jaren gestegen van zes naar negen jaar. Daarnaast zie je in de grote steden sowieso steeds minder kinderen op de fiets. Dat zijn geen positieve ontwikkelingen, want hoe jonger kinderen leren anticiperen op allerlei verschillende verkeerssituaties, hoe beter dat is. Dus fiets met ze mee en laat ze de gevaarlijke knelpunten zien. In Groningen loopt nu een pilot waarbij de parkeerzones verder van de ingang van de school af liggen. Dat kan een manier zijn om ouders weer uit die auto te krijgen: als ze verder moeten lopen, realiseren ze zich dat ze net zo goed de fiets kunnen pakken. Nog gezonder ook.’

Na een laatste slok koffie en nog een laatste weetje van Kees – ‘Wist je dat richtingaanwijzers op de fiets heel makkelijk te realiseren zijn? Ja, echt!’ – stap ik weer op de fiets. Niet voor het eerst valt me op hoe weinig mensen hun hand uitsteken als ze afslaan. Als we daar nu eens mee beginnen?

Zelf doen!
Via twitter maakte ik een kleine inventarisatie van wat fietsers gevaarlijk vinden. Op basis van die reacties was een lijstje ‘zelf doen’ snel gemaakt:
– Richting aangeven bij afslaan
– Ruimte maken als iemand belt om te passeren – zonder daarbij naar links uit te wijken
– De tijd nemen om goed te kijken en snelheden in te schatten
– Als grote groep niet breeduit over het fietspad uitwaaieren
Eigenlijk zijn het dus de basale omgangsregels waar we ons beter bewust van zouden moeten zijn. En als we gevaarlijke situaties als betonranden langs het fietspad, onduidelijke verkeerssituaties, hobbels en kuilen of onverwachte paaltjes nu eens wat vaker melden bij de gemeente of op het meldpunt van de Fietsersbond, geven we de bevoegde instanties ook de kans die knelpunten op te lossen. Via de website van de Fietsersbond geef je eenvoudig knelpunten door. De melding gaat zowel naar de wegbeheerder als naar het plaatselijke steunpunt van de Fietsersbond. Het meldpunt heeft ook een eigen app; handig als je onderweg bent.

De deskundigen
Hugo van der Steenhoven is directeur van de Fietsersbond en weet alles over overheidsbeleid en manieren waarop dat beleid te beïnvloeden. Dat is dan ook een van de taken die de Fietsersbond zich heeft gesteld; de belangenorganisatie probeert de belangen van de fietser zo goed en effectief mogelijk onder de aandacht te brengen bij de nationale en lokale overheid.
Kees Bakker is misschien nog wel bekender onder de naam TestKees. Hij is de onafhankelijke deskundige van de Fietsersbond en test in die hoedanigheid zo ongeveer alles wat met fietsen te maken heeft. Van e-bike tot fietspomp en van vouwfiets tot manieren om sneller te fietsen.

verschenen in FietsActief, augustus 2013 

‘Wat zijn de risico’s precies?’ | Diversey

IMG_1013Toen Diversey bij Zorgcombinatie Nieuwe Maas (ZNM) aanschoof met oplossingen voor infectiepreventie, wilde ZNM eerst wel eens weten wat de grootste risico’s nu eigenlijk waren. Het resultaat? Een uitgebreide risico-inventarisatie, mét cijfers die de prioriteiten in één oogopslag duidelijk maken. ‘Achteraf had ik het kunnen weten, maar eerlijk is eerlijk: ik wist niet dat Diversey dit ook kon.’

‘Er is nog veel terrein te winnen,’ zegt Ferry van Dorst, Manager Bedrijfsvoering bij ZNM stellig. Hij doelt daarmee op de aanpak van infectiepreventie in de verpleeg- en verzorgingshuizen; nog altijd een onderschoven kindje in deze specifieke zorgsector. ‘Ik vind dat onze sector meer aandacht aan infectiepreventie moet besteden, en dat zou al in de opleiding moeten beginnen. Het begint met kennis.’

