Als hij de roodgele verhuiswagen de straat in ziet rijden, voelt hij het ineens. Hij is nu een Man met Verantwoordelijkheden. Een huis. Een jonge vrouw. Een auto – vijfdehands weliswaar, maar toch, hij staat er wel. Dat hij er elke zaterdag onder kruipt omdat de olievlek op straat weer groter is geworden, doet daar wat hem betreft weinig aan af. Zijn vrouw denkt daar anders over, maar daar kan hij weinig aan doen – een vrouw blijft een vrouw. 
De verhuiswagen stopt vlak voor zijn voeten die hij net nog even iets breder had neergezet. De handen losjes in de zakken van zijn verschoten spijkerbroek, de benen wijd, een half opgerookt shaggie in de mondhoek – dat die lui niet denken dat zijn vrouw hier de baas is. Goddomme, gisteravond, was Jerry erover begonnen, ja, hij dacht het wel. Waarom hij steeds zo vroeg weer naar huis ging, er viel nog geen boom met hem op te zetten of hij ging alweer. Dat kon maar twee dingen betekenen, had Jerry zo bedacht: of dat vrouwtje van hem lustte er wel pap van, of hij zat nu al onder de plak. Een combinatie was ook mogelijk, vervolgde Jerry, waarna hij zijn glas leegdronk en met een klap op de toog zette. De andere jongens hadden gelachen, waarschijnlijk deels van opluchting omdat geen van hen vanavond de lul zou zijn. Jerry had zich ondertussen naar hem omgedraaid, zijn grote vingers streken zijn snor glad en daarna ging er een borstelige wenkbrauw omhoog.
‘Nou, Holland? Hoe zit het?’

Holland, zo heet hij hier, al sinds de eerste avond, twee weken terug. Hij was in z’n eentje naar binnen gestapt – eerst de klapdeur, toen het donkerrode fluwelen tochtgordijn. Een man of acht had er gezeten en hij had zich zwijgend in de verste hoek op een kruk laten zakken, wachtend tot de mannen zo’n beetje halverwege hun biertje waren. Toen had hij de dame achter de bar gevraagd om iedereen wat te drinken te geven. 
‘Van u, meneer?’
‘Jazeker, dame, van mij. Of ben ik niet degene die tegen je praat?’
Iedereen bleef stil zitten en toen de volle glazen er stonden, had de grootste – een kerel met enorme knuisten en een warrige rode haardos – het zijne geheven: 
‘Proost, Holland.’
De anderen volgden zijn voorbeeld. 
‘Hans, heet ik,’ zei hij toen en de mannen knikten. De rode haardos stelde zich voor als Jerry, waarna de rest zich ook voorstelde, op volgorde van hun plek aan de bar. Toen dat achter de rug was, knikte Jerry naar de dame achter de bar – of ze Holland nog een biertje wilde geven, en, mop, doe eens beleefd, stel je even netjes voor, hè. Mandy, bleek ze te heten, en de man die het dichtst bij Hans zat – en heette hij nou Albert, of was het toch Mart, hij wist het niet meer, hij was altijd al slecht in namen geweest; christus, in z’n diensttijd had het maanden geduurd voor hij de juiste naam aan het juiste gezicht wist te koppelen en pas tegen de tijd dat hij afzwaaide lukte het hem de juiste kerel verrot te schelden als dat nodig was – gaf hem een beuk op zijn schouder terwijl hij hem toevoegde dat hij zich vooral niks in z’n kop hoefde te halen, Mandy vrat elke kerel rauw. Hans had gezegd dat dat prima was, hij was al getrouwd. Er volgde een brullend geloei dat even plotseling ook weer ophield. Daarna zat iedereen stil voor zich uit te staren, tot Mandy opstond van haar kruk, zei dat ze even naar de plee moest en achter twee houten klapdeurtjes verdween. 
‘Zeg, Holland,’ verbrak Jerry toen de stilte, ‘heeft jouw vrouw zwart haar? Ravenzwart, tot op haar kont?’
Hans knikte en zag tegelijkertijd de goedkeurende blik waarmee Jerry hem nog eens monsterde. Albert – of toch Mart? – floot en zei: ‘Verdomme, maat, jij en ik gaan vrienden worden.’
‘Albert hier heeft niet zoveel geluk in de liefde,’ verduidelijkte Jerry. ‘Z’n eerste meisje is inmiddels met een ander getrouwd en toen ons Albert een andere dame wel zover kreeg dat ze met hem wilde trouwen, blies hij de boel zelf af. Een dag voor het altaar, hè, jong?’ 
Albert, die z’n lege bierglas aan een grondige studie onderwierp, keek even op. 
‘Zo gaan die dingen soms,’ mompelde hij. Jerry barstte in lachen uit en gaf de iele man naast hem een tik op het licht kalende achterhoofd.
‘Krek!’ zei hij. 
Hans vroeg zich af waarom Albert verder niets zei – hij had het duidelijk even niet naar z’n zin. Aan de andere kant: wat viel er eigenlijk te zeggen, behalve dat wat hij net dus al gezegd had? Zo gaan die dingen soms, en verdomd, dacht Hans bij zichzelf, zo is het maar net, hij wist er alles van. Het is niet alsof je er nou zoveel invloed op hebt, en je kon nog zo je best doen, uiteindelijk maakte het allemaal geen donder uit. Iedereen rommelde maar wat aan en soms pakte dat nog best aardig uit, maar, eerlijk is eerlijk, meestal niet. 
‘Hé, Holland! Ik vroeg je wat!’
‘Huh?’
‘Of je al werk hebt, wou ik weten. Ik neem aan van wel, anders zat je hier niet…’
‘Bij Van Meeuwen, in het onderhoud.’
De mannen knikten – Van Meeuwen, dat kenden ze wel.
‘En hoe kom je daar verzeild? In het westen is toch werk zat? Of moesten ze je niet meer?’
Het was de kleine met de bierbuik die het vroeg, en de ondertoon ontging Hans niet.
‘Werk zat, antwoordde hij, ‘maar ik wilde wat anders. Ik had het wel een beetje gezien daar en m’n vrouw leek het ook wel wat om eens wat nieuws te beleven. D’r ouders over de zeik natuurlijk, hun meisje zo ver weg. Maar da’s mijn probleem niet, heb ik gezegd.’

Allejezus, wat zat hij daar ineens te bazelen over Vera’s pa en moe, hoe kwam hij daar nou bij? Wat een onzin om die ouwelui hier tevoorschijn te halen. Hartstikke opgelucht dat hij die snoevers z’n hielen heeft laten zien en verdomd, op de eerste de beste avond met z’n nieuwe vrienden… Ze zouden hem moeten zien zitten, die kwallen. Mooi dat hij het heel wat beter voor elkaar heeft dan die snotneus met wie Vera eigenlijk had moeten trouwen. Dit was het leven: gewoon opnieuw beginnen, zonder gezeik, doen waar je zin in hebt. Vera had niks liever gewild, maar krijg dat maar eens uitgelegd aan zo’n suflul van een bankdirecteur. Hans grinnikte toen hij terugdacht aan hun vertrek. Godsamme, wat waren die lui link geweest, die ouwe had zelfs nog met de politie gedreigd, en, toen ze de portieren van hun Kever dichtsloegen en hij de auto startte, had hij nog als een dwaas op het dak staan slaan, met een verwilderde blik in zijn ogen en speeksel dat in de rondte vloog, terwijl hij – en hoe godvergeten grappig was dat! – een enorm arsenaal aan scheldwoorden over hen uitstortte. Vera zat naast hem, met haar linkerhand kneep ze angstig in zijn bovenbeen. Het was duidelijk dat ze van hem verwachtte dat hij de leiding zou nemen, een niet mis te verstane handeling waarmee alles in een klap duidelijk zou zijn. En dus had hij de koppeling op laten komen, het gaspedaal ingetrapt en een hengst op de claxon gegeven. Weg waren ze.

‘Meneer Van Velde?’ 
Hans schrikt op uit zijn gedachten en schudt de verhuizer de hand. 
‘Eerst maar even een bakkie, toch? Jullie hebben er verdomme al een halve dag opzitten, of niet dan?’
De verhuizers knikken en volgen Hans als hij het tuinhek opent en via de schuur naar binnen loopt.
‘Vera! Koffie!’ schreeuwt hij onderaan de trap en knikt de verhuizers toe – aan de keukentafel inderdaad. Even later hoort hij de krakende traptreden die Vera’s komst aankondigen.

Holland