fragment uit Sterrenstof, mijn roman die in het najaar van 2021 bij Alfabet Uitgevers verschijnt.

Maar zulke momenten waren ver weg als hij ’s morgens in alle vroegte de deur achter zich dichttrok, als zijn vaalblauwe pet opging in de zee van andere petten en als het holle geklepper van zijn klompen verdween in het onregelmatige ritme van al die andere klompen die voor, achter en naast hem liepen. De Dennenweg af, de Sparrenstraat, over de Veenbrink, rechts de Lossersestraat in, door de Gronauscheweg en de Gronausche Dwarsweg, links de Nijverheidsweg in en dan de Pijpenstraat – driehonderd meter nog, onder de poort door, de blinde muren van de fabriekshallen, de daken met de stenen schoorstenen die misschien wel tot in de hemel reikten – hij wist het niet eens zeker omdat ze dag en nacht dikke wolken stoom braakten. Om half zes precies de fluit, vijf schrille tonen waren het, en dan naar binnen. De spinnerij rechts, daarachter de twijnzaal, de expeditie ernaast en dan, links van de twijnzaal, de weverij. Groenzwarte weefmachines zover het oog reikte, meer dan honderd stonden er, klaar voor weer een dag stampen, zweten en kreunen, in een cadans die geen seconde stilhield en ’s avonds, als hij een keer een potje bier achteroversloeg, nog altijd die cadans, meedogenloos hield hij je in zijn greep, tezamen met de geur van olie, stoom, zweet en stof, het werd een deel van je lijf, zelfs je hartslag leek zich erop aan te passen, almaar door, almaar door, tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak, en sneller, sneller, sneller. Miljoenen draden had hij al tussen de vingers gehad, honderden onzichtbare knoopjes gelegd, duizenden spoelen vervangen terwijl boven en onder hem de getouwen geen einde kenden, geen genade voor zijn vingers die hij soms tot bloedens toe openhaalde, geen genade voor zijn oren die schreeuwden om stilte, geen genade, geen genade. Door ging het, door, tak-tak-tak-tak-tak-tak-tak, terwijl de oude wever naast hem soms zo verschrikkelijk stond te hoesten dat hij weleens bang was dat hij erin zou blijven, maar dat kon niet, want de draden, de draden, de draden mochten niet knappen en hoesten tot je de moord stikte deed je thuis maar, ’s nachts, in je nest, als je lijf zo moe was dat je het niet eens meer voelde, en daar lag hij, tot ’s morgens om half vijf de wekker weer begon te rinkelen: ontwaakt, ontwaakt, een nieuwe dag is aangebroken. 

Sterrenstof – een tweede fragment…