Ontmoeten
ZNM heeft vier verpleeg- en verzorgingslocaties in Vlaardingen en Het Zonnehuis is daar één van. De zorgaanbieder wil dat zowel de bewoners als de bezoekers zich thuis voelen en ziet de ontmoeting tussen mensen als de kern van zijn activiteiten. Dat is duidelijk voelbaar als je naar binnen wandelt: geen grauwe grijzigheid, maar warme kleuren, een sfeervol grand café en vooral veel ruimte om elkaar te ontmoeten. En dat gebeurt dan ook: mensen maken een praatje met elkaar, in de gang, bij de receptie, in het restaurant. Het is gewoonweg gezellig, en dat is bijzonder, want ‘gezellig’ is niet het eerste woord dat bij je opkomt als je aan een verpleeghuis denkt.

Harde cijfers
Bij Zorgcombinatie Nieuwe Maas nemen ze infectiepreventie zeer serieus en de organisatie beschikt al twee jaar over een actieve infectiepreventiecommissie. Deze commissie komt regelmatig bij elkaar om hygiënevraagstukken en potentiële (virus)uitbraken en de voorkoming daarvan tegen het licht te houden.
Toen Diversey bij ZNM over infectiepreventie begon, werd er dan ook meteen actie ondernomen, vertelt Martin Rischen, Regionaal Accountmanager bij Diversey: ‘Via ZNM’s teamleider huishoudelijke dienst Truus van Gelderen kwamen we in gesprek met Ferry van Dorst. Hij heeft een achtergrond in onder andere risicomanagement en dat werd al snel duidelijk: hij vond onze producten voor infectiepreventie wel interessant, maar was vooral benieuwd naar de exacte risico’s. Toen kwam de risico-inventarisatie infectiepreventie ter sprake.’
Ferry van Dorst lacht: ‘Maarja, een reguliere risico-inventarisatie stelt prioriteiten op basis van ja/nee-antwoorden en dat interesseert mij niet zo. Wat zijn in cíjfers de gevolgen van vieze handen, dát wilde ik weten. Met harde cijfers in de hand is het stellen van prioriteiten veel makkelijker.’

Eerste in Nederland
De risico-inventarisatie werd in de zomer van 2011 uitgevoerd en het viel Nelly Holland, Adviseur Infectiepreventie bij Diversey, op dat ZNM de zaken goed voor elkaar heeft. ‘Het belang van infectiepreventie wordt gedragen door het management, dat is de basis. En de medewerkers zijn gemotiveerd, ze denken mee en ze willen graag het beste voor de bewoners.’
Inmiddels is ZNM de eerste verpleeg- en verzorgingshuisinstelling in Nederland die beschikt over een risico-inventarisatie infectiepreventie in cijfers. Arbodeskundige Bert van Huizen, voorzitter van de infectiepreventiecommissie, is er blij mee: ‘Dit document is een geweldig handvat, omdat het zo duidelijk laat zien waar de risico’s liggen. Het maken van concreet beleid wordt hiermee een stuk eenvoudiger.’

Praktisch op papier
Uit de cijfers die uit de risico-inventarisatie rolden, bleek dat de hand- en persoonlijke hygiëne de grootste risicofactoren vormen. ‘Sommige procedures zijn er wel, maar staan niet zwart op wit. En voor de borging is het belangrijk de zaken goed op papier te zetten,’ vertelt Cindy Meijrink, Beleidsmedewerker Bedrijfsvoering bij ZNM. Zij en haar collega’s hebben inmiddels een begin gemaakt met het op papier zetten van bepaalde werkprocedures.
Dat moet wel praktisch gebeuren, vindt Nelly Holland. Van Dorst knikt: ‘Precies! Tak-tak-tak op een geplastificeerd A4’tje. En functiegericht natuurlijk, want voor een medewerker uit de verpleging gelden andere risico’s dan voor de transportmedewerker.’

verschenen in Diversey’s relatiemagazine Forum; winter 2